🆕 Abnormaal, verward, waanzinnig: over een zinloos streven naar controle
🖋 Karlijn Roex

Paul Verhaeghe, Over normaliteit en andere afwijkingen (Prometheus 2019), 112 blz.


‘Schizofreen’, ‘psychotisch’ of ‘verward’: is zo’n term een diagnose of vooral een stigma? Socioloog Karlijn Roex verkent de wirwar van beoordelingen en vooroordelen waar wie buiten de norm valt mee te maken krijgt.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Abnormaal gedrag is overal. Toch zijn we er behoorlijk bang voor. Hoe gaan wij dan om met ‘datgene wat ons vanuit het diepste van ons wezen angst aanjaagt?’, zo vraagt de kritisch psycholoog Paul Verhaeghe ruim een halve eeuw na verschijning van Michel Foucaults klassieker Geschiedenis van de waanzin (1961). Is het niet tijd voor een grote heroverweging van onze omgang met het afwijkende? En hoe kan iemand die ‘abnormaal’ is zich verzetten tegen de angstige, kleinerende normale blik? Die vraag verkent de Amerikaanse romanschrijver Esmé Weijun Wang als ervaringsdeskundige. Deze auteurs stellen urgente vragen. De maatschappelijke omgang met waanzin lijkt namelijk terecht te zijn gekomen in een wilde transformatie en de lange tijd zo invloedrijke Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) verliest aan geloofwaardigheid. Maakt deze stap uit het universum der stoornissen en diagnoses emancipatie mogelijk?

Het diagnosticeren is kapot

Paul Verhaeghe, Over normaliteit en andere afwijkingen (Prometheus 2019), 112 blz.
Paul Verhaeghe, Over normaliteit en andere afwijkingen (Prometheus 2019), 112 blz.
Paul Verhaeghe, Over normaliteit en andere afwijkingen (Prometheus 2019), 112 blz.
Esmé Weijun Wang, The Collected Schizophrenias (Penguin 2019), 224 blz.

In een heldere doorkamming van Foucaults Geschiedenis van de waanzin legt Verhaeghe uit hoe de huidige psychiatrische diagnostische categorieën eigenlijk als een ‘wetenschappelijke schaamlap’ fungeren. Ze verhullen het morele karakter van de psychiatrie, stelt hij. Met de DSM in de hand pretendeert de psychiater objectief en wetenschappelijk te zijn, maar bouwt hij of zij voort op duidingen die niet meetbaar zijn en normatief invulbaar. Verhaeghe noemt vele voorbeelden. Vaak gaat het om gedragingen of emoties die te veel of juist te weinig aanwezig zijn. Maar wanneer is er sprake van een exces en wanneer van een gebrek? Juist door de aanzienlijke afhankelijkheid van normatieve inschattingen krijgen dezelfde personen vaak heel verschillende diagnoses van verschillende medici. Verhaeghe spreekt daarom niet van een ‘diagnostisch systeem’, maar van een ‘beoordelende rubricering’. Hij laat zien dat de DSM eigenlijk een eigentijdse versie is van het laatnegentiende-eeuwse handboek Psychiatrie van Emil Kraepelin, de grondlegger van de medische psychiatrie. Ook dit werk was een poging om abnormaal gedrag als ‘ziek’ te rubriceren. Het bewijs van ziekte en medische remedies voor deze ziekten ontbraken. Met elke nieuwe editie van het handboek werd ook de classificatie steeds omvangrijker, net zoals de DSM steeds meer stoornissen ging omvatten. Verhaeghe vermeldt dat inmiddels ook het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) en Britse collega’s erkennen dat de ‘criteria niet waardenvrij’ zijn, ‘maar veeleer heersende normatieve maatschappelijke verwachtingen’ weerspiegelen.

Wang is iets optimistischer over de zin van diagnostiek dan Verhaeghe. Door haar achtergrond als psycholoog weet zij hoe onbetrouwbaar en subjectief psychiatrische diagnoses zijn. Ze benadrukt echter dat de ontkenning dat er überhaupt psychiatrische aandoeningen bestaan, zoals enkele denkers uit de antipsychiatriebeweging stelden, net zo ongefundeerd is als vastklampen aan één diagnosestelling. Als iemand die zelf de angstgrillen heeft doorleefd van psychotische episodes, van wanen en hallucinaties, kent Wang het lijden en disfunctioneren dat daarmee gepaard gaat. Ze heeft ook ervaren dat er behandelingen zijn die werken. Wangs diagnose voorzag haar zowel van een verklaring van haar klachten als van handvaten, zekerheid en een strategie om zich weer te kunnen herpakken. Hoe eenzaam is de tocht door de woestenij van degene voor wiens psychische lijden geen duiding bestaat, geen erkende behandeling, geen gemeenschap aan lotgenoten, geen voorzieningen en geen onderzoeksgeld? Wangs analyse is niet binair. De erkenning van aandoeningen kan immers ook naar de andere kant doorslaan, stelt ze: psychiatrische aandoeningen worden te vaak overdreven en uitvergroot door de media, waardoor mensen tot hun stoornis worden gereduceerd en gedehumaniseerd. Dat gebeurt helaas ook onder behandelaars, zo kaart ze aan. Niet omdat ze kwade bedoelingen hebben, maar omdat hardnekkige, gangbare stereotypen over bijvoorbeeld psychosegevoelige mensen nog altijd dominant zijn.

Het prille ‘post-DSM-tijdperk

Bauke Koekkoek, De kwestie verwarde personen: naar een andere benadering van onbegrepen gedrag (Lannoo Campus 2019), 176 blz.
Bauke Koekkoek, De kwestie verwarde personen: naar een andere benadering van onbegrepen gedrag (Lannoo Campus 2019), 176 blz.

Abnormaliteit wordt niet alleen maar gevangen in stoornissen of opgevangen in de geestelijke gezondheidszorg. Het begrip is veel breder. Wat de psychiatrie als ‘abnormaal’ beschouwt is na de progressieve antipsychiatrietijd (1960-1990), waarin de cliëntenbeweging opkwam, wat versmald. Zo wordt homoseksualiteit gelukkig niet meer gezien als een psychiatrische aandoening, maar aan wat er buiten de psychiatrie als abnormaal geldt, is niet veel veranderd. Op straat schreeuwen door een dreigende huisuitzetting, of met een ‘onverzorgd’ uiterlijk rondlopen, wildvreemden op straat aanspreken en een heel verhaal beginnen? Dat oncategoriseerbare, ronddolende, afwijkende en onplaatsbare gedrag dat ons confronteert met wat we zijn gaan vrezen aan het leven – de ongrijpbaarheid en het verlies aan controle – moet kennelijk nog steeds geduid en getemd worden.

Waar Verhaeghe en Wang stoppen, gaat Bauke Koekkoek in De kwestie verwarde personen verder. In tegenstelling tot de diagnostische categorieën uit de DSM is de ‘verwardepersonendiscussie’ sterk gebaseerd op cijfers. Maar daarmee wordt de discussie nog niet wetenschappelijk of objectief.
Een verhandeling over normaliteit die zich beperkt tot diagnoses en het psychiatriedomein is tegenwoordig te beperkt. Waar Verhaeghe en Wang stoppen, gaat Bauke Koekkoek in De kwestie verwarde personen verder. In tegenstelling tot de diagnostische categorieën uit de DSM is de ‘verwardepersonendiscussie’ sterk gebaseerd op cijfers. Maar daarmee wordt de discussie nog niet wetenschappelijk of objectief. Verwijst de berg aan politiemeldingen over ‘verward gedrag’ niet simpelweg naar een berg normatieve oordelen? Wie gelden er als ‘verward’ en waarom is ‘verward gedrag’ een probleem? ‘Uiteenlopende groepen proberen de term “verwarde personen” te operationaliseren voor hun eigen situatie – resulterend in sterk verschillende concretiseringen,’ schrijft Koekkoek. Een beleidsonderzoeker schaart ‘bedelen’ en ‘buiten slapen’ onder ‘verward gedrag’. Een psychiater spreekt pas over ‘verward’ als een cliënt totaal gedesoriënteerd is. Het ministerie van Volksgezondheid lijkt iemand ‘verward’ te vinden die ‘kwetsbaar’ is, die moeilijk rond kan komen, niet ‘participeert’, die de dubbelzinnige formulieren van de overheid niet begrijpt, en die misschien daardoor gaat schreeuwen bij het bijstandsloket. Om abnormaal gedrag te ‘managen’, krijgen psychiaters en psychotherapeuten sinds het ontstaan van de ‘verwardepersonenproblematiek’ hulp van politieagenten, burgemeesters, wijkteams, medewerkers van uitkeringsloketten, woningcorporaties en sociaal werkers. Koekkoek stelt dat in nieuwsberichten de meldingen ongedifferentieerd ‘incidenten’ worden genoemd, terwijl zorgprofessionals pas van ‘incidenten’ spreken als er iets heel ernstigs gebeurt. Onterecht wordt hierdoor een beeld gecreëerd alsof er tienduizenden geweldsdelicten zijn gepleegd en het aantal bovendien schrikbarend stijgt, terwijl de geweldscriminaliteit al decennia juist daalt of stabiel blijft.

De term ‘verward gedrag’ roept door alle uitvergrote krantenkoppen over ‘verwarde mensen’ angst op.
Het is op dit moment vrijwel onmogelijk om een goede en overkoepelende term te vinden voor al deze mentale staten of gedragingen die afwijken van een gestelde norm. Er is geen consensus over, ook niet binnen de cliëntenbeweging zelf. Foucault heeft bewust voor de term ‘waanzinnige’ gekozen, omdat deze term er al was voordat de psychiatrie ontstond. De term ‘verward gedrag’ roept door alle uitvergrote krantenkoppen over ‘verwarde mensen’ angst op. Bovendien is de term gebaseerd op de aanname dat wie zich afwijkend gedraagt ook in de war is, een verstoord oordeelsvermogen heeft. In mijn eigen werk heb ik het daarom vaak over abnormaal gedrag. Deze duiding is beschrijvend en niet moreel descriptief of afkeurend. Het is een feit dat mensen van wie het gedrag wordt bestempeld als ‘verward’ of ‘symptoom van een stoornis’ gedrag hebben vertoond dat afweek van bepaalde heersende normen. Deze constatering zou los moeten staan van enig moreel oordeel daarover. Abnormaal gedrag kan schadelijk zijn, wenselijk zijn, of een geheel neutrale waarde hebben – net als normaal gedrag.

De angstige, kleinerende normale blik

Wat als je bij een categorie mensen hoort die wordt gezien als de minst productieve leden van de samenleving, als daklozen en moordenaars? Hoe navigeer je door een wereld die verwacht dat je normaal doet? Wang voert de lezer mee in een zoektocht naar het antwoord op deze vragen. Voor iemand die zoals ikzelf ervaring heeft met gestigmatiseerd worden vanwege abnormaal gedrag is dit pijnlijk herkenbaar. Wij beiden combineren onze gestigmatiseerde abnormaliteit met geaccepteerde rollen, zoals alumnus van een prestigieuze universiteit, ondernemer, auteur en spreker. Wang bespreekt de merkwaardige privileges en marginalisering die bij deze ambivalente rollencombinatie komen kijken. Wie de termen ‘schizofrenie’ of ‘psychotisch’ uitspreekt, roept het onheil al over zichzelf af. Ze beschrijft daarnaast de normatieve vertekening waarmee de Amerikaanse pers verslag doet over schizofrenen en psychosegevoelige mensen, wat sterk overeenkomt met wat we zien in de Nederlandse verwardepersonendiscussie.

Mensen die zichtbaar afwijken zijn kwetsbaarder dan ooit, maar dat komt niet door hun vermeende intrinsieke kwetsbaarheid.
Wang geeft toe dat het voor haar pijnlijk is om naar deze groep met zichtbaar abnormaal gedrag in de publieke ruimte te kijken, omdat deze mensen haar confronteren met een mentale staat die zij zelf vreest. Soms zijn er immers momenten dat zij, midden op een perron, ineens wegduikt voor een duivel die anderen niet kunnen zien. De intense angst die haar vervolgens benauwt, heeft geen betrekking op het gehallucineerde figuurtje. Ze is bang voor de mogelijke oordelen, reacties en vervolgacties van omstanders. Deze zorgen over de normale blik en de bijbehorende vervolgacties worden steeds reëler, zowel in haar staat Californië als in Nederland. In Nederland worden burgers in het kader van de verwardepersonendiscussie aangezet om elkaar te melden. De onheilspellende nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), waarin instanties onder het mom van ‘zorg’ de vrijheid mogen inperken van ggz-cliënten binnen de eigen woning, zet alle deuren wijd open voor machtsmisbruik door nieuwe actoren. Voor politieagenten bijvoorbeeld, die sowieso al een problematische relatie hebben met mensen die zij als ‘psychiatrisch patiënt’ of ‘verward persoon’ zien. Mensen die zichtbaar afwijken zijn kwetsbaarder dan ooit, maar dat komt niet door hun vermeende intrinsieke kwetsbaarheid. Het komt door de samenleving en het machtsarsenaal dat we rondom hen bouwen. Zichtbaar anders-zijn betekent je eigen sociale ondergang.


Lees ook ‘Schrijven aan de afgrond: over ziekte, identiteit en metafoor’ van Maaike Hommes. Hoe kun je het verhaal van een ziekte vertellen? En wat vertelt een ziekte over de persoon die ermee moet leven? Maaike Hommes vroeg zich af hoe auteurs omgaan met die verwevenheid.


De gevolgen van dergelijke angstzaaierij en de dehumaniserende karikaturen van de waanzin zijn immers ernstig. Wang laat zien dat ze zelfs kunnen leiden tot uitsluiting, zoals gedwongen opname in kille instellingen, niet serieus genomen worden, akelige wetten die aan basale mensenrechten tornen (zoals de Wvggz), tot aan zelfs slachtoffer worden van moord. Naast haar gevecht tegen de hardnekkige grillen van haar aandoening zag Wang zich gedwongen te strijden tegen de zogenoemde secundaire effecten: het stigma, de angst om ontmaskerd te worden, de grootschalige maatschappelijke uitsluiting van ‘schizofrenen’, de angst voor onvrijwillige gesloten opname, en ga zo maar door. Hoe hou je jezelf staande als je vrijheid afhangt van het oordeel van anderen die naar je kijken met een normale blik?

Intersecties in de waanzin

Wang maakt ook eindelijk zichtbaar wat zo vaak nog ten onrechte wordt gebagatelliseerd, ook binnen de cliëntenbeweging zelf: de ingewikkelde gelaagdheid van privilege binnen de cliëntenpopulatie, die ook tussen mensen met dezelfde diagnoses nogal varieert. Dat dit erkend wordt, zorgt voor verdeeldheid tussen cliënten. Door openhartig te spreken over haar eigen neiging zich van minder ‘normale’ cliënten te distantiëren, verbreekt Wang een verdelende stilte. Wang trekt Erving Goffmans analyse van informele hiërarchieën binnen de psychiatrische inrichting naar de eenentwintigste eeuw en verrijkt die met een intersectionele blik. Dit houdt in dat ze erkent dat verschillende dimensies van privilege en marginalisering – zoals opleidingsniveau, klasse, afkomst, huidskleur en genderidentiteit – het stigma op abnormaal gedrag verergeren of juist verzachten. Privilege hangt ook af van de diagnosecategorie. Mensen met het etiket ‘depressieve stoornis’ hebben doorgaans meer aanzien dan ‘schizofrenen’, zo lees ik ook in internationale onderzoeken naar stigma. Dit resoneert met de observaties die Wang zelf deed tijdens haar verblijf in een inrichting. Met depressievelingen maakte het personeel nog wel een praatje, de schizofrenen vonden zij moeilijk te benaderen. Het zouden tierende wezens zijn van wie je geen normaal gedrag of begrijpelijke beweegredenen kon verwachten.

Wangs keuze voor het woord ‘comrades’ werkt emanciperend. Met deze term creëert zij een gemeenschap, en stelt ze eigenlijk: ik ben niet vrij zolang de meest gemarginaliseerde leden van onze gemeenschap dat ook niet zijn.
Stigma en privilege hebben alles te maken met de zichtbaarheid van de afwijking van een norm. Sommige mensen kunnen hun psychiatrische diagnoses prima verhullen, doordat de omgeving hun gedrag als ‘normaal’ beschouwt. Deze mensen kunnen zelf beslissen wanneer ze onthullen dat ze ‘schizofreen’, ‘depressief’ of ‘autistisch’ zijn. Dit geldt ook voor Wang: ‘I pass for normal more easily than do my comrades in the schizophrenias.’ Haar keuze voor het woord ‘comrades’ werkt emanciperend. Met deze term creëert zij een gemeenschap, en stelt ze eigenlijk: ik ben niet vrij zolang de meest gemarginaliseerde leden van onze gemeenschap dat ook niet zijn. Wang bevestigt de verhalen die ik wel vaker heb gehoord binnen de cliëntenbeweging: degenen die ‘normaler’ doen in de inrichting, komen daar sneller uit en krijgen gedurende het verblijf een betere behandeling. Dat betekent dus dat het niemand in de inrichting vrij staat om zijn abnormale zelf te zijn.

Het meeste last van die onvrijheid, zowel in inrichtingen als in de samenleving, hebben de talloze mensen die niet in staat zijn ‘normaal’ te doen. Het zijn de mensen die abnormaal doen, ook op momenten waarop ze hun eigenaardigheden liever zouden camoufleren, zoals bij een sollicitatie of op de werkvloer. Het kan gaan om een bepaalde mimiek, intensiteit van oogcontact, of manier van groeten en afscheid nemen die de normale meerderheid afdoet als ‘gebrekkige sociale vaardigheden’. Het gaat om spreekstijlen die volgens normale opvattingen ‘incoherent’ en ‘chaotisch’ zijn, of die in klinische taal als ‘restsymptomen’ bekendstaan. Het gaat om af en toe dichtklappen, paniekaanvallen hebben, ‘autistisch’ wapperen met de handen. Volgens gangbare opvattingen kunnen degenen die dit gedrag vertonen geen wetenschappelijk onderzoekers zijn, of secretaresses, trainers, loketmedewerkers, administratief medewerkers of kelners. Het zouden bovendien mensen zijn die plotseling agressief kunnen gaan doen, zoals we lezen in de kranten. Beide vooroordelen stelt Wang aan de kaak.

Een structurele neiging vanuit de arbeidsmarkt om mensen die hun abnormale gedrag niet willen of kunnen verhullen uit te sluiten, wordt door psychiaters met een duiding als ‘slecht functioneren’ afgeschoven op het individu.
Psychiaters gebruiken een betaalde baan als de belangrijkste indicator van ‘goed functioneren’ bij hun cliënten, schrijft Wang. Op die manier is opnieuw een normatieve aanwijzing van ‘goed functioneren’ ontstaan, en geen medische. Het is geen aanwijzing van jouw mentale gezondheid, maar eerder van de mate waarin jij in deze samenleving als ‘normaal’ wordt gezien. Een structurele neiging vanuit de arbeidsmarkt om mensen die hun abnormale gedrag niet willen of kunnen verhullen uit te sluiten, wordt met een duiding als ‘slecht functioneren’ afgeschoven op het individu. Het individu moet worden ‘genezen’ of ‘behandeling’ krijgen om normaal genoeg voor werk te zijn. Als collega’s schrikken van het afwijkende gedrag, is degene die afwijkt het probleem. Die moet dan het veld ruimen en eindigt kansloos op de arbeidsmarkt. De betrokkene zal telkens weer collega’s angst aanjagen en daardoor worden uitgestoten, in plaats van dat wordt stilgestaan bij de bron van die angst: het steeds fragielere idee van normaal.

De vooroordelen zijn ongelofelijk wijdverbreid, zo weet ik zowel uit onderzoek als uit eigen ervaring. Desalniettemin wordt onze werkloze steeds maar weer aangezet om te blijven zoeken naar werk vanuit de uitkerende instantie die besloten heeft dat de samenleving mensen met een ‘psychische kwetsbaarheid’ moet ‘destigmatiseren’ en dat deze mensen dus ‘arbeidsgeschikt’ zijn. Ik zie het in de Nederlandse participatiemaatschappij helemaal voor me. Deze specifieke groep werkzoekenden zit vast in een spagaat tussen een werkgever die stigmatiseert en een uitkeringsinstantie die opportunistisch ‘destigmatiseert’, en moet het hopeloze pad tegen beter weten in steeds maar weer opnieuw blijven bewandelen. Zoals Verhaeghe treffend constateert: de samenleving ‘veroorzaakt haar eigen afwijkingen’, juist omdat ze de normaliteit zo dwingend laat heersen over alle ‘verhoudingen tussen haar leden’.

Bevrijden uit de normale blik

Wat kan ons bevrijden uit de dwingende verwachtingen van de normale blik? Verhaeghe stelt provocatief ‘dat de DSM-diagnostiek de belangrijkste psychiatrische diagnose van onze tijd niet vermeldt: de ons opgelegde normaliteit’. We blijven maar koortsachtig proberen te voldoen aan een smalle, neoliberale definitie van succes en productiviteit, en als dit niet lukt, wijten we dat aan onszelf en praten we onszelf een hoop ellende aan.

Prestatiedrang wordt ‘niet normaal’ genoemd, symptoom van een ‘zieke’ samenleving. Met dit semantische trucje omzeilen we de noodzaak van een diepe introspectie van het normale; het onwenselijke noemen we simpelweg ‘abnormaal’ en ‘ziekelijk’. Want de normaliteit moet kennelijk het domein blijven van alles wat moreel juist is.
Verhaeghe pleit voor een gelijkwaardige, kritische heronderhandeling over wat ‘normaal’ zou moeten inhouden, maar het is de vraag of dit daadwerkelijk de hoognodige uithaal is naar de normaliteit zelf. Opnieuw zal er dan een abnormaal domein blijven bestaan dat wordt onderworpen aan de brandende normale blik. Door het verwerpelijke aan de status quo te ‘psychiatriseren’, plaatsen we neigingen of praktijken die als ‘normaal’ gelden maar die ons niet aanstaan, zoals de prestatiedrang en moraliserende categorisaties, maar gemakshalve buiten de normaliteit. Prestatiedrang wordt ‘niet normaal’ genoemd, symptoom van een ‘zieke’ samenleving. Met dit semantische trucje omzeilen we de noodzaak van een diepe introspectie van het normale; het onwenselijke noemen we simpelweg ‘abnormaal’ en ‘ziekelijk’. Want de normaliteit moet kennelijk het domein blijven van alles wat moreel juist is. Is het niet tijd om de normatieve hiërarchie tussen het normale en het abnormale op te heffen? Er is een grote diversiteit aan neigingen en praktijken die al decennia of eeuwen genormaliseerd zijn. Sommige hiervan zijn wenselijk en andere onwenselijk – net zoals er vele ‘afwijkende’ neigingen en praktijken bestaan die wenselijk of onwenselijk kunnen zijn. Normaliteit lijkt een dogma dat maar weinig zegt over de ethische houdbaarheid van gedragingen.

De bevrijding uit de normale blik is vooral de strijd van degenen die er het hardste door worden getroffen. Wang heeft zich weten te verhouden tot de normale blik door middel van het concept ‘weaponized glamour’ van de zwarte feminist Chaédria LaBouvier: het politieke inzetten van esthetiek, van stijl om dehumaniserende vooroordelen te ontkrachten. ‘Fashioning normalcy’, noemt Wang dit in haar eigen context. In haar eigen strategie en die van een door haar geïnterviewde voorzitter van een lokale cliëntenbeweging komt kleding terug als een ‘intimidatietactiek’: hier ben ik, neem mij serieus. Maar is assimilatie, ‘normaldressing’, zoals ik het zou willen noemen, hier wel de echte weg naar emancipatie?

Als ervaringsdeskundig auteur die op voltijdse basis stigma’s wil ontkrachten, herken ik het dilemma dat Wang omschrijft. Hoe ontkracht je het door journalisten, een geïnterviewde politieagent, of een buurtbewoner geschetste beeld dat ‘verwarde personen’ niet kunnen oordelen over zichzelf? Dat deze mensen zichzelf kwijt zijn? Er niet bij zijn met hun hoofd? Dat tegenspreken klinkt als een soort bagatelliseren en gebrekkig probleembesef – misschien ook wel bij jouzelf. Het antwoord dat Wang formuleert geeft me veel hoop:

I recognize the ability to make a choice: to reject an image or perception of what my experience of schizophrenia looks like. (…) I (…) can’t presume the experience of someone whose complicated humanity is now accessible only through anecdotes of “the problem child,” “the nightmare” (…).

De bevrijding begint wanneer abnormaal haar eigen verhaal gaat vertellen, zichzelf gaat definiëren, of normale partijen dat nu toelaten of niet.