πŸ“Œ Luchtspiegeling: utopie en de menselijke maat
πŸ–‹ Hester van Gent


Waar ontbreekt het toch aan in visionaire plannen die idealistische architecten en ontwerpers voor toekomstige steden schetsen? In haar eerder voor de longlist van de Joost Zwagerman Essayprijs geselecteerde essay vraagt Hester van Gent zich af waarom zich ze zich niet thuisvoelt in zulke utopische blauwdrukken. Ze speurt de horizon af, op zoek naar een antwoord, maar vindt dat uiteindelijk recht onder haar voeten.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#2

Ik zie een grote, grijsgroene zeppelin. Hij vliegt recht op de stad Magnitogorsk af die de visionaire architect Ivan Leonidov op een tekening verbeeldde. De Russische avant-gardist was dol op het weergeven van vliegmachines in zijn ontwerpen. En hij niet alleen. Telkens als ik visionaire plannen voor een nieuwe stad of samenleving onder ogen krijg, zie ik luchtvaartuigen door het getekende hemelgewelf snellen. Het type vaartuig wisselt. Op schetsen voor het radicale stadsplan Ville Contemporaine (uit 1922) van de Zwitserse modernistische architect Le Corbusier zoeven vliegtuigen in sepia langs hoge woontorens. Ook ben ik vaak ontwerptekeningen tegengekomen met luchtvaartuigen die niet werkelijk bestaan. Maar de vliegmachine die het meest voorbijkomt, zoals bovenin de schets van Leonidov, is de zeppelin. Wie nu denkt dat zulke luchtvaartuigen zijn voorbehouden aan ontwerpers uit de vorige eeuw heeft het mis. De visionaire Belgische architect Vincent Caillebaut, bijvoorbeeld, maakte nog in 2010 een plan voor de Zuid-Chinese Zee waarin hij luchtschepen tot zelfvoorzienende machines ombouwde.

In hun vlucht nemen de luchtvaartuigen de blik van de beschouwer mee naar de imaginaire samenleving. Maar waar streven visionaire ontwerpers precies naar met hun beelden? Waar zijn ze naar op zoek?


Dit essay is ingezonden voor de Joost Zwagerman Essayprijs en haalde daarbij de longlist. Eerder plaatsten we anderen inzendingen, te vinden in ons archief, waaronder het essay β€˜Boze of blije boeren?’ van Jolanda van Benthem dat in 2019 de prijs won en verscheen in dNGb 2020#2.


Om daarachter te komen, hoef ik alleen maar de lijn van een vliegmachine te volgen. Wanneer ik dat doe, stuit ik echter vaak op een tegenstrijdigheid. Het luchtvaartuig trekt mij de tekening in, maar tegelijkertijd behoud ik, rondkijkend in de papieren wereld, onmiskenbaar afstand tot wat ik zie. De zeppelin boven Magnitogorsk laat mijn blik weliswaar meedalen in de richting van de stad, maar niet zo ver dat ik mij in de straten onderdompel: ik zie lange, evenwijdige lijnen die brede banen vormen, met daarin rechthoekige blokken die gebouwen voorstellen en grilliger lijnen die bomen en struiken suggereren. Aangezien de tekening abstract is, kom ik niet veel meer te weten van de stad. De afstand stelt mij teleur. Het is een beetje alsof je aan komt vliegen boven een wereldstad als Londen en je vanuit het raampje door de nevel het stratenpatroon al kunt zien in steeds fijnere vertakkingen. Je verwacht ieder ogenblik het straatleven te kunnen onderscheiden, vol pubs en mensen op straat, als plots het vliegtuig zwenkt om te landen op het vliegveld in een afgelegen niemandsland.

Nieuwsgierig bekijk ik de andere tekeningen en begeleidende tekst die ik van Leonidovs plan voor Magnitogorsk heb. Hij schildert speelplaatsen, scholen en tweelaagse woningen, geschikt voor zestien personen. Maar de stad blijft ongrijpbaar, modelmatig. Leonidov vervat de stad in getallen, schema’s en abstracte schetsen, die zijn gemaakt voor een algemene doelgroep: de arbeider in de staalindustrie. Ook deze informatie zorgt er niet voor dat ik mij in zijn stad kan wanen.

Plan voor Magnitogorsk, SA Magazine, 1930. Beeld: Socks.

Waar ontbreekt het toch aan in visionaire plannen als deze? Ik mis een element dat ik de menselijke werkelijkheid wil noemen: het gemodder van het individu in zijn dagelijks bestaan. Hoe, zo denk ik na het zien van de geabstraheerde tekeningen, zou een toekomstige maatschappij eruitzien waarin de buurman even, voor de deur, met zijn buurmeisje blijft praten? Waar een jongen zijn hond uitlaat en teleurgesteld ziet hoe het meisje naar de buurman glimlacht? De jongen vervolgens de kroeg instapt en veel te vroeg op de dag het koele bier door zijn keel laat glijden, waarna hij zich met het spel van de biljartende mannen bemoeit totdat één van hen er genoeg van krijgt, de jongen bij de kraag vat en het café uitzwiert, zijn hond erachteraan? Volgens mij is het de ontwerpers van imaginaire toekomstbeelden helemaal niet te doen om menselijk gemodder. Omdat dit een teken van imperfectie is. En voor imperfectie heeft de visionair geen oog. Het lijkt wel of hij ervan uitgaat dat zijn gerealiseerde plan bewoners zal verheffen tot gedrag dat naadloos aansluit op zijn visie. Of hij denkt eenvoudigweg niet aan de mens en verliest zich in het scheppen van een gedroomde maatschappij, niet beseffende dat er geen nieuwe stad of samenleving mogelijk is die het menselijk gemodder kan doen verdwijnen.

Hierin verschilt de visionair van de meer pragmatische ontwerper. Waar de visionair nog hooguit zijn tenen op de oever van de realiteit heeft staan om zijn bootje mee af te zetten, op weg naar het ongrijpbare, heeft de praktijkgerichte ontwerper zijn benen stevig in de werkelijkheid geplant. En mocht hij onverhoopt toch dreigen een ideaal na te jagen, dan houden hoogbouwbestrijders, boombeschermers of snelwegliefhebbers hem wel bij de les. Zij maken hem duidelijk dat hij met zijn plan aan hen voorbijgaat. De visionaire ontwerper daarentegen is niet geΓ―nteresseerd in bewoners die klagen over flats in hun uitzicht of een boom die moet verdwijnen. Ze stammen uit een oude maatschappij waarin mensen maar wat aanmodderen: lonken naar de buurman, vroeg aan het bier zitten en ochtenduren slijten met biljarten.

Horizon

Waar streven visionairs dan wel naar in hun ideale stad of samenleving? Ze zoeken een werkelijkheid, maar wel een die beter is dan de huidige. Een maatschappij die sterker is dan wij kennen. Ze keren zich af van de huidige realiteit en richten hun blik op de horizon. Wat ze daar zien, vervatten ze in hun tekeningen. Maar hoe onttrekken visionaire ontwerpers een toekomst aan de kim? Om dat te achterhalen ga ik op zoek naar een horizon. Maar wanneer ik mijn blik op de einder richt, versperren gebouwen en bomen mij meestal de weg. Voor een horizon moet ik dus naar het polderland, het strand, of liever nog de lucht in, om obstakels tussen mijn blik en de einder te vermijden. Of naar museum Boijmans van Beuningen, waar ik de horizon op Monets schilderij De hut van de visser, Varengeville kan afspeuren, turend naar een teken uit de toekomst. Ik kies voor het museum.

Ik kom niet veel meer te weten van de stad. De afstand stelt mij teleur.
Op de voorgrond van Monets kunstwerk zie ik een berg. Met links, tegen een bergrug geleund, de vissershut. De achtergrond bestaat uit een helblauwe zee die langzaam overgaat in de lichtblauwe waas van de lucht. Van een scherpe horizon is hier geen sprake. Ik bedenk dat Monet meestal meerdere versies van zijn onderwerp schilderde. Thuis zoek ik naar andere weergaven van deze vissershut. Ik vind een afbeelding waarop de kim een duidelijke, donkerblauwe scheidslijn is tussen lucht en zee. En een waar het water donkerblauw is en de lucht lichtblauw met wit, zodat de scheiding tussen beide elementen zich scherp aftekent.

Wat ziet de visionaire ontwerper in einders als deze? Het moet hem om meer gaan dan de blik op de kim alleen; om het onzichtbare spel tussen zijn denkwereld en de einder, waarin hij zijn gedachten als bootjes naar de horizon laat reizen, die, eenmaal daar aangekomen, worden aangevuld met wat hij ziet, waarna ze weer omkeren en terugvaren. De visionair beziet de horizon, verwerkt wat hij heeft gezien, raakt vol gedachten die uitgaan naar een nieuwe toekomst, en projecteert het nieuwe inzicht weer op zijn uitzicht. Wat er uit deze wisselwerking ontstaat? Een luchtspiegeling aan de horizon. Die biedt hem alles wat hij tot voor kort onmogelijk had gehouden: visioenen van toekomstige steden en samenlevingen.

En gij alleen, gij, de steden,
ginds, rechtop tegen de einder,
ginds, waar alle velden en domeinen
verdwijnen, –
gij hebt in u voldoende mensenmenigten bijeengebracht,
voldoende hang naar kennis en voldoende levenskracht,
opdat uw koorts vruchtbaar zou woeden in het brein
van hen die, telkens weer, achter de schijn
de regel ontdekken
en in zichzelf de wereld tot leven wekken.

Uit Emile Verhaeren, β€˜Naar de toekomst’, in: De stad, het land, het geld (Soethoudt 1974)

Deze toekomstvisioenen verbeeldt de visionaire ontwerper in zijn tekeningen. Hoe die eruitzien wisselt sterk en toch zijn ze duidelijk herkenbaar als luchtspiegeling. Want de horizon – de lijn waar lucht en water elkaar raken – levert hiervoor de karakteristieke bestanddelen. Op nagenoeg elke afbeelding van zo’n luchtspiegeling staat wel een object afgebeeld dat zijn afkomst verraadt: de plek waar lucht en water interfereren. Een object, zoals bijvoorbeeld een luchtvaartuig, waarvan niet precies te zeggen valt of het uit de lucht of uit het water stamt. En juist dat kenmerkt zijn afkomst. Wie herinnert zich niet zo’n moment op een verlammend hete zomerdag waarin zich aan de einder trillende vormen op het asfalt aftekenen? Waarin de zinderende lucht zacht flakkerende fragmenten van zichzelf heeft verplaatst naar het wegdek? Of andersom? Iets soortgelijks doet zich voor wanneer een visionair ontwerper zijn blik op de horizon richt. Er ontstaat een uitruil tussen water en lucht. Een plaats voor watervogels, en vliegende vissen en luchtschepen dus.

Dat brengt mij terug bij de zeppelin. Dit luchtvaartuig, dat als een grote vis door de lucht glijdt, is zo’n element dat zijn afkomst prijsgeeft; een vliegend wezen, voortgekomen uit de zee en overgestapt naar de lucht. En laten we eens naar de afbeeldingen kijken die de architect Frank Lloyd Wright maakte van zijn imaginaire stad Broadacre City. Zijn de objecten in de lucht niet tot immense proporties opgeblazen kwallen met gestileerde tentakels die door het luchtruim zwemmen?

Wijkende horizon

Waar de visionair eigenlijk naar streeft, is een wereld die zich niet aan de wetten van de afzonderlijke elementen hoeft te houden. Het ingewikkelde van dit streven is dat zulke visioenen alleen ontstaan aan de kim. En die is nu juist ongrijpbaar. Vaak genoeg hebben avonturiers de luchtspiegeling proberen vast te pakken door met een bootje naar de einder te varen. En telkens bleek de horizon te verschuiven met het vorderen van het scheepje.

Volgens mij is het de ontwerpers van imaginaire toekomstbeelden helemaal niet te doen om menselijk gemodder. Omdat dit een teken van imperfectie is. En voor imperfectie heeft de visionair geen oog.
Wat de visionair rest is het nabouwen van de luchtspiegeling, in een poging het ongrijpbare te grijpen. Daartoe vervaardigt hij tekeningen, schaalmodellen of animaties. En die komen aardig in de buurt van zijn luchtspiegelingen, hoewel hij die nooit helemaal in zijn werk kan vangen. Maar zijn creatie raakt verder verwijderd van zijn visioen wanneer hij poogt zijn plan tot werkelijkheid te maken. Hij probeert het nog eens en nog eens. Met het zweet op zijn voorhoofd.

De verwezenlijking valt niet mee. De zwaartekracht zit in de weg, net als andere elementen uit de bestaande werkelijkheid, het gemodder. Wat te doen? Zijn ontwerp niet realiseren en overgaan tot de orde van de dag? Dat is mogelijk. RΓΌcksichtslos doorwerken aan de realisering van zijn luchtspiegeling? Dat is een andere optie. Maar die is niet zonder risico. Wat er dan gebeurt laat Jacques Tati zien in zijn film Mon Oncle uit 1958. Hierin heeft het echtpaar Arpel zijn luchtspiegeling verwezenlijkt: Villa Arpel, omringd door een ruime tuin – een samenleving in het klein. Het pand is een uit witte blokken samengestelde woning met op de bovenverdieping twee grote ronde ramen die de villa ogen geven. De tuin is ingedeeld met rechte vlakken van grind en kunstgras, waardoorheen een betonnen pad slingert dat de voordeur met de tuinpoort verbindt. Centraal in de tuin bevindt zich, in een vijver, een sculptuur die in één oogopslag duidelijk maakt dat het hier om een gerealiseerde luchtspiegeling gaat, ooit opgedaan door lang naar de horizon te kijken: een beeld van een vis die fier rechtop staat, alsof hij geen enkele moeite heeft zich op het droge staande te houden.

De heer en mevrouw Arpel zijn zichtbaar in hun schik met het huis. Het is de plek waar ze kunnen spelen. Als gezette herten huppelen ze over de stapstenen in de tuin, of kijken ze ’s nachts, wanneer alleen het licht in de slaapkamer schijnt, als twee pupillen door de ronde ramen naar buiten. Ook dit spel toont dat het hier om een gerealiseerd visioen gaat, maar op een minder prettige manier dan de vis dat doet. Het lukt hun zoontje GΓ©rard, gekleed in schooluniform of pak, op geen enkele manier om hier te spelen. De villa is leeg en kaal, de tuin aangeharkt. De gerealiseerde luchtspiegeling heeft hier voor een onaangename omkering gezorgd waarin volwassenen spelen en het kind zijn huiswerk doet.

Plan voor Magnitogorsk, Ivan Leonidov, 1930. Beeld: Open Culture.

Maar er kleeft nog een ander probleem aan de verwezenlijking van het droomhuis. Dat zit verscholen in het zinnetje dat mevrouw Arpel telkens roept wanneer een bezoeker commentaar geeft op haar woonkamer. β€˜Wat is het leeg,’ roept een van de gasten, waarop mevrouw Arpel antwoordt: β€˜Alles staat met elkaar in verbinding.’ Is dat zo? De ruimten in de villa lijken inderdaad aan elkaar gekoppeld. Maar de verbinding met wat zich buiten de villa afspeelt is een stuk twijfelachtiger. De stalen omheining met de poort schrikt bezoekers af. Het voelt ongemakkelijk om deze wereld te betreden. Dat blijkt ook uit de bezoeken van monsieur Hulot, de oom van GΓ©rard, die in alles tegengesteld lijkt aan het echtpaar Arpel. Hij komt altijd op zijn oude zwarte fiets, zakt weg in het ijle terrasstoeltje en stapt in een moment van onoplettendheid met zijn schoenen in de vijver. Alles staat met elkaar in verbinding, voor zover het de villa aangaat. Maar contact met de buitenwereld is er nauwelijks. Daardoor merk je als kijker al snel dat er iets ontbreekt aan het huis. Wanneer mevrouw Arpel in haar zeegroene jasschort de stofdoek buiten het hek uitklopt, weet ik wat het is: stof. Stoffelijkheid. Grond.

Stof is er rond het kleine plein waaraan Monsieur Hulot woont wel: de door de schoonmaker bijeengeveegde hoop afval die hij telkens laat liggen omdat hij met een voorbijganger een gesprek aanknoopt; de berg zand waar Hulot GΓ©rard en zijn vriendjes mee naartoe neemt zodat de jongen vervuild thuiskomt. Die grond is nodig om aan te kunnen modderen. Want zonder grond geen vuil, geen wrijving, geen leven. Modder is het bestanddeel waardoor de schoonmaker contact maakt met toevallige passanten en GΓ©rard kan spelen met zijn vriendjes. Aanmodderen lijkt een tekortkoming, maar blijkt noodzakelijk in een samenleving, in het onvolkomen maar levendige leven. Villa Arpel daarentegen is ijl, nadert de grens tussen water en lucht zo dicht mogelijk. Het huis duldt geen vieze voeten en keert zich af van het gebrekkige bestaan, waardoor de villa tot een cel wordt.

Inwaaiend stof

Wil de visionair voorkomen dat hij een gevangenis ontwerpt, dan moet hij kiezen voor de derde optie: zijn plan aanpassen. En dat is niet eenvoudig. Hem wordt niets meer of minder gevraagd dan zelf aan te modderen, ofwel: zijn ideale stadsmodel te laten vieren. Door van de vliegende vis uit zijn gedroomde stad de vleugels weg te laten. Of de watervogel een nest te geven. Wat de visionair moet doen is de luchtspiegeling poreus maken zodat stof en aarde van alle kanten naar binnen waaien en speelplekken formeren tussen de straten of afvalhopen op het plein. Zodat individuen elkaar treffen en samen een gemeenschap smeden. Alleen op die manier kan alles – in de woorden van mevrouw Arpel – met elkaar in verbinding staan; het ijle visioen van water en lucht met het stoffelijke van de aarde.

Dat brengt mij terug bij de zeppelin. Dit luchtvaartuig, dat als een grote vis door de lucht glijdt, is zo’n element dat zijn afkomst prijsgeeft; een vliegend wezen, voortgekomen uit de zee en overgestapt naar de lucht.
Misschien lukt de visionair dat niet zelf. Dan kan hij altijd nog zijn medemens om hulp vragen, die wel met zijn gemodder midden in het leven staat. Dat doet Monsieur Arpel – onbewust. Hij geeft monsieur Hulot een baan in zijn fabriek voor plastic buizen, omdat hij wil dat zijn zwager zich nuttig maakt. Hulot ontfermt zich over een machine waaruit oneindige hoeveelheden strekkende meters rood plastic in flexibele slangvorm komen rollen. Hij heeft geen idee hoe het apparaat werkt en draait willekeurig aan een knop. De machine maakt nu vreemde geluiden, hapert en produceert geen lange ijle slang meer. Uit het apparaat verschijnt een reeks dikke rode β€˜worstjes’. Geschrokken raapt Hulot de mislukte slang bijeen en vlucht met enkele mannen weg van de fabriek. Gezamenlijk smijten ze het fabricaat over een brug in de rivier, waar, aan de oever, een verliefd stel flaneert. De man ziet een rode massa in het water vallen, denkt dat er iemand zelfmoord pleegt en springt erachteraan. Wanneer hij ziet dat hij een sliert plastic worstjes heeft gered ontsteekt hij in woede en zet, samen met zijn geliefde, de achtervolging in op Hulot en zijn metgezellen. De onbeholpen maar levendige klopjacht eindigt met een treffen tussen de verliefde man en de worstenmaker op het dorpsplein, waar omstanders zich in de kluwen mensen mengen. De sfeer, eerst nog vijandig, wordt al snel gemoedelijk.

En? Zou er tussen deze mensen iemand met een hang naar luchtspiegelingen hebben gezeten? Die het gezelschap zag aankomen, daarachter de opmerkelijke glinstering van het water ontdekte en, hierdoor afgeleid, vluchtig de rivier afspeurde, op zoek naar de zee, en naar de plek waar de zee de lucht ontmoet? Wie weet. Wellicht kon hij zelfs een glimp van de einder opvangen en begon hij, voordat hij daar erg in had, vlug-vlug bootjes vol gedachten naar de horizon te sturen. Misschien groeide daar, schielijk, het begin van een luchtspiegeling. Even maar. Want zo deze persoon daar al tussen zat, dan had hij zich vast snel omgedraaid, uit zijn gepeins gehaald door het rumoer van de anderen, en het ook op een bakkeleien gezet, om niets van het leven te hoeven missen.