🗓️ Als kleur ontbreekt: over kijken en kleurverlangen
🖋 Barbara Collé


Wat is de kleur van de ogen van degene op wie je verliefd bent? In het Nederlands duiden we kleur eigenlijk alleen aan met woorden voor tint: grijs, bruin, groen. Maar om kleur met iets als verlangen, gemis, beweging in verband te brengen is meer nodig. Filosoof en beeldend kunstenaar Barbara Collé laat ons kijken, in drie boeken opnieuw.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#2

Alain Badiou, Black, the brilliance of a non-color (Polity Press 2016), 80 blz.
Alain Badiou, Black, the brilliance of a non-color (Polity Press 2016), 80 blz.
Han Kang (Vert. Marijke Versluys), Wit (Nijgh & van Ditmar 2017), 145 blz.
Han Kang (Vert. Marijke Versluys), Wit (Nijgh & van Ditmar 2017), 145 blz.
Ted van Lieshout, Kleuren. Een tentoonstelling over kleur & kunst (Leopold 2019), 80 blz.
Ted van Lieshout, Kleuren. Een tentoonstelling over kleur & kunst (Leopold 2019), 80 blz.

Hoe kan in een verhaal dat zich voor een groot deel op zee afspeelt, de kleur blauw ontbreken? In de Odyssee van Homeros komt de kleur blauw niet voor. Terwijl de zee wel wordt beschreven en ook een kleur krijgt toegewezen – wijnkleurig bijvoorbeeld.

Als ik mijn blik laat glijden over het lijstje kleuren, door inleider Rein Ferwerda opgenomen in ‘Aristoteles’, Over kleuren (2001), valt me één ding meteen op. Veel van de kleurnamen, verzameld uit verschillende Oudgriekse teksten, duiden niet alleen de tint van een kleur aan. Ze beschrijven ook textuur en lichtweerkaatsing. Bijvoorbeeld aëroeides. Deze kleur duidt soms de kleur van de zee aan en betekent ondoorzichtig of nevelig. Leukos betekende in de vroeg-Griekse teksten licht, stralend, helder. Pas later verwijst het naar de kleurtint wit. Lampros duidt op glans, schittering of straling. De laatste twee termen wijzen op de sterke mate waarin de kleur het licht kaatst. De eerstgenoemde term is juist een kleur die door zijn ondoorzichtigheid het licht absorbeert.

Wij delen de eigenschappen nevelig of glanzend tegenwoordig niet meer in onder de kenmerken van een kleur, maar onder de kenmerken van een materiaal. Kleur is in onze taal losgekoppeld van materialiteit. Als iemand je vraagt welke kleur je broek heeft, dan antwoord je blauw, zwart, of rood. Wij zien en benoemen eigenlijk allereerst de tint, en niet de intensiteit (helderheid) of verzadiging. Dit verschil tussen onze benadering van kleur en die van bijvoorbeeld de oude Grieken, roept een berg aan vragen op. Vragen over de relatie tussen taal en waarneming, vragen over wat kleur in essentie is. Belangrijke vragen, die ik echter niet noem om ze in dit essay te beantwoorden, maar om  ruimte te maken voor verschillende benaderingen van kleur, en ons in staat te stellen opnieuw te kijken.

Kleur is in onze taal losgekoppeld van materialiteit. Dit roept vragen op over de relatie tussen taal en waarneming, over wat kleur in essentie is.
Drie nieuwe boeken over kleur, drie kijkoefeningen, helpen daarbij. Zo is kleur voor Ted van Lieshout in het kinderboek Kleuren. Een tentoonstelling over kleur & kunst, wel degelijk een synoniem voor tint. Aan de hand van een kijkexercitie toont Van Lieshout het gretige verlangen naar ‘het blauwste blauw’. Juist de tint die bij Homeros de grote afwezige was, is in dit voorbeeld alles overheersend aanwezig. De kleur waar filosoof Alain Badiou naar verlangt, blijkt meteen uit de titel van zijn essaybundel: Black, the brilliance of a non-color. Zijn benadering van kleur komt soms in de buurt van de Oudgriekse termen. Verschillende keren neemt hij de relatie tussen de kleur zwart en licht onder de loep. Is zwart doorgaans de afwezigheid van licht, Badiou vindt een zwart dat door zijn textuur wel degelijk licht straalt: een stralend zwart. Maar vooral door een derde boek, Wit van schrijver Han Kang, moest ik vaak denken aan de kleurtermen uit de Odyssee. Want strikt genomen zijn de tinten wit die Han in haar boek verzamelde helemaal niet wit. Ze zijn grijzig en gelig of neigen naar lila, bruin of blauw. Deze verzameling wordt niet bij elkaar elkaar gehouden door een tint – tint is eerder een kleurkenmerk dat de kleuren verbindt. Als Han de taal van Homeros nog tot haar beschikking had gehad, hoe zouden we haar verzamelde kleur dan noemen?

En dan is alles wit

Wit bestaat uit korte fragmenten die titels dragen als glinstering, ondertanden of witte hond. Het boek is doortrokken van een groot, bijna ondraaglijk gemis. Han probeert met een verzameling witte dingen een leven te scheppen. De hoofdpersoon mist haar oudere zus die een paar uur na de geboorte gestorven is. Het leven van haar zus is dus niet geleefd, of eigenlijk zit het nog anders: de hoofdpersoon zou er zelf niet geweest zijn als haar oudere zus was blijven leven. Ze heeft en leeft eigenlijk het leven van haar zus – een leven dat in het teken staat van, wordt omhuld en vergezeld door een niet geleefd leven. Om haar zusje te eren maakt ze hun levens van elkaar los door een leven van witte dingen voor haar zus te scheppen.

Nu geef ik je witte dingen.

Alles wat wit is, al wordt het misschien bezoedeld;
Alleen witte dingen zal ik geven.

Nu twijfel ik niet langer
Of ik jou dit leven wel geven moet

En ze geeft: sneeuw die de straten dempt, witte vogels, een zakdoek die neerdwarrelt, een streep naar binnen vallend maanlicht. Een warme ademwolk die zich vormt in de koude lucht. Het verbaasde me dat Han juist wit verzamelde, toen ik in de inleiding las dat zij lijdt aan hevige migraine aanvallen. Licht doet zolang een aanval duurt letterlijk pijn aan je ogen – ik heb het ook en kijk daardoor liever niet naar kunst waarin hel lichtend wit wordt gebruikt. Maar Han verzamelde wit waar zij en ik zorgeloos naar kunnen kijken. Al haar witten zijn gedempt. Het reflecterende licht is indirect als maanlicht.

Als Han de taal van Homeros nog tot haar beschikking had gehad, hoe zouden we haar verzamelde kleur dan noemen?
Een kleurnaam waarin dof, zacht en dauw tot uitdrukking komen, zou de lading van Hans kleuren beter dekken. Dat komt niet alleen doordat de kleuren die ze beschrijft vaak een andere tint hebben dan wit, zoals geel of grijs. Het komt ook doordat elke kleur van Han textuur heeft. Die textuur zorgt ervoor dat het felle licht gebroken wordt. Veel van haar witten gaan samen met textiel, zoals vitrage, lakens en een zakdoek. Maar ook bij sneeuw, het verenkleed van een vogel, de vacht van een hond is de materiaaltextuur bepalend. Han beschrijft dat wat dingen tastbaar maakt, de textuur van hun oppervlak, nauwgezet. En ze voegt er nog een derde element aan toe dat de ruimtelijkheid van de kleuren ondersteunt: bijna elk wit attribuut beweegt. Het dwarrelt, waait op, wolkt, valt, krimpt, stroomt, flakkert, spat uiteen of wordt uitgeblazen. Allerlei witten verplaatsen zich door de ruimte, in elke kleurscène opnieuw. Door deze zeer precieze, ‘beeldende’ beschrijvingen zien we tijdens het lezen niet alleen de kleur voor ons geestesoog, maar wordt ook een andere zintuiglijke waarnemer in ons aangesproken. We kunnen het voor ons zien in de ruimte. We zouden er als het ware met onze denkbeeldige vingertop langs kunnen strijken.

Kleur is voor Han dus niet ongrijpbaar. Juist niet, want ze probeert door middel van deze verzameling kleurscènes een leven te creëren. Een leven dat er niet is en niet was, geen gezicht of herinneringen heeft en toch zo wordt gemist. Wit leent zich prachtig voor de verbeelding van het ongekende afwezige waar ze zo naar verlangt.

Het blauw van de verte

In het kinderprentenboek van Ted van Lieshout is kleurverlangen veelal een praktisch verlangen dat vaak wel degelijk wordt ingelost. Van Lieshout heeft in zijn boek elke kleur (elke tint) een apart hoofdstuk gegeven. Hij behandelt kleur materieel, als pigment, kleurstof, om kleding te verven of om attributen in schilderijen van kleur te voorzien. Kleurpigmenten worden gemaakt uit bepaalde grondstoffen die vaak een historisch verhaal met zich meedragen. Voor bepaalde gewilde kleurpigmenten werden kosten nog moeite gespaard, zoals bijvoorbeeld de kleur blauw die lange tijd helemaal vanuit Afghanistan kwam. Dit blauw heet ultramarijn en werd gemaakt van de steen lapis lazuli. Om dit blauw beter te zien zet van Lieshout een kijkoefening in, die iets duidelijk maakt over zowel het verlangen naar deze kleur als over de dieptewerking van kleuren in het algemeen. De oefening bestaat uit twee identieke, naast elkaar geplaatste afbeeldingen. Op beide afbeeldingen staan twee huizen in een weiland met daarachter een blauwe lucht. Op de linker afbeelding is het gras fel groen. De blauwe hemel is in vergelijking met het groen lichter en zoals Van Lieshout het noemt ‘bleker’ omdat het blauw is gemengd met wit. Op de rechter afbeelding is juist het groen lichter doordat er wit aan is toegevoegd – het blauw van de hemel is puur diepblauw.

Er klopt iets niet aan deze prent. (…) Door de intense kleur lijkt de lucht dichterbij dan het gras. Veel kunstenaars maken gebruik van het effect dat bleke kleuren verder weg lijken dan felle kleuren. Dat komt doordat het in de natuur ook zo is: wat dichtbij is, is donkerder en kleuriger; wat veraf is, is lichter en bleker.

Het verzadigde pure blauw hangt als een coulisse voor het toneel, en dat het in verhouding met het lichte, fletse groen op de voorgrond de dieptewerking vernachelt, lijkt bijzaak.
Van Lieshout gebruikt deze schetsmatige oefening om een boekillustratie uit omstreeks 1413 te verduidelijken. In de illustratie klopt het perspectief niet. Meestal wordt perspectiefwerking verklaard door naar de lijnen en de verdeling van groot en klein te kijken, maar Van Lieshout geeft verrassend genoeg de kleuren een hoofdrol. De boekillustratie is gemaakt door de gebroeders Van Limburg, als een verluchting van het boek Les Tres Riches Heures du duc de Berry. De zeer rijke uren van hertog Berry zijn in deze boekillustratie door de kleur blauw letterlijk verbeeld. Dit blauwe pigment, ultramarijn, was namelijk peperduur. In de illustratie is de hemel volledig egaal met het pure pigment bedekt. Dit vlak ongemengd ultramarijn schreeuwt: geld, rijk! Het verzadigde pure blauw hangt als een coulisse voor het toneel, en dat het in verhouding met het lichte, fletse groen op de voorgrond de dieptewerking vernachelt, lijkt bijzaak. Je zou nog kunnen denken dat het diepe blauw voor een avondhemel door moet gaan, maar dan had het gras op de voorgrond alsnog donkerder moeten zijn.

Dit uithangbord van het duurste blauw komt hoogst waarschijnlijk overeen met de trots en ambitie van de gebroeders van Limburg en de hertog Berry. Kosten noch moeite waren gespaard om de hemel volledig met deze kleur te bedekken. Dat de dieptewerking en daarmee de verte ontbreekt, is in zekere zin passend. Zij waren in staat om dit bijzondere blauw uit verre oorden te halen, en hadden daarmee letterlijk de verte thuis gebracht.

Een apologie van zwart

Filosoof Alain Badiou legt in een essay een verbinding tussen ultramarijn en een specifieke kleur zwart, en de begrippen ver en dichtbij, die de kijkoefening van Van Lieshout prachtig aanvult. Het essay staat in het tweede hoofdstuk van zijn essaybundel, ‘The dialectics of black’. Hoofdstuk één bestaat uit jeugdherinneringen waarin zwart een rol speelt, in het derde en vierde volgen nog ‘Clothing’ en ‘Physics, biology, and anthropology’. In de essays legt Badiou steeds relaties tussen verschillende zwarten, waarin taal, visueel verschijnsel en gemoedstoestand gekoppeld zijn. Hij doet dat door allereerst zwart als visueel verschijnsel waar te nemen. Deze waarneming verbindt hij vervolgens met een talige betekenis van zwart, die hij daaropvolgend verbindt met een bepaalde gemoedstoestand, om daarna weer te gaan kijken. Hij maakt zo steeds associatieve verbindingen tussen zwart zien, zwart benoemen en zwart voelen: zwart is voor Badiou dat wat ontbreekt, en juist doordat het ontbreekt zo’n grote aantrekkingskracht heeft. Essay na essay verlangt hij naar wat voorbij is, naar wat verborgen, onbekend, afwezig is. En dat afwezige is zwart.

Soulages speelt in zijn zelf verzonnen kleur zwart met een dubbele betekenis: het is het zwart aan de overkant van zwart.

In het essay dat ik eruit pik, ‘Soulages’ ultrablack’, schrijft Badiou over een kleur zwart waarmee een onbekend gebied aan de overkant wordt verbeeld, het zwart van de Franse kunstenaar Pierre Soulages (1919). Veel van Soulages’ doeken bestaan uit louter zwarte vlakken. Hij heeft zelfs een speciaal zwart toegevoegd aan het zwart-spectrum: outrenoir, ultrazwart. Dit zwart zou je nog het beste als reflecterend zwart kunnen beschrijven. Is zwart eigenlijk de kleur die geen licht meer reflecteert, dit ultrazwart doet het toch. Zonder dat het een andere tint is geworden, zonder dat het lichter of donkerder is geworden. Er gebeurt iets dat beter in de kleurtermen van de oude Grieken kan worden beschreven dan in de onze. Evenals Han werkt Soulages met textuur. Door de speciale textuur van de verf op het doek verandert de reflectie van het licht en is het een andere kleur dan gewoon zwart. Het is stralend, lichtend zwart geworden.

Outrenoir

Soulages bedacht zelf de naam outrenoir, die hij afleidde van de naam outremer. Outremer betekent overzees en is tegelijk de naam voor de kleur ultramarijnblauw. Ook uit het Nederlandse ultramarijn, is ‘van over de zee’ te herleiden: de kleurstof uit lapis lazuli kwam lange tijd over zee naar Europa. En net zoals outremer zowel een kleur als een overzees gebied kan aanduiden, zowel een wereld zonder diepte als de rijkdom van een hertog verbeeldt, speelt Soulages in zijn zelf verzonnen kleur zwart ook met deze dubbele betekenis: het is het zwart aan de overkant van zwart.

De schrijvers keren steeds weer terug naar het kijken, letterlijk kijken.
Badiou koppelt aan dit visuele en talige zwart vervolgens het verlangen naar het onbekende. ‘The serene monumental unity of ultrablack, which is truly like a realm beyond the sea then, is the painterly landscape of a world without borders and of an infinite potential of perspectives and meanings.’ Badiou ziet de lichtreflectie en dieptewerking van ultrazwart op het schilderij, verbindt het met de talige betekenis overzees dat een wereld zonder grenzen, van een oneindig potentieel aan visies en betekenis verbeeldt. De aantrekkingskracht van deze glorende, lichtende zwarte verte, is voor Badiou een uitnodiging om te kijken. Het zwart beveelt hem: ‘You who see me without seeing anything, go on!’ Juist als je ziet dat je niets ziet, ga dan door. Ga door met kijken.

Beginnen en eindigen bij kleur

Alledrie de boeken spitsen zich toe op het visuele verschijnsel kleur: de filosoof, schrijver en kinderboekenschrijver zijn allereerst aan het kijken. Deze visuele waarneming geeft aanleiding tot denken, talige associatie, tot emotionele verbintenissen. Maar de schrijvers keren ook steeds weer terug naar het kijken, letterlijk kijken. De praktische Van Lieshout, zelf kunstenaar, doet dat door een illustratie te analyseren naar kleurgebruik om ons zo te laten zien wanneer kleuren in een kunstwerk met elkaar meewerken en wanneer tegen. Han kijkt naar kleur en beschrijft het precies zo uit een verlangen het ontastbare tastbaar te maken. Voor theoreticus Badiou is het visuele verschijnsel zwart het afwezige. En juist dat afwezige, dat wat hij niet ziet, jaagt hem op te blijven kijken. Te speuren, te kijken, steeds opnieuw. De betekenis van een kleur ligt niet vast, wordt steeds opnieuw gevormd, door de filosofen, de dichters, de kijkers. Maar allen maken ze deze cirkelbeweging, waarbij hun blik steeds weer terugkomt bij de kleur, en ze sporen ons aan hetzelfde te doen: altijd te blijven kijken.