Advertentie
advertentie UPL online

Verwantschap weven: de draagmoeder als utopie

Is de nieuwe Donna Haraway opgestaan? Lies Wesseling bespreekt het utopisch denken van Sophie Lewis, waarin de draagmoeder het symbool is van een zorgzame samenleving voorbij seksisme, racisme, klassisme en de uitsluiting van transpersonen. Jammer genoeg is de totalitaire verleiding nabij.

Besproken boeken

In de jaren zeventig gingen het Nederlandse feminisme en socialisme allianties met elkaar aan in een bonte verzameling van studie- en actiegroepen die werden gecoördineerd door het landelijke platform Fem-Soc (1975-1979). Het platform was weliswaar geen lang leven beschoren, maar het feministisch-socialistische gedachtegoed werd na opheffing nog tot in de jaren tachtig uitgedragen in tijdschriften zoals Katijf (1976-1989) en Socialisties-Feministiese teksten (1978-1989). In lijn met marxistische uitgangspunten stelde de Fem-Soc dat vrouwenonderdrukking is verankerd in sociaaleconomische structuren. Het kapitalistisch bestel weet zorgarbeid niet op waarde te schatten en sluit vrouwen op in het instituut van het burgerlijk kerngezin. Dit verspert hun de toegang tot de arbeidsmarkt, zodat ze volledig afhankelijk worden gemaakt van hun echtgenoten.

Het huwelijk is geïnstitutionaliseerde prostitutie, zo luidde één van de leuzen van de tweede feministische golf.

Het huwelijk is geïnstitutionaliseerde prostitutie, zo luidde één van de leuzen van de tweede feministische golf. Huwelijk en gezin zouden daarom moeten worden afgeschaft: dat zou vrouwen in staat stellen hun maatschappelijke positie en daarmee hun (financiële) onafhankelijkheid te verbeteren. Gesubsidieerde kinderopvang buitenshuis zou daarbij onontbeerlijk zijn. Voor de Fem-Soc was vrouwenonderdrukking een kwestie van zowel gender als klasse, en daarom richtte het haar blik niet alleen op de carrières van witte, westerse middenklassevrouwen, maar ook op minderbedeelde vrouwen in Nederland en elders. Vanaf de jaren negentig viel deze beweging enigszins stil, ondanks het feit dat haar boegbeeld Anja Meulenbelt onvermoeibaar bleef publiceren – onder meer over migrantenvrouwen in Nederland, islamitisch feminisme en Palestijnse vrouwen in Gaza. (1)

In Feminism Against Family: Full Surrogacy Now probeert de Britse publiciste Sophie Lewis het vuur van de feministisch-socialistische gemeenschappelijkheid weer aan te wakkeren. Geïnspireerd door Donna Haraway, die in 1985 met haar ‘A Cyborg Manifesto’ (2) het socialistisch feminisme een nieuwe impuls gaf in de Engelstalige wereld, heropent Lewis de frontale aanval op het kerngezin als hoeksteen van de kapitalistische samenleving. In haar manifest constateert Haraway dat de laattwintigste-eeuwse wetenschap en techniek de opposities tussen natuur en cultuur, mens en dier, alsmede mens en machine goeddeels hebben uitgewist. Haraway pleit voor bewustwording van de groeiende verbondenheid tussen mensen en niet-mensen, waarbij de ene pool van deze verjaarde opposities niet langer wordt gebruikt als hulpbron van de andere.

Net zoals Haraway verzet Lewis zich tegen naturalistisch-essentialistische benaderingen van identiteit, met name tegen de associatie van vrouwen met natuur en voortplanting.

Net als Haraway verzet Lewis zich tegen naturalistisch-essentialistische benaderingen van identiteit, met name tegen de associatie van vrouwen met natuur en voortplanting. Waar Haraway het ‘cybernetic organism’ – een naadloos geheel van mechanische en organische onderdelen – op de voorgrond plaatst als metafoor voor de nieuwe wereldburger in een ‘world beyond gender’, verheft Lewis de ‘surrogate’ tot symbool van een nieuwe maatschappelijke orde. Evenals de iconische cyborg roept de term ‘surrogate’ associaties op met een hightech wereld, en in tegenstelling tot het Nederlandse ‘draagmoeder’ is deze notie genderneutraal. Sterker nog, ze hoeft niet eens per definitie naar mensen te verwijzen. Een surrogate kan bijvoorbeeld ook een chemische substantie zijn.

Lewis’ uitverkiezing van de surrogate als zinnebeeld van een nieuwe wereld doet in eerste instantie contra-intuïtief aan, overigens net zoals de cyborg destijds. Als er iets aan kapitalistische uitbuiting onderhevig is, dan zijn het wel voortplantingsindustrieën zoals de ‘babyfarms’ in India. Lewis is zelf de eerste om dit toe te geven: ze besteedt meer dan de helft van haar boek aan een uitvoerige ontleding van de uitbuitende aspecten van het draagmoederschap. Hierdoor komt haar uiteenzetting over het bevrijdende potentieel van deze reproductievorm enigszins in het gedrang. Haar redenering lijkt hier op neer te komen: de veelvuldig bekritiseerde commercialisering van het draagmoederschap is op zich het probleem niet. Deze is zelfs verhelderend in zoverre ze ons eraan herinnert dat zwangerschap en bevallen ook werk is – ‘gestational labor’ uitgevoerd door ‘gestational workers’ in Lewis’ vocabulaire –, net zoals alle andere vormen van zwaar ondergewaardeerde zorgarbeid. Hiermee continueert Lewis de aloude strijd van de Fem-Soc voor erkenning van reproductief werk, dat net zo goed betaling verdient als andere soorten arbeid.

Utopisch draagmoederschap

Volgens Lewis is het probleem dus niet dat er voor draagmoederschap wordt betaald, maar wel dat reproductiewerkers zijn vervreemd van de producten van hun eigen arbeid. Ze hebben immers geen zeggenschap over de kinderen die door hun fysieke arbeidskracht op de wereld zijn gezet. In dit opzicht lijken draagmoeders op het westerse industriële proletariaat van weleer, dat geen beschikking had over de productiemiddelen en dus evenmin over de producten die zij vervaardigden. De uitweg uit deze situatie van ongelijkheid en uitbuiting is volgens Lewis ‘surrogates up front’, wat betekent: volledige zelfbeschikking van draagmoeders, optimale arbeidsomstandigheden voor alle reproductiewerkers (onder andere gratis medische zorg), gelijke distributie van de reproductie- en zorgarbeid over de verschillende genders, klassen en etniciteiten, opheffing van privékinderbezit en collectivisering van het nageslacht. Dit alles tezamen vormt volgens Lewis de koninklijke weg naar een zorgzame samenleving voorbij seksisme, racisme, klassisme en de uitsluiting van transpersonen. Hiermee zou het draagmoederschap van afwijking van de norm van het burgerlijk kerngezin veranderen in een nieuwe norm voor een utopische, toekomstige samenleving. Dat is wat Lewis verstaat onder ‘full surrogacy’, ter onderscheid van het halfbakken draagmoederschap dat momenteel binnen de kapitalistische orde wordt gepraktiseerd.


Lees ook Voorbij de grenzen van het kapitalisme, waarin Jan Overwijk het werk van Nancy Fraser bespreekt. In Capitalism: A Conversation in Critical Theory ontwikkelt Fraser een radicale systeemkritiek op basis van een hernieuwd marxisme.


Maar hoe geraken we daar? Aan deze vraag komt Lewis helaas niet toe. Na een uitvoerige kritiek op bestaande gezinsvormingspraktijken blijven slechts een magere twintig pagina’s over voor de uitwerking van haar utopie. Deze wel zeer korte verhandeling beperkt zich hoofdzakelijk tot beeldspraak en ongefundeerde generalisaties zoals de volgende:

Despite capitalism’s worldwide hegemony, many people on earth are putting something like “full surrogacy” into practice every day, cultivating non-oedipal kinship and sharing reciprocal mothering labors between many individuals and generations. In particular, trans, black, sex-working, migrant, and queer communities have historically survived thanks to their skills in this sphere.

Deze passage roept veel vragen op: naar hoeveel ‘individuals and generations’ verwijst Lewis hier precies? Hoe gaat dat ‘sharing’ feitelijk in zijn werk? Met hoeveel verzorgers kan een klein kind redelijkerwijs een band vormen en vice versa? Wie neemt niet slechts de lusten, maar ook de lasten van de kinderverzorging en opvoeding op zich? Wie staat ‘s nachts op om een huilend kind te troosten? Wie draagt de financiële verplichtingen? Wie is verantwoordelijk voor wie? In de afsluitende pagina’s moeten we het doen met metaforiek die helaas de speelsheid en brille van Haraway ontbeert. Lewis suggereert dat niet alleen zwangere vrouwen prat kunnen gaan op waterige holtes: alle mensen bestaan voor zestig procent uit water, levend op een waterige planeet, en daarom zijn we allemaal ‘gestational’. Dat moge zo zijn, maar vanuit historisch-materialistisch perspectief bezien is dit een onvoldoende uitgewerkte basis voor een maatschappelijke omwenteling.

Gemankeerd marxisme

Utopisch denken dat de mensen die ons zijn voorgegaan achteloos terzijde schuift, valt onherroepelijk ten prooi aan de totalitaire verleiding.

In een pr-video van haar uitgeverij Verso verwijt Lewis radicaal links een veronachtzaming van fundamentele kritiek op het burgerlijk kerngezin, die zo kenmerkend is geweest voor de socialistische en communistische traditie sinds de utopische visioenen van Charles Fourier (1772-1837) en Claude Henri de Saint-Simon (1760-1825). Vergeetachtigheid speelt echter ook Lewis parten. Tijdens de jaren zestig en zeventig zijn vele pogingen ondernomen om buiten de kaders van dit gewraakte instituut te treden. Communes en aanverwante leefgemeenschappen, waarin volop werd geëxperimenteerd met polyamorie en collectieve kinderverzorging en opvoeding, schoten toen als paddenstoelen uit de grond. Deze alternatieve leefvormen zijn doorgaans een stille dood gestorven. Het enige experiment dat een langere adem bleek te hebben was de crèche – maar dan in sterk veranderde, gecommercialiseerde en geprofessionaliseerde vorm.

De geschiedenis van experimentele leefvormen schittert door afwezigheid in Full Surrogacy Now en iedere vorm van empirische evidentie ontbreekt. Pogingen om het marxistisch gedachtegoed te rehabiliteren zijn wat mij betreft volkomen legitiem, maar alleen door, en niet om de geschiedenis heen. Hoe komt het dat zoveel communes en woongemeenschappen na korte tijd weer uit elkaar vielen? Welke leefgemeenschappen bleken wel succesvol op de langere termijn? Wat leren deze gevallen ons over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor duurzame, gedeelde, intergenerationele zorggemeenschappen? En waar horen we de stem van de meest kwetsbare personen in dit alles: de draagmoeders en de kinderen die in ‘poly-maternal’ en ‘family-abolitionist’ arrangementen zijn opgegroeid? Hun stemmen moeten toch tellen voor eenieder die hun recht op zelfbeschikking bepleit. Aandacht besteden aan ‘voices from below’ is sinds de introductie van oral history in de zestiger en zeventiger jaren een goede marxistische gewoonte. Helaas ontbreken ze in Lewis’ verhandeling, die noch aan de excessen, noch aan de successen van socialistische en communistische maatschappijhervormingen ook maar één woord vuil maakt.

Het pleegouderschap zou zelfs model kunnen staan voor ouderschap in het algemeen.

Ondertussen wordt het draagmoederschap op schematische wijze ingekaderd in marxistische categorieën die inmiddels grondig zijn bekritiseerd. Het monocausale perspectief van het klassieke marxisme, dat de spanning tussen de productiemiddelen en productieverhoudingen en de daarmee gepaard gaande Verelendung van het proletariaat opvat als de motor achter de geschiedenis, wordt door vrijwel niemand meer onderschreven. Desalniettemin neemt Lewis dit schema zonder enige kanttekening over. Nu is het de Verelendung van de draagmoeders van deze wereld die ons zal leiden naar de ideale gezinsloze samenleving. Utopisch denken dat de mensen die ons zijn voorgegaan achteloos terzijde schuift valt onherroepelijk ten prooi aan de totalitaire verleiding: het opleggen van een blauwdruk voor een ideale samenleving van bovenaf.

Full Surrogacy Now is niet alleen een gemankeerde marxistische verhandeling, het pleidooi is ook nodeloos omslachtig. Lewis verwacht van haar lezers dat ze hun maatschappelijke verbeelding vergaand oprekken in minstens twee krachtsinspanningen. Eerst moet je de huidige kapitalistische uitbating van het draagmoederschap wegdenken, vervolgens moet je je voorstellen hoe draagmoederschap inspiratie zou kunnen bieden voor een collectieve, radicaal-inclusieve maatschappelijke zorgpraktijk. Alleen al het feit dat er geen sekseneutrale vertaling van ‘surrogacy’ naar het Nederlands mogelijk is werpt in dezen een aanzienlijke barrière op. Het zou zoveel eenvoudiger kunnen als je een frisse wind wilt laten waaien door de eengezinswoning van het kerngezin en meer mensen wilt betrekken bij de verzorging en opvoeding van kinderen dan enkel biologische ouders.

Inclusief ouderschap

Het pleegouderschap, bijvoorbeeld, biedt een veel vanzelfsprekender inspiratiebron. Pleegouderschap is sekseneutraal. Om pleegouder te worden hoef je niet over specifieke biologische eigenschappen te beschikken, wat de focus op moederschap en de bijkomstige remmende werking op vrouwenemancipatie zou kunnen verzachten. Als erkenning van het vele werk dat met het pleegouderschap is gemoeid, ontvangen pleegouders een financiële vergoeding. Deze vergoeding is echter amper kostendekkend, zodat hier geen sprake is van commercialisering, zoals bij het huidige draagmoederschap. Pleegouders kunnen hun pleegkinderen nooit als hun privébezit opvatten, want ze zullen zich altijd moeten verhouden tot de biologische ouder(s), wat mede tot uitdrukking komt in het feit dat pleegkinderen niet de naam dragen van hun pleegouders. Pleegouders hebben soms wel, en soms niet biologische kinderen. Het gaat hier dus niet primair om de vervulling van de eigen kinderwens, zoals vaak het geval is bij hedendaagse interlandelijke adoptiepraktijken.

Full Surrogacy Now is niet alleen een gemankeerde marxistische verhandeling, het pleidooi is ook nodeloos omslachtig.

Ook homoseksuele paren kunnen pleegouders worden, evenals transpersonen. Een recente campagne voor de werving van pleegouders heet zeer toepasselijk ‘open je wereld’. Pleegkinderen hebben vaak een andere sociaaleconomische, etnische en/of religieuze achtergrond dan hun pleegouders, wat een goede scholing biedt in omgaan met verschil. Tegelijkertijd zijn ze in Nederland geboren, zodat ze niet de ontworteling ondergaan van adoptiekinderen, die doorgaans uit een ander werelddeel komen. In Nederland alleen al wachten tweeëntwintigduizend pleegkinderen op een kleinschaliger thuisplek dan de kindertehuizen waar ze nu verblijven – en iedereen is het er wel zo ongeveer over eens dat kindertehuizen verre van ideaal zijn als plek om op te groeien. Aspirant-adoptieouders moeten momenteel acht à tien jaar wachten op een adoptiekind. De wachtlijst voor adoptiekinderen laten aansluiten op de wachtlijst voor pleegkinderen zou volgens mij een effectievere stap zijn richting gedeeld, inclusief ouderschap dan de waterige metaforiek van Lewis. Het feit dat aspirant-ouders liever tien jaar op een wachtlijst staan dan een pleegkind opnemen zegt tegelijkertijd ook veel over het hardnekkige idee dat een kind per se ‘eigen’ moet zijn.

Het pleegouderschap kan dus heel goed dienen als inspiratiemodel voor meer inclusieve vormen van ouderschap, zoals overtuigend in beeld is gebracht door de documentaire Twee vaders (1998) van Ko van Reenen, over het homoseksuele koppel Aad en Ron die samen acht pleegkinderen grootbrengen. (3) Het pleegouderschap zou zelfs model kunnen staan voor ouderschap in het algemeen. Het zou biologische ouders namelijk van diverse illusies kunnen vrijwaren. Pleegouders bezitten hun kinderen niet, maar dat geldt in feite ook voor biologische ouders. Het beeld van kinderen als privébezit is een misleidende metafoor. Pleegouderzorg duurt zolang als nodig en is dus van meer of minder tijdelijke aard, maar dat geldt eveneens voor biologische ouders. Pleegkinderen zijn geen evenbeelden van hun ouders, maar de roulette van genetische verwantschap kan evengoed voor grote verschillen tussen biologische ouders en kinderen zorgen. Pleegouders worden omringd door hulptroepen van maatschappelijk werkers, logopedisten, kinderartsen en psychologen. In het gedeelde ‘comradely’ ouderschap dat Lewis bepleit is er ook ondersteuning van niet-professionele hulptroepen zoals pleeggrootouders, pleegooms en -tantes, pleegburen, enzovoorts. Van Reenens documentaire suggereert dat pleegouders zulke hulp goed zouden kunnen gebruiken. Pleegouders zijn weliswaar niet ‘gestational’ en kunnen daarom niet dienen ter verbeelding van het idee dat ‘it takes a village to make a child’, dat Lewis aanvoert. Maar Lewis droomt uiteindelijk vooral van een zorgzame samenleving, waarin liefde en aandacht voor de opgroeiende generatie niet wordt beperkt tot personen met genetische verwantschap, en dat drukt het model van pleegouderschap nu juist weer heel krachtig uit.

Waar Haraway zich onomwonden plaatste binnen het genre van het politieke manifest, zij het met de nodige ironie en speelsheid waaraan het dit genre doorgaans ontbreekt, blijft het tot en met de laatste pagina van Full Surrogacy Now onduidelijk wat dit boek beoogt te zijn. Een bijdrage aan feministische theorievorming, zoals een blurb op de achterkant suggereert (‘a landmark text of visionary feminist thinking’)? Daarvoor ontbreekt een gedegen kritische dialoog met andere feministische denkers, alsmede conceptuele en argumentatieve scherpte en precisie. Een kritische analyse van de institutie ‘draagmoederschap’? Dit staat op gespannen voet met Lewis’ streven om de draagmoeder om te denken tot utopisch symbool. Een politiek pamflet of manifest dat de afschaffing van het burgerlijk kerngezin bepleit? Daarvoor is het domweg te lang. En te geforceerd ingewikkeld, zoals reeds benoemd. Ik gun uitgeverij Verso graag een tweede Haraway. Maar helaas, Lewis is dat niet.

Noten

(1) Zie www.anjameulenbelt.nl voor een lijst van haar publicaties.
(2) Donna Haraway, ‘A Cyborg Manifesto: Science, Technology, and Socialist-Feminism in the 1980s,’ Socialist Review 80 (1985): 65-108.
(3) https://bijonspleegzorg.nl/2015/12/twee-moeders-twee-vaders/