Eerlijke schrijvers, afwezige sprekers: Ben Lerners The Topeka School
🖋 Kyrke Otto


Hoe kan een romanschrijver in deze tijd verantwoordelijkheid nemen voor wat hij schrijft? Ben Lerners jongste roman Leerjaren in Topeka geeft een antwoord, dat classicus en filosoof Kyrke Otto voor ons herhaalt.

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Wat is het verschil tussen spreken en schrijven? In Plato’s dialoog Phaedrus gaat Sokrates met een jonge boekenliefhebber over deze kwestie in gesprek. Uitspraken zijn onmiddellijk en authentiek, want alleen mogelijk in de aanwezigheid van een spreker. Het schrift daarentegen is een medium, zodat geschreven teksten worden gekarakteriseerd door afstand: ze kunnen voorgelezen worden door andere sprekers, meegenomen worden naar andere plekken en duizenden jaren lang leesbaar blijven. Het zijn daarom net weeskinderen, zo stelt Sokrates: de geschreven tekst is alleen op de wereld en moet het stellen zonder de aanwezigheid en aansprakelijkheid van degene die hem heeft voortgebracht. 

Ben Lerner, The Topeka School (Granta 2019), 282 blz.

Als de geschreven tekst een weeskind is, dan moet de auteur dood zijn. Je zou kunnen zeggen dat deze bekende verklaring van Roland Barthes een op de spits gedreven versie is van de afstand die Plato reeds als inherent aan het medium erkende. Maar het is precies op het moment dat dit principe tot haar logische uiterste wordt gevoerd – wanneer ironisch taalspel als hoogste kunstvorm wordt geprezen en wanneer men begint te beweren dat gedichten net zo goed door algoritmen geschreven zouden kunnen worden – dat Plato’s strikte oppositie tussen spreken en schrijven, tussen aanwezigheid en afwezigheid, onhoudbaar blijkt. Dit is wat Ben Lerner laat zien in zijn nieuwste roman The Topeka School. In de programmatische openingsscène dobbert de zeventienjarige Adam Gordon, het alter ego van Lerner, in een bootje rond op een verlaten meer. Naast hem zit zijn vriendin Amber, tot wie hij een toespraak richt. Tenminste, dat denkt hij: ‘For a long time he had been speaking. When he turned to see what effect his speech had had, she was gone, jeans and sweater in a little pile with the pipe and lighter.’ Wanneer je het woord richt tot iemand die er opeens niet blijkt te zijn, kun je voelen hoe je uitspraak onder die absentie bezwijkt. Zulke ineenstortingen, zulke ondermijningen van de principes van aanwezigheid, onmiddellijkheid en verantwoordelijkheid, vormen de rode draad van dit boek.

Ben Lerner, Leerjaren in Topeka (vert. Arthur Wevers) (Atlas Contact 2019), 376 blz.

De spreker als medium
‘We need you to start at the beginning,’ zo luidt de muzenaanroep in de proloog. The Topeka School is een genealogie van taal, en wel in twee opzichten. Aan de ene kant onderzoekt Lerner, door te schrijven over een licht gefictionaliseerde versie van zijn eigen jeugdjaren, welke invloeden zijn stem (als schrijver en als dichter, maar ook als burger en als vader) hebben gevormd. Het zijn de jaren negentig en Adam groeit op in Topeka, een middelgrote stad in Kansas. Taal speelt een belangrijke rol in zijn leven: zijn beide ouders zijn psychoanalytici, met zijn vrienden houdt hij rap battles en op school blinkt hij uit in debatteren. Via bespiegelingen over de debatwereld probeert Lerner behalve een persoonlijke ook een uitdrukkelijk politieke genealogie te voltrekken – ‘a prehistory of the regression to fascist unreason in the present’, zoals hij in een interview zegt. Hoe heeft het politieke discours anno 2019 kunnen worden wat het is? Waarom doen politieke leiders geen enkele moeite om hun beloften na te komen, spreken ze zichzelf zonder blikken of blozen tegen en lijken ze in het algemeen niet aansprakelijk te kunnen worden gehouden voor wat ze uitkramen? De debatcultuur waarbinnen Adam zijn stem oefent profileert zich als een broedplaats voor de volgende generatie politici, en Lerner laat zien dat het spreken dat hier gekweekt wordt regelrecht ingaat tegen de aanwezigheidsprincipes van de Phaedrus. Een techniek die centraal staat is ‘the spread’, waarbij de spreker in onverstaanbaar tempo zoveel mogelijk argumenten oprakelt, zodat de tegenstander geen tijd zal hebben om op alle punten in te gaan – ‘the rule among serious debaters being that a “dropped argument,” no matter its quality, its content, is conceded’. Deze sprekers worden getraind in onaansprakelijkheid, en hun spreken ontaardt daarbij in nonsens.


Naast het debat is er nog een andere vorm van verbaal gevecht waarin Adam excelleert: freestyle rappen. De tienerjongens in Topeka verplaatsen zich in bendes en imiteren de kledingstijlen, handgebaren en taalspelen van gangsters uit Chicago en Los Angeles – maar het is duidelijk dat deze praktijken nergens meer op slaan wanneer gebezigd door een stel rijke, witte jochies uit Kansas. Deze ongerijmdheid lijkt echter ook iets positiefs te bevatten. Losgekoppeld van zijn uitspraken wordt de niet-aanwezige spreker zelf een medium, en Adam ervaart het freestylen ‘less like he was delivering a speech and more like a speech was delivering him’. Er ontstaat een ruimte voor poëtische mogelijkheid: ‘his speech [was] stretched by speed and intensity until he felt its referential meaning dissolve into pure form (…) he would catch a glimpse, however fleeting, of grammar as pure possibility.’ De ineenstorting van taal herbergt ook de mogelijkheid om haar weer van de grond af op te bouwen. 

 

Indirecte verantwoordelijkheid
Om een beeld te krijgen van de manier waarop zo’n nieuwe taal eruit zou kunnen zien, moeten we kijken naar de manier waarop Lerner zich als schrijver uitdrukt. The Topeka School is de derde in een serie van autofictieve romans waarin de relatie tussen de schrijver en het geschrevene steeds een prominent thema is. In dit boek lezen we niet zomaar over Lerners jeugd, maar over de manier waarop Lerner terugblikt op zijn jeugd: het perspectief uit 2019 is altijd op de achtergrond van het narratief aanwezig. Feit en fictie worden op speelse manier vermengd (Lerner draagt het boek op aan zijn broer, en hoewel Adam enig kind is komen er verschillende personages voor met broers en zussen ‘who would prefer to be left out of a novel’) en distincties tussen personages, vertellers en schrijvers worden met opzet ondermijnd. De indirectheid die hiermee wordt bewerkstelligd heeft echter niets te maken met de postmoderne ironie die we geneigd zijn met afstand te associëren – indirectheid staat hier juist in dienst van het nemen van verantwoordelijkheid, een subtiel soort verantwoordelijkheid die misschien meer effect heeft dan als Lerner memoires van een onomwondener soort had geschreven. 


Dit laat zich illustreren met een voorbeeld. In een interview zegt Lerner dat hij zich genoodzaakt zag om te schrijven ‘in a way that basically avoided the representation of a lot of adolescent speech, because I couldn’t really show all the obscenities – racial, sexual, etc. – that would exist in that environment’. Hoezo zou hij dat niet gekund hebben? Lerners opmerking is onbegrijpelijk wanneer we vasthouden aan Barthes’ idee dat schrijven een kwestie van pure afstand is. Een van de opmerkelijke karakteristieken van slurs is dat ze hun offensieve kracht niet verliezen als je er aanhalingstekens omheen zet; het blijft er toe doen wie de spreker of schrijver van deze woorden is. En Lerner de schrijver, wit en woke in 2019, kiest ervoor om de taal die hij als tiener misbruikte, de ‘n-words’ en de ‘b-words’, niet te herhalen – zelfs niet met de afstand van een schrijver, zelfs niet in citatie. Juist door een indirectere manier van vertellen te kiezen neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn taal en voor zijn verleden.


Wat voor taal bouwen we op wanneer de oude taal onder afwezigheid bezweken is? Lerner lijkt te pleiten voor een taal waarbij zowel sprekers als schrijvers achter hun uitingen staan – maar de verantwoordelijkheid die hierbij komt kijken kan geen kwestie zijn van naïeve directheid. Pure authenticiteit is een mythe, want taal bestaat altijd uit citaties, patronen en herhalingen. Wat we wel kunnen doen, en wat Lerner in dit boek zelf probeert te doen, is ons afvragen welke dingen we wel en niet willen herhalen en kritisch reflecteren op de stemmen die in onze eigen stem doorklinken.