Curve en catharsis: statistiek als nieuw nationalisme
? NL-Lab


Onder druk van het coronavirus ontstaat in Nederland een nieuw soort nationalisme: de statistische gevoelsgemeenschap. We herkennen onszelf in curves, statistieken en grafieken. Jan Frans van Dijkhuizen, Marieke Hendriksen, Inger Leemans, Geertje Mak en Joris Oddens van Onderzoeksgroep NL-Lab laten hiervan de geschiedenis zien, en de onvoorziene, onwelkome gevolgen (met medewerking van Ineke van Gelder, Manon Parry en Melvin Wevers).


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#4

Wij zijn wat we tellen. De meeste Nederlanders beleven de coronacrisis vooral via getallen en grafieken, statistieken die we samen proberen te beheersen. Mark Rutte spreekt ons toe in cijfers: ‘Jongens, we moeten het met zeventien miljoen mensen doen.’ Deze boodschap dringt in de hele samenleving door: we zijn allemaal experts geworden op het gebied van groeicurves, risicogroepen en aantallen geïnfecteerden. Gezinsgesprekken worden gedomineerd door peilmomenten. We staan op en gaan naar bed met getallen en tabellen.

We staan op en gaan naar bed met getallen en tabellen.

Het is onze manier om met de ziekte om te gaan. Gewapend met statistieken en sociale druk vechten we tegen het virus. Elke individuele stap die we zetten is nu verbonden aan het gezamenlijke belang: alleen zo kunnen we de curve afvlakken. Abstracte curves komen samen met concrete ingrepen in alledaagse bewegingen. Zo zijn we een nationale statistische gevoelsgemeenschap aan het worden: een land waarin mensen zich verbonden voelen door getallen en curves.

En dat is nieuw. Nooit eerder hebben epidemieën de natie als geheel zo gemotiveerd. En nog nooit hebben we een nationale gemeenschap gebouwd met zo weinig historisch besef. Want wat weten we nu eigenlijk van onze historische omgang met epidemieën, zoals de griep? Hoe werden die epidemieën vroeger beleefd? Wanneer zijn ze een nationale zaak geworden? Welke rol speelde statistiek in deze verhalen? En vooral: wat betekent het om een statistische gevoelsgemeenschap te worden?

Ziekte als catharsis

Eeuwenlang hebben mensen ziekte en dood als onderdeel van het leven beschouwd. Bij gebrek aan medische oplossingen boden ze deze uitdaging het hoofd door ziekte van betekenis te voorzien. Zo hebben we een rijk repertoire opgebouwd aan ‘ziektenarratieven’, waar we ook tijdens de coronacrisis uit putten. Populair is het traditionele idee van ziekte als catharsis: het ziekteproces is een spirituele loutering waar we uiteindelijk als een beter, geestelijk verdiept mens uit tevoorschijn komen.

Kerngedachte is dat we door lichamelijke pijn – via het lijden van Christus – spiritueel worden verheven.
Volgens David Brooks plaatst de coronacrisis ons voor existentiële spirituele vragen: ‘Are you ready to die? If your lungs filled with fluid (…) would you be content with the life you’ve lived?’ Brooks grijpt terug op de christelijke traditie van bespiegelingen over ziekte en lichamelijk lijden. Kerngedachte is dat we door lichamelijke pijn – via het lijden van Christus – spiritueel worden verheven. Gedurende de reformatie raakte dat meelijden met Christus op de achtergrond en werd ziekte meer een spirituele test, een uitnodiging van God tot zelfreflectie en bezinning op onze zonden. Het dominante narratief van ziekte als catharsis werkte nog tot ver in de twintigste eeuw door. In talloze kinderboeken leiden hevige koortsen of longontsteking tot inkeer of verzoening. Ziekte is telkens vooral een aangelegenheid van het individu.

In tijden van corona wordt dit op het individu geënte louteringsnarratief verheven tot de gemeenschap, vaak de natie. Zo klaagt Ilja Leonard Pfeijffer in NRC dat de coronacrisis ‘een verhaal zonder zicht op catharsis’ is. Hij wil schrijven over loutering en omkering, maar de curve werkt niet mee. Tommy Wieringa mijmert er over de wereld post-corona: ‘Zullen mensen hun leven gebeterd hebben na de catharsis?’ Zo wordt de coronacrisis een collectieve loutering. Wat die catharsis moet brengen, hangt af van wie je het vraagt: een betere omgang met het klimaat, een economie van waarden, of juist strenger grensbeleid? Het doel van ons lijden is niet eenduidig.

De wil om zin te geven aan ziekte is dus springlevend. De verhalen waaruit we putten zijn niet nieuw. Zonder precedent is wel de gedachte dat we het virus te lijf moeten gaan door een gemeenschap te vormen op basis van getallen. Hoe zijn we daar gekomen?

Influenza als invloed

Tot ver in de negentiende eeuw waren virussen en bacteriën onbekend. Luchtwegaandoeningen werden heel anders begrepen. Ze vormden een extra uitdaging vanwege hun ongrijpbaarheid: ze konden zowel onschuldig als dodelijk zijn. In de middeleeuwen werden epidemieën vrijwel altijd aangeduid als ‘plaag’ of ‘pest’, ook als het vermoedelijk om luchtweginfecties ging. Later kwam de term influenza in zwang, wat letterlijk ‘invloed’ betekent. De gedachte was dat besmettelijke ziekten werden veroorzaakt door de invloed van hemellichamen en weersverschijnselen. Die visie werd in de tweede helft van de negentiende eeuw verdrongen door Louis Pasteurs microbenleer. In 1898 bedacht de Nederlandse microbioloog Martinus Beijerinck de naam ‘virus’.

Virussen en bacteriën vormden een extra uitdaging vanwege hun ongrijpbaarheid: ze konden zowel onschuldig als dodelijk zijn.
Dit verklaart waarom we bij epidemische luchtweginfecties lang nauwelijks quarantainemaatregelen tegenkomen. Zolang mensen denken dat deze veroorzaakt worden door de planeten of door koude winden heeft het weinig zin om de patiënten te isoleren. De Spaanse grieppandemie van 1918 was waarschijnlijk de eerste waarbij grootschalig isolatiemaatregelen werden toegepast. Dit griepdrama leidde tot een zoektocht naar nieuwe behandelingen. Vanaf de Tweede Wereldoorlog werden op grote schaal griepprikken toegediend.

In de twintigste eeuw werd duidelijk hoe lastig luchtweginfecties te duiden zijn. Verkoudheid en keelontsteking worden meestal door een virus veroorzaakt en gaan vrijwel altijd zonder behandeling over. Longontsteking en bronchitis kunnen zowel door een virus als een bacterie worden veroorzaakt en moeten worden behandeld. Luchtweginfecties die qua symptomen erg op elkaar lijken, kunnen worden veroorzaakt door compleet verschillende virussen. Covid-19 vergelijken met ‘een griepje’ is appels met peren vergelijken.

Epidemieën in de pers

In de negentiende eeuw werd het fundament gelegd voor de ‘statistische natie’. Allereerst was er de opkomst van de wetenschappelijke statistiek. De gemiddelde mens werd voortaan uitgedrukt in een curve en begrepen in relatie tot een ‘normaalwaarde’. Het waren juist medici die zich lang hiertegen bleven verzetten: zij begrepen ziektes liever op individueel niveau en hielden daarbij rekening met levenswandel, moraal en karakter. Desalniettemin werd volksgezondheid een maatschappelijk speerpunt, al waren campagnes van belangengroepen voorlopig nog gericht op ziekten zoals cholera, tyfus, pokken en mazelen, en niet op griep. In de negentiende eeuw investeerden overheid en burgers enorm in de natie als verbindingspunt. Nederland werd omgesmeed tot een gevoelsgemeenschap rond vorst en vaderland. De opkomst van de krant als massamedium speelde in die processen een belangrijke rol.

Wie de kranten uit die tijd onderzoekt, ziet hoe de statistiek langzaam aan terrein wint bij het duiden van ziekte.
Wie de kranten uit die tijd onderzoekt, ziet hoe de statistiek langzaam aan terrein wint bij het duiden van ziekte. Nederlandse kranten krijgen geleidelijk meer belangstelling voor griepepidemieën. Al vanaf het begin van de negentiende eeuw verspreiden kranten verontruste berichten over griepachtige epidemieën: in 1803 heerste ‘eene ziekte, die dezelfde kentekens der griep of influenza heeft, maar veel gedugter in haar uitwerkingen is; zomtyds worden lieden in den tyd van 24 uuren door dezelve weggerukt’ (De nieuwe Haagse Nederlandse courant). De interesse voor de desastreuze effecten van griepepidemieën schiet echt uit bij de ‘Russische griep’ (1889-1890), de Spaanse Griep (1918-1920) en de Amerikaanse griep (1928-1929).

Voorspelling van pandemische en slapende perioden van griepvirussen, door Dr. Masurel van het Regionaal Influenza Centrum voor Nederland van de Wereldgezondheidsorganisatie.

De opkomst en neergang van epidemieën werden in eerste instantie verbonden met het weer en de seizoenen: ‘Waarschijnlijk zal de terugkeer eener heldere en frisse weersgesteldheid ons van dit kwaad verlossen’ (Noord Brabander, 18 februari 1837). Ook werden epidemieën beschreven als een ‘Oosters’ probleem: de ‘Chineese ziekte’ of de ‘Russische griep’. De kranten citeren graag Plinius, die gesteld zou hebben dat alle pest uit het Oosten komt. De Provinciale Noordbrabantsche en ‘s Hertogenbossche courant stelde in 1890 dat de influenza ‘als een wandelende Jood van Zuid tot Noord, van Oost tot West dwaalt’. Griepgolven waren exogene verschijnselen die land voor land dichterbij konden komen. Hoe dat proces precies verliep was onduidelijk.

Echt regelmatige cijfermatige overzichten kwamen er pas met de Spaanse Griep van 1918.
Negentiende-eeuwse kranten begonnen zich al vroeg te interesseren in getallen: veel van de griep- en epidemieberichten vermeldden aantallen zieken en doden. Bij gebrek aan beter gingen die tellingen vaak over deelsectoren als het leger, de kostscholen of de gevangenissen, waar al een metingssysteem was uitgerold. Ook waren veel berichten geografisch beperkt tot een gemeente of regio. De medische statistiek van de negentiende eeuw besloeg in deze berichtgeving dus geenszins de natie als geheel. Pas rond 1900 kregen we hele reeksen, percentages en vergelijkingen tussen landen. Vanaf dat moment werden ook meer statistische concepten als ‘sterftecijfer’ gebruikt.

Echt regelmatige cijfermatige overzichten kwamen er pas met de Spaanse Griep van 1918. Kranten gaven wekelijkse lijsten met sterftecijfers uit de verschillende dorpen en steden. Het aantal beschikbare ziekenhuisbedden werd een graadmeter voor de ernst van de ziekte. Aan voorspellingen waagde niemand zich; verandering werd voorzichtig aangeduid als ‘een daling’ die ‘inzet’. Vooral achteraf konden nationale cijfers worden gepresenteerd en meer systematisch vergeleken, bijvoorbeeld door het Centraal Laboratorium ten behoeve van het Staatstoezicht – voorloper van het RIVM – en het Centraal Bureau voor de Statistiek, opgericht in respectievelijk 1909 en 1899.

Nog lange tijd zou gelden dat de kranten tijdens epidemieën simpelweg niet voldoende, vergelijkbare cijferreeksen hadden om individueel gedrag mee aan te sturen.
De retrospectieve ziekte- en sterftecijfers die deze bureaus begonnen te publiceren waren behulpzaam voor wetenschap en beleid, maar voor de kranten waren ze ‘oud nieuws’. Nog lange tijd zou gelden dat de kranten tijdens epidemieën simpelweg niet voldoende, vergelijkbare cijferreeksen hadden om individueel gedrag mee aan te sturen. Ook ontbraken de mogelijkheden om aantrekkelijke statistische visualisaties op te nemen. Er waren geen meeslepende curves die van dag tot dag of week tot week met spanning konden worden gevolgd.

Eigen schuld

Wat nog het meeste opvalt is dat de pers in de negentiende en twintigste eeuw weinig doet aan opinie- en gemeenschapsvorming. Human interest-artikelen die empathie opwekken komen nauwelijks voor. Kranten zijn nauwelijks kritisch over de betrouwbaarheid of beperktheid van gegevens of over het overheidsoptreden. Er zijn uitzonderingen, zoals het Algemeen Handelsblad, dat in 1889 ‘de Parijsche geneesheeren’ aanklaagt die ‘het publiek niet voldoende ingelicht hebben omtrent den waren aard der griep, die inderdaad niet zoo onschadelijk is, als zij wilden doen voorkomen’. Vervolgens valt de krant uit tegen de ‘besluitelooze hoofdambtenaren’ in Nederland die onvoldoende maatregelen hebben genomen. ‘In ons land heerscht alleen de bureaucratie.’

Bij gebrek aan epidemiologische en statistisch-medische informatie blijft de aanpak de verantwoordelijkheid van het individu. Verspreiding van de griep wordt niet als het probleem gezien, weerstand wel.
Medici en media spelen de bal graag door naar de individuele burger. Het Algemeen Handelsblad uit 1890 vat het bondig samen: ‘indien iemand er aan sterft, (is) het zijn eigen schuld.’ De beste remedie tegen griep is toch de verhoging van het weerstandsvermogen van mogelijke patiënten: ‘reinheid op lichaam, kleeding en woning’, het huis of kantoor flink luchten, een dokter inschakelen als je ziek wordt. Dezelfde houding blijft het devies bij de grote griepepidemieën van na de Tweede Wereldoorlog. Bij de Singaporegriep van 1957 werden wereldwijd scholen, cafés en bioscopen gesloten, in Nederland niet. Bijna trots meldde NRC dat hoewel twee derde van de Surinaamse bevolking ziek was, nog geen enkel bedrijf was gesloten. Vanuit de overheid en gezondheidsinstanties kwamen steeds geruststellende berichten. Zo verzekerde de directeur-generaal van de Volksgezondheid dat er in Nederland niets bijzonders aan de hand was en er geen enkele reden was om aan deze ziekte meer aandacht te besteden dan aan ‘soortgelijke epidemietjes, die ons meestal met een tussentijd van ongeveer twee jaar komen bezoeken’.

Bij gebrek aan epidemiologische en statistisch-medische informatie blijft de aanpak de verantwoordelijkheid van het individu. Verspreiding van de griep wordt niet als het probleem gezien, weerstand wel: ‘De verdedigingsmiddelen waarover wij beschikken zijn gering in getal. (…) In ieder geval kan men trachten die dingen na te laten die de algemene lichamelijke weerstand verminderen.’


Lees ook ‘Vaccinaties, vanzelfsprekend?‘ van Hans Rümke. Nu anti-vaxxers een steeds luidere stem in het publieke debat hebben, is het niet vreemd dat veel mensen met vragen over vaccins zitten: hoe werken ze, waartegen beschermen ze, hoe weten we dat ze veilig zijn?


In een aantal opzichten laat de geschiedenis van het omgaan met griep en (virale) luchtweginfecties in Nederland dus continuïteiten zien met de huidige situatie: de geruststellende toon van de overheid, het aanspreken van de burgers op hun eigen verantwoordelijkheid, en de behoefte om ziekte als catharsis te ervaren – zij het nu op collectieve schaal. Maar er is anno 2020 ook echt iets nieuws aan de hand. De vele cijfers over influenza in de Nederlandse pers van de afgelopen eeuw hebben nooit geleid tot de mobilisatie van een actieve nationale gemeenschap van door de statistiek met elkaar verbonden burgers, die samen de griep bevechten door besmettingen te voorkomen. Wat brengt de omgang met de cijfers over Covid-19 teweeg?

Nederland als statistisch personage

Via de lotgevallen van de nationale curves wordt Nederland tot een personage gemaakt in het dramatische coronaverhaal. Nederlanders kunnen nu massaal meeleven met ‘de zieke natie’. Dit verhaal heeft een nationale moraal: we worden aangemoedigd het vooral samen te doen, ‘volwassen’ en ‘intelligent’. Nederlanders krijgen schouderklopjes als ze het goed doen, een veeg uit de pan als ze zich ‘onverantwoordelijk’ gedragen. Ziekte en dood moeten collectief worden bedwongen en uitgebannen; van aanvaarding en individuele catharsis door lijden is in dit verhaal geen sprake.

‘We’ beleven met elkaar het dagelijkse moment dat de ‘Nederlandse’ RIVM-cijfers vrijkomen, en ‘we’ doen vreselijk ons best om ‘onze’ curve af te vlakken.
Wat Ian Hacking op individueel niveau heeft laten zien – dat mensen de categorieën waarin overheden tellen gaan belichamen en beleven – gebeurt hier op nationale schaal: ‘we’ beleven met elkaar het dagelijkse moment dat de ‘Nederlandse’ RIVM-cijfers vrijkomen, we vergelijken die cijfers met die van andere brandhaarden, en ‘we’ doen vreselijk ons best om ‘onze’ curve af te vlakken. Nederland bestaat ineens in een nieuwe gedaante, als levende coronastatistiek, waarmee alle Nederlanders zich verbonden weten. Een sterk beleefde imagined community.

Dit nationaal-statistische gemeenschapsgevoel biedt troost en motiveert, maar is ook reden tot zorg. Cijfers zijn niet neutraal. Meten is weten, maar ook maken en ‘de maat nemen’, zoals Geoffrey Bowker en Susan Star hebben laten zien in hun klassieke studie Sorting Things Out: Classification and Its Consequences (1999), over de rol van classificatiesystemen en categorisering in moderne samenlevingen. De eenheid waarin we rekenen, wordt al snel een vanzelfsprekende standaard; denk bijvoorbeeld aan het niet testen – en dus niet meetellen – van sterfgevallen door Covid-19 in verpleeghuizen. We zien de keuzes die achter onze tellingen en maatregelen liggen niet meer. Zo ligt achter het als ‘intelligent’ en ‘volwassen’ geframede Nederlandse beleid een dwingend liberaal-moreel uitgangspunt van Nederland als land van vrije, nuchtere, autonome burgers. Kritiek op de betrouwbaarheid van de cijfers of het gevoerde beleid wordt niet gewaardeerd. Bovendien worden verschillen tussen Nederlanders weggemoffeld: thuisblijven en afstand houden is niet voor iedereen even makkelijk. Wie wordt geteld – alleen geteste patiënten – is echter cruciaal. Omdat iedereen zo bezig was om de curve voor ic-plekken af te platten, stonden verpleeghuizen achteraan in de rij voor beschermende middelen. Hun zieken en doden kwamen ook nauwelijks in de RIVM-statistieken terecht, waardoor ze niet werden geprioriteerd.

Het virus trekt zich weinig van grenzen aan.
De keuze voor de natie als kader is beperkend. Het virus trekt zich weinig van grenzen aan. Voor effectief beleid zijn nationale eenheden niet vanzelfsprekend. Internationale samenwerking in de productie en verdeling van schaarse medische middelen lijkt logisch bij een epidemie die niet overal op hetzelfde moment ‘piekt’. Hetzelfde geldt voor de economische consequenties: de bescherming van het nationaal eigenbelang kan op den duur juist desastreus blijken.

De sterke nationaal beleefde statistiek biedt ten slotte een verklaring voor de hoge mate van governmentality (het vermogen van een overheid om mensen aan te sturen) die we zien in deze crisis. Dit vermogen hangt af van de kennis die overheden over mensen kunnen verzamelen. Met macht kun je kennis genereren, waarmee je vervolgens weer macht kunt uitoefenen. De geschiedenis van griepstatistieken laat dat zien: vooral over instituties waar al sterke controle bestond, zoals kazernes of scholen, werden gegevens verzameld. Michel Foucault waarschuwde al dat de behoefte van het individu om gekend te worden, tegelijk de basis vormt voor de macht om te kunnen besturen. De smartphone creëert nu een ongekend niveau van governmentality. Zoals Trudy Dehue heeft laten zien in Betere mensen dromen volksgezondheidsministers er al lang van om biometrische zelfmonitoring te gebruiken voor gezondheidspolitiek.

Een Nokia-nerd is geen goede Nederlander. Dat juist de meest kwetsbare groep van oudere Nederlanders, vaak niet de meest enthousiaste app-gebruikers, zo niet ‘meetelt’, wordt wonderbaarlijk genoeg weinig opgemerkt.
In de coronacrisis komen twee dingen samen: een ongekend snelle dataverzameling en ongekende mogelijkheden om mensen te meten en aan te sturen. Dat stelt de overheid, het RIVM en de pers gezamenlijk in staat om Nederlanders bijna van uur tot uur mee te laten leven met de nationale statistieken. Met die sterke beleving worden Nederlanders doordrongen van het belang zich aan alle maatregelen te houden. Als we straks beschikken over een traceer-app die wordt verbonden met het morele appel van de statistische natie, creëert dit mogelijk een nieuwe normaliteit waarin de niet-gebruiker als asociaal wordt bestempeld. Een Nokia-nerd is geen goede Nederlander. Dat juist de meest kwetsbare groep van oudere Nederlanders, vaak niet de meest enthousiaste app-gebruikers, zo niet ‘meetelt’, wordt wonderbaarlijk genoeg weinig opgemerkt.

Aan de ene kant is de nu ontstane statistisch verbeelde natie functioneel: zij vormt een epidemiologische basis voor nationaal beleid en weet daar burgers zo in te betrekken dat die bereid zijn om verregaande maatregelen te omarmen. Aan de andere kant staat de statistische natie op lemen voeten: ze heeft nog geen geschiedenis. Of beter gezegd: we kennen die geschiedenis nauwelijks. Wat is dan het kompas waarop we kunnen varen? Hoe kunnen we de effecten voorspellen van deze nieuwe ontwikkelingen? Om dat te kunnen doen is het urgent dat we vragen stellen op basis van historische kennis. Daarvoor zal meer onderzoek gedaan moeten worden.

Allereerst moeten we meer weten over de historische omgang van Nederland met epidemieën, in vergelijking met het buitenland: wat heeft ons beleid de afgelopen eeuw gekenmerkt en wat zijn daarvan de epidemiologische, maar ook sociaal-culturele gevolgen geweest? Aangezien elke vorm van natieverbeelding behalve insluit ook uitsluit, moeten we ons nu al heel grondig gaan afvragen wie en wat er buiten de boot van de nationale curve vallen. Een andere kwestie betreft de spanning tussen het ‘overzicht in één oogopslag’ – de curve – en het achterliggende complexe verhaal van ieder cijfer. Hoe meer burgers gaan zien dat cijfers een achterkant hebben – wat en wie wordt er geteld, hoe wordt geteld – hoe meer er ook gevechten over deze statistische verbeelding zullen ontstaan – iets wat we met de klimaatcrisis al hebben zien gebeuren. Hoe kunnen zulke gevechten in goede banen worden geleid, zonder alle wetenschap tot ‘ook maar een opvatting’ te reduceren? Zijn er historische precedenten van zulke gevechten, bijvoorbeeld over andere epidemieën of over werkloosheid en werkgelegenheid, en hoe verliepen die? Zijn er historische precedenten van de traceer-app of andere vormen van zelfregistratie, en wat kunnen we daarvan leren?

Door deze vragen te stellen en te beantwoorden kunnen we toekomstig beleid rondom pandemieën beter schragen, en ons als burgers en beleidsmakers kritisch leren verhouden tot een samenleving waarin nationale curves ineens aan het roer mogen staan.