Identiteitspolitiek, ‘c’est un peu l’affaire Dreyfus’
🖋 Marjolijn Voogel


Dat identiteit ons momenteel bezighoudt is een understatement. Maar of dat ook altijd tot een begrip van identiteit leidt – Nathalie Heinich betwijfelt het. Marjolijn Voogel sprak met de Franse wetenschapper, die ons al te beladen identiteitsbegrip met sociologisch instrumentarium fileert.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#2

Nooit algemene vragen stellen. Jamais!’ Nathalie Heinich leer haar promovendi hoe belangrijk het is om tijdens interviews de juiste vragen stellen. Met die ‘questions spatio-temporelles’, vragen naar specifieke plaatsen of momenten, krijg je de meest interessante antwoorden, legt ze uit: zo laat je respondenten namelijk reflecteren op hun handelen. Dus, in plaats van ‘Wat doet u voor werk?’ vroeg Heinich aan de schrijvers die zij interviewde voor een van haar boeken: ‘Als u wordt gevraagd wat u voor werk doet, wat zegt u dan?’ Het antwoord dat ze zelf op deze vraag geeft is te verwachten: dat hangt af van de context waarin de vraag wordt gesteld. Meestal stelt Heinich zich voor als onderzoeker, soms ook als docent. ‘Een meer administratief antwoord is: ik ben hoofd onderzoek bij het Centre National de Recherche Scientifique. Dan verheugt het me altijd om directeur te zeggen, in plaats van directrice.’

Nathalie Heinich, Wat onze identiteit niet is (vert. Carolien Steenbergen) (Prometheus 2019), 142 blz.
Nathalie Heinich, Wat onze identiteit niet is (vert. Carolien Steenbergen) (Prometheus 2019), 142 blz.

Door zich directeur te noemen, betoont Heinich zich medestander van wat zij het ‘universele feminisme’ noemt. Ze is wars van feministen die eigen, vrouwelijke functiebenamingen opeisen, zoals ‘professeure’ in plaats van ‘professeur’. Het debat over functiebenamingen steekt eens in de zoveel tijd weer de kop op, niet alleen in Frankrijk. Heinich:

Met aparte functieaanduidingen voor vrouwen benadrukken de aanhangers van dit type feminisme juist de verschillen tussen mannen en vrouwen. Maar in de strijd om gelijkheid is het beter om uit te gaan van dezelfde functieaanduidingen. Bovendien kent dit type feminist de geschiedenis van het feminisme niet, dat in de jaren tachtig – in ieder geval in Frankrijk – de vorm had van het universeel feminisme. De nieuwe huidige feministische stroming, waarin juist verschillen de nadruk krijgen, is overgewaaid uit de Verenigde Staten, vanuit de meer communitaristische traditie aldaar.

Met dit antwoord op mijn eerste vraag presenteert Heinich in grote lijnen haar agenda. We spreken elkaar in de kleine, maar prettige ontvangstruimte in het souterrain van het Ambassade Hotel te Amsterdam, waar Heinich de afgelopen dagen verbleef. Over een uur zal ze weer naar haar woonplaats Parijs vertrekken. Ze was in Nederland naar aanleiding van de verschijning van de vertaling van haar essay Ce que n’est pas l’identité en trad op als keynote bij de Nacht van de Sociologie. Die werd dit jaar voor het eerst georganiseerd in Rotterdam, als tegenhanger van de Nacht van de Filosofie. ‘Ja, een groot succes,’ vertelt Heinich, ‘wel meer dan zevenhonderd deelnemers.’

Men vergeet echter vaak dat de politieke toepassing van de identiteitskwestie haar oorsprong juist in links-progressieve hoek vindt.
In de context van dit interview over haar laatste werk stelt Heinich zich voor als socioloog. Ze is erg blij met de publicatie van haar essay in het Nederlands, de eerste vertaling van dit werk, dat verscheen onder de titel Wat onze identiteit niet is en werd bezorgd door Carolien Steenbergen. Alleen de titel, die had ze graag anders vertaald gezien. ‘Onze’ heeft een te sterke associatie met een bepaald soort identiteit, de nationale, en geeft niet de neutrale, meer afstandelijke notie weer waaraan Heinich juist hecht. Zij wil namelijk af van het misbruik van het begrip identiteit, dat de afgelopen decennia te pas en te onpas opduikt en verschillende, veelal tegenstrijdige connotaties heeft gekregen. ‘Identiteit is een term die afkomstig is uit de psychologie,’ vertelt ze, ‘maar de afgelopen jaren is het begrip volledig gekaapt door de politiek – aanvankelijk ter rechterzijde, maar de afgelopen twee à drie jaar ook door links. We moeten het gebruik ervan echter niet reduceren tot een politiek wapen.’ Met haar essay wil ze de term ‘in ere herstellen, zodat we weer bevatten waarnaar hij verwijst’, en daarmee de notie verhelderen.

Opinion en savoir

Nathalie Heinich. Foto: Thomas Kessens.

Heinichs methode: het begrip fileren, met sociologisch instrumentarium. Want dat instrumentarium kan degenen die het hanteren behoeden voor waardeoordelen. Niet dat Heinich zich niet uitspreekt. Integendeel, ze sluit aan bij een Franse intellectuele traditie van engagement door publiekelijk regelmatig van zich te laten horen. Wel heeft ze daarin een eigen aanpak:

Ik word vaak gezien als een militante socioloog, maar dat is onterecht. Want er is een duidelijk onderscheid tussen mijn wetenschappelijk werk, dat nadrukkelijk geen morele of politieke waardeoordelen bevat, en de momenten waarop ik mij in het publieke debat begeef. Militant ben ik slechts vanuit mijn rol als wetenschapper en docent in de mening dat mijn collega’s en ik ons vanuit die functies niet mogen manifesteren als aanhangers van deze of gene politieke stroming. De overheid betaalt mij niet om mijn mening te geven, maar om kennis te produceren.

Het zit haar duidelijk hoog dat de buitenwereld het verschil tussen opinion en savoir niet altijd weet te maken, vooral als het vakgenoten betreft. Die zouden immers bij uitstek het weberiaanse onderscheid kunnen maken tussen Werturteil en Wertbeziehung: het uiten van een waardeoordeel en de analyse van de waardeoordelen van anderen. Het is voor haar een belangrijk onderscheid, waarmee ze zich distantieert van de kritische sociologie van Pierre Bourdieu, haar promotor. Waar Bourdieu fenomenen trachtte te ontmaskeren, schrijft ze in Pourquoi Bourdieu (2007), wil zij die uitleggen via een interpretatieve sociologie.

Wat identiteit niet is

Ontrafelen wil ze dus, die beladen notie identiteit, en dat doet Heinich – zoals de titel al verklapt – door te laten zien wat identiteit nu juist niet is. Zoals bijvoorbeeld een term van rechts. In Frankrijk won identiteit aan kracht in het politieke discours onder president Nicolas Sarkozy (tussen 2007 en 2012), die ‘nationale identiteit’ tot een prominent thema van zijn verkiezingscampagne maakte. Zo creëerde hij een ‘ministerie van nationale identiteit’, dat in 2009 een debat organiseerde over de Franse identiteit om ‘onze nationaliteit en onze trots te herwaarderen en burgers te verbinden aan de fundamentele, republikeinse waarden’. In Nederland was er rond die tijd geen soortgelijke regie vanuit de overheid, maar ontstonden er wel degelijk maatschappelijke discussies over de Nederlandse identiteit. Al in 2000, naar aanleiding van Paul Scheffers essay ‘Het multiculturele drama’ en later, in 2007, toen prinses Máxima aangaf dat zij ‘de Nederlandse identiteit nog niet had gevonden’ en er opnieuw grote gevoeligheid bleek te bestaan rond dat begrip.

Militant ben ik slechts vanuit mijn rol als wetenschapper en docent in de mening dat mijn collega’s en ik ons vanuit die functies niet mogen manifesteren als aanhangers van deze of gene politieke stroming.
De jaren daarop waren er in verschillende landen in Europa en in de Verenigde Staten steeds vaker partijen ter rechterzijde van het politieke spectrum die de notie ‘identiteit’ kaapten en haar koppelden aan de beheersing van migratiestromen. Door die koppeling aan de verdediging van ‘de’ nationale identiteit, kreeg de term een rechts-conservatieve connotatie. Volgens Heinich vergeet men echter vaak dat de politieke toepassing van de identiteitskwestie haar oorsprong juist in links-progressieve hoek heeft, in de Verenigde Staten van de jaren tachtig. ‘Identiteit’ speelde daar toen een rol bij protestbewegingen van etnische en seksuele minderheden. In Frankrijk richtten cineasten en kritische intellectuelen in 1981 een ‘Comité voor nationale identiteit’ op, waarmee ze zich verzetten tegen de ‘culturele kolonisatie van Frankrijk door de Amerikaanse filmwereld en het Amerikaanse lied’, een kwestie die de socialistische partij in de jaren zeventig had geagendeerd.

Heinich heeft meer voorbeelden van waardeverschuivingen van politieke begrippen. Zo waren in het verleden ‘vaderland’ en ‘natie’ revolutionaire, linkse noties, maar in de loop der tijd werden ze vaker onderdeel van een rechts discours. Tegenwoordig vindt zoiets plaats met het (mede daardoor) ingewikkelde en specifiek Franse begrip ‘laïcité’ – aanvankelijk een linkse term die de afgelopen jaren vooral door rechts wordt omarmd. Laïcité verwijst naar de typisch Franse situatie waarin kerk en staat zijn gescheiden en religie strikt een privéaangelegenheid is. In het publieke leven – in overheidsgebouwen en tijdens overheidsdiensten – moet elke verwijzing naar religie achterwege blijven. Regelmatig leidt dat in Frankrijk tot politieke relletjes, zoals bijvoorbeeld afgelopen herfst, toen een hulpmoeder tijdens een schoolbezoek aan een raadsvergadering door een lid van het Rassemblement National werd aangesproken op haar hoofddoek.

De waarde van waarden

De Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama constateert in zijn werk Identity eveneens dat het identiteitsbegrip door zowel rechts als links wordt geclaimd, maar volgens hem zijn het verschillende manifestaties van één gemeenschappelijk fenomeen: identiteitspolitiek en de behoefte aan erkenning. Thymos, noemt Fukuyama dat, naar Plato, die in De staat drie onderdelen van de ziel onderscheidt: verlangen, rede en thymos, de behoefte aan respect. Nu is identiteitspolitiek volgens Fukuyama een natuurlijk en onvermijdelijk antwoord op onrechtvaardigheid. Maar het wordt problematisch wanneer de isothymos, de wens om als gelijke te worden gerespecteerd, doorslaat naar megalothymos, de wens om als superieur te worden gerespecteerd. Als dit gebeurt, valt de liberale samenleving uiteen in verschillende groepen, opgedeeld door onoverbrugbare scheidslijnen. En die ontwikkeling, meent Fukuyama, vormt momenteel de grootste bedreiging van de moderne liberale democratie.

Een fundamentele eigenschap van identiteit is dat ze zich pas manifesteert als ze problematisch is.
Fukuyama’s betoog kent nogal eenzijdige verklaringen: hij gooit zeer uiteenlopende, niet alleen psychologische en politieke, maar ook sociaaleconomische en technologische conflicten op één grote hoop van miskenning. Heinichs analyse wijkt daar sterk vanaf. Voor haar is een begrip van de waarden die aan (kunst)objecten of terminologie (zoals ‘identiteit’) worden toegekend pas mogelijk als er inzicht is in de achtergrond en middelen van degenen die die waarden toekennen. Daarnaast moeten de eigenschappen van datgene wat wordt beoordeeld bekend zijn. Ten slotte moet er kennis zijn van de specifieke situatie waarin er wordt beoordeeld, die vaak bepaalde regels en normen kent. Begrip kortom, van sujet, objet en context, door Heinich reeds beschreven in haar eerdere prijswinnende werk Des valeurs uit 2017, waarvan helaas nog steeds geen Engelse, laat staan een Nederlandse vertaling is verschenen.



Lees ook hoe Marjolijn Voogel de zin en onzin van identiteitspolitiek ontleedt aan de hand van drie recent verschenen titels, en hoopt zo een manier te vinden om met de verdere polarisering tussen identiteiten om te leren gaan.
(Uit dNBg 2019#1)


In huidige politieke debatten verwijst het woord identiteit veelal naar de nationale identiteit, die in Heinichs werk een bescheiden plaats inneemt. Als ik de geringe aandacht voor de opkomst en verbreiding van nationalistisch populisme in Europa benoem, zegt ze: ‘Ik heb heel bewust slechts één hoofdstuk gewijd aan de nationale identiteit. Ik wil juist de problematiek rond identiteit verbreden, en niet alleen naar de politieke aspecten kijken. Heinich onderscheidt twee typen identiteit, die samenkomen in de nationale. Nationale identiteit kan namelijk slaan op de aard van het collectief, de natiestaat, en is tegelijkertijd een manier waarop individuen zichzelf definiëren. Of het nu gaat om een collectieve of individuele identiteit, nationaliteit is slechts één van de vele factoren die bepalen wie iemand is: ze is slechts één aspect van ‘het totale identitaire samenspel’. Identiteit is volgens Heinich dus nooit eendimensionaal, maar steunt op veel facetten, zoals bijvoorbeeld taal of gender. Om die volledig te kunnen beschrijven, moeten we niet alleen kijken naar de aard van de verschillende identiteitsparameters, maar tevens naar de omvang van de groep waarmee men zich identificeert, en hoe sterk een aspect van identiteit beleefd en/of zelfs belichaamd wordt. Nationale identiteit kan namelijk wel een bijzonder krachtig fundament van de individuele persoonlijkheid vormen. Want, zo haalt Heinich de socioloog Norbert Elias aan: ‘een verandering van nationale identiteit is nauwelijks gemakkelijker dan een verandering van persoonlijkheid, en de kans van slagen nauwelijks groter. Er komt meer bij kijken dan een verandering van paspoort.’

Als de wens om als gelijke te worden gerespecteerd, de isothymos, doorslaat naar de wens om als superieur te worden gerespecteerd, de megalothymos, dan valt de liberale samenleving uiteen in verschillende groepen, opgedeeld door onoverbrugbare scheidslijnen.
Heftige debatten over nationale identiteit gaan ook over de vraag wat identiteit nu precies is. Betreffen identiteitskwesties nu een objectief, tijdloos gegeven of een historische constructie die als een illusie wordt gepresenteerd? Noch het een, noch het ander, denkt Heinich. Ze wijst de eerste, essentialistische visie – vaak onderdeel van het rechtse discours – radicaal af. Identiteit is geen onveranderlijke toestand, maar ontwikkelt zich: het is een proces, ‘een fenomeen in progress’. Maar evenmin deelt ze de andere zienswijze die bijvoorbeeld filosoof Kwame Anthony Appiah aanhangt in zijn The Lies that Bind. Hij richt zich daarin vooral op het aantonen van historische onwaarheden, door hem gepresenteerd als mythen die hij wil doorprikken. Nationale identiteit, aldus Heinich, mag dan een variabele historische constructie zijn, maar daarmee is zij nog geen pure illusie zonder enige consistentie. Nationale identiteit is een mentale en gemeenschappelijke voorstelling die breed wordt gedeeld. Zij is een idee en ideaal ineen, en geeft richting aan ons denken, handelen en onze gehechtheid. Dat dit idee verandert en niet door iedereen in gelijke mate wordt gedeeld, maakt het nog niet minder gestructureerd; gegrondvest op objectieve kenmerken die je kunt beschrijven, zoals taal of een collectief geheugen. Volgens Heinich leidt de ‘miskenning van voorstellingen (…) tot een intellectuele ravage. Die miskenning steunt op een binair wereldbeeld waarin of naakte feiten of illusies bestaan.’

Sociologie moet zich volgens Heinich niet alleen bezighouden met de reële wereld, maar ook met twee andere belangrijke dimensies: het denkbeeldige dat onze voorstellingen en ficties stuurt, en het symbolische dat onze betekenissen en interpretaties vormgeeft. Hiermee zijn we dicht in de buurt van Heinichs ternaire model van identiteit. Dat model heeft drie niveaus: ‘het reële, dat van de situatie waarin we ons bevinden; het niveau van het denkbeeldige, dat van de rol die we op ons nemen; en het niveau van het symbolische, dat van de plek die we innemen’. Toeschrijving, zelfperceptie en presentatie, het zijn de drie ‘momenten’ van identiteit. Men zegt over ons, we voelen ons en we vertellen over onszelf, wat in het Frans natuurlijk veel mooier klinkt: être dit, se sentir en se dire.

Nieuwe polarisatie

Een fundamentele eigenschap van identiteit is dat ze zich pas manifesteert als ze problematisch is. Dat geldt voor zowel de individuele als de collectieve identiteit. Ik spreek Heinich een paar weken na de gewelddadige onderbreking van een overleg van Kick Out Zwarte Piet. Hoe kijkt zij aan tegen de inmiddels bijna traditionele verstoring van het Sinterklaasfeest in ons land? ‘Het gaat hier niet om een typisch Nederlandse crisis, maar om een kristallisatie van een algemeen probleem dat speelt in verschillende Europese landen, waar men zich geconfronteerd ziet met de komst van groepen mensen met andere achtergronden en gewoonten.’ Vaak wordt die crisis als één van rechts en conservatieven geduid, en in het geval van de verstoring van de vergadering van Kick Out Zwarte Piet kwam het geweld duidelijk uit de behoudende hoek. ‘Maar ook ter linkerzijde vindt veel symbolisch geweld plaats’, aldus Heinich.

Uit naam van de vrije gedachte en het vrije geweten vindt door links-radicale facties soms een soort van chantage plaats: als jullie het niet met ons eens zijn, dan zijn jullie racisten of seksisten. De strijd om gelijkheid en vrijheid, en de verdediging van minderheden kan dan tot een inperking van deze waarden leiden, ten gunste van het respect voor de manier van leven en de cultuur van nieuwkomers.

Heinich vertelt dat in Parijs, tijdens een toneelfestival op de Sorbonne in maart dit jaar, de opvoering van het toneelstuk De smekelingen van Aeschylus moest worden geannuleerd, nadat militante antiracisten de toegang tot de faculteit hadden geblokkeerd. Ze protesteerden tegen het gebruik van donkere make-up en maskers. Heinich: ‘Onderdeel van het probleem is dat mensen het onderscheid tussen het ritueel, het spel en de realiteit niet meer zien. In extremo hebben we dat natuurlijk ondervonden met de moord op de redactie en illustratoren van Charlie Hebdo.’

Een republikeinse visie, die communitaristische bindingen negeert, is effectiever in de strijd tegen discriminatie, dan om op te eisen tot de een of andere groepering te behoren.
Heinich komt met andere Franse voorbeelden, zoals het besluit van de universiteit Bordeaux Montaigne om de komst van Sylviane Agacinski te annuleren, nadat militante studenten hadden aangekondigd om alles in het werk te stellen haar gastcollege te boycotten. De Franse filosofe zou de rechten van de LHBTQIA-personen aantasten: Agacinski is tegen kunstmatige voortplanting bij alleenstaande vrouwen of lesbische stellen. En in Lyon moest François Hollande recentelijk zijn bezoek aan de rechtenfaculteit annuleren, dat was geprogrammeerd ter ere van zijn nieuwe boek. Op de universiteit werden zijn boeken door boze studenten verscheurd en verbrand. De woede tegen de voormalige president was ontstaan naar aanleiding van de zelfverbranding van een student die de eindjes niet meer aan elkaar wist te knopen. Heinich:

Dat zijn totalitaire tendensen! Bij velen leidt die chantage van links tot grote angst om gestigmatiseerd te worden als racist. Wanneer je als islamofoob of homofoob wordt beschouwd, word je het recht ontnomen om het woord te nemen. Het echte probleem zit ‘m niet in de strijd tussen rechts en links, maar is een strijd binnen links. Het heeft soms wel iets van de affaire Dreyfus…!

Men denkt vaak dat identiteitscrises ontstaan door problemen van inferioriteit, maar dat is vaak juist andersom.
Dit gerechtelijk schandaal in 1900 hield de politiek in Frankrijk lang in de ban en leidde tot een verscherpte tegenstelling tussen links en rechts. Heinich ziet nu een nieuwe politieke kloof ontstaan, binnen de linkse gelederen. De Nederlandse overheid reageert op de toenemende polarisatie door duidelijker richting te geven aan het burgerschapsonderwijs. In plaats van burgerschap en sociale integratie moeten scholen nu ‘actief burgerschap en sociale cohesie’ bevorderen, aldus het nieuwe wetsvoorstel dat minister Arie Slob eind november naar de Kamer stuurde. Hoe zou Heinich de beleidsmakers die vorm
moeten geven aan dit onderwijs adviseren?

De precieze Nederlandse context ken ik niet, maar ik kan wel wat over Frankrijk vertellen, waar dit ook speelt. Ik ben van mening dat het heel belangrijk is om de geschiedenis van het land te kennen. Verder vind ik dat op de middelbare school het onderwijs van rechten een plaats dient te krijgen. Ook heel concreet: waarom wordt bijvoorbeeld verkrachting bestraft? En op welke wijze gebeurt dat in onze rechtsstaat? Leerlingen weten dat niet. In de Franse debatten rond #MeToo zie je dat mensen rechtspreken via social media. In zo’n context is blijven vasthouden aan de wet fundamenteel. Alleen het justitieel apparaat kan het recht op verdediging garanderen. Dat apparaat negeren betekent luisteren naar de stem die het hardste schreeuwt. Verder vind ik ook de aandacht voor waarden heel belangrijk in het onderwijs, en de wijze waarop die zijn gevormd. Hoe vond bijvoorbeeld de strijd om meer rechten voor vrouwen plaats? Wat is de geschiedenis van de slavernij en de afschaffing ervan? Daarbij moeten leerlingen op een sociologische manier leren contextualiseren. De discussie over de versterkte gebedsoproep in Amsterdam bijvoorbeeld, en de vraag of de gebedsoproep van dezelfde orde is als klokgelui, moet in zijn context worden beschouwd, met inachtneming van de in Nederland gebruikelijke tradities. Mijn positie in dit debat zou zijn: we zijn in een land waar het klokgelui vooralsnog deel uitmaakt van het vertrouwde, deels op christelijke waarden gebaseerde landschap. Dat geldt niet voor de gebedsoproep. Belangrijk daarbij is ook om te weten wie wat eist. Het is namelijk niet zo dat alle islamieten erom vragen, vaak gaat het om militante, salafistisch georiënteerde gelovigen die dergelijke eisen hebben, voor wie religieuze wetten boven het burgerlijk recht staan.

Wat dat betreft zou Nederland nog wel wat kunnen leren van het republikeinse Frankrijk, vindt Heinich.

Natuurlijk, in Frankrijk gaat het echt niet beter dan elders en de problemen rond discriminatie zijn er zeer reëel. Maar die problemen bevinden zich op het niveau van de feiten, terwijl een republikeinse of een multiculturele visie op de zaken zich op het niveau van waarden bevindt. En het is altijd belangrijk om waarden te hebben waarmee tegen problemen kan worden gestreden. In mijn optiek is een republikeinse visie, die communitaristische bindingen negeert, effectiever in de strijd tegen discriminatie, dan om op te eisen tot de een of andere groepering te behoren. Want dat leidt tot machtsverhoudingen die, als alles goed gaat, in evenwicht zijn, maar als dat niet zo is, tot burgeroorlog kunnen leiden. Een voorbeeld is Libanon, het meest communitaristische land ter wereld, waar de meeste burgeroorlogen hebben plaatsgevonden. Dat is niet toevallig. Volgens mij is het belangrijker om de nadruk te leggen op dat wat verenigt dan op de verschillen die er bestaan. Je moet vermijden om rechten van burgers te bouwen op het lidmaatschap van collectieven. Het is belangrijk om oog te blijven hebben voor wat mensen bindt.

Crisis en binding

Identiteit en waarden vormen de rode draad in Heinichs sociologische oeuvre, dat vaak betrekking heeft op de functie van hedendaagse kunst. Eerder werkte ze samen met socioloog Michael Pollak, bij zijn onderzoek naar identiteitscrises in concentratiekampen. Ook schreef ze over identiteitscrises bij schrijvers en over de gevolgen van veranderingen in de burgerlijke staat bij vrouwen. ‘Vaak denkt men dat identiteitscrises ontstaan door problemen van inferioriteit, maar vaak is het juist andersom en komen problemen voort uit het feit dat mensen stijgen op de sociale ladder.’ Ook dan ontstaat er namelijk een kloof tussen zelfperceptie en presentatie. Het type sociologie dat Heinich beoefent, beschrijft ze zelf als ‘constructivistisch in plaats van essentialistisch; pluralistisch in plaats van reductionistisch; en pragmatisch, dat wil zeggen: gericht op handelingen in een reële situatie.’ Verder is het interactionistisch en interpretatief, via het weberiaanse Verstehen.’

Heinichs onderzoeksagenda komt ook voort uit haar persoonlijke ervaringen. Als dochter van een joodse vader en een Franse moeder kreeg ze al vroeg te maken met haar eerste identiteitsvraagstuk: was ze nu joods of Frans? In de familie van haar moeder werd ze als joodse gezien, maar in de familie van haar vader als goj, aangezien voor velen de afstamming van de vrouwelijke lijn bepalend is. Niet vreemd dus, haar zoektocht naar de vereniging van twee diametraal tegenover elkaar staande betekenissen in eenzelfde identiteitsbegrip: differentiatie en assimilatie. Heinich: ‘Sociologie maakt het mogelijk om die twee verschillende polen van identiteit met elkaar te verenigen. Identiteit is tegelijkertijd dat wat een individu van anderen onderscheidt en dat wat hem of haar aan anderen gelijkstelt. En daartussen bestaat een continue wisselwerking.’