🆕 Het water komt eerder, verder en hoger
🖋 Steven van Schuppen

Rutger Bregman, Het water komt: een brief aan alle Nederlanders (De Correspondent 2020), 208 blz.


Het water stijgt sneller dan we dachten, waarschuwt Rutger Bregman in zijn essay Het water komt. Steven van Schuppen vraagt zich af of Bregmans wake-upcall wel ver genoeg gaat. Want veilig samenleven met het water vereist meer dan wakkere burgers, het is een waterstaatkundige uitdaging van formaat.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Het water komt eerder, verder en hoger dan klimaatwatchers tot voor kort voorspelden, aldus historicus en opiniemaker Rutger Bregman in zijn recente pamflet Het water komt. Met zijn boek wil hij de inwoners van onze kwetsbare delta flink wakker schudden, maar hij geeft weinig aanknopingspunten voor de vraag hoe en vooral waar vervolgens te handelen. Gezien de onheilspellende dreiging is de verleiding maar al te groot om te vervallen in de valse romantiek van de onverstoorbare en vastberaden waterstaatsingenieur. De vraag is echter of het niet beter zou zijn om te streven naar een respectvol samenspel met de zee en de natuur, in plaats van naar overheersing. Is het in dit verband niet raadzaam om al voor te sorteren op een nieuwe ruimtelijke orde met verdere landinwaartse verstedelijking?

Meebewegen of verdedigen

Rutger Bregman, Het water komt: een brief aan alle Nederlanders (De Correspondent 2020), 208 blz.
Rutger Bregman, Het water komt: een brief aan alle Nederlanders (De Correspondent 2020), 208 blz.

Bregman is niet de eerste die de grote kwetsbaarheid van Nederland voor een versnelde zeespiegel aan de orde stelt. Hij is wel een van de eersten die het probleem onder de aandacht van een breder publiek probeert te brengen, en daarvoor verdient hij lof. Dat hij daarbij dankbaar gebruikmaakt van dierbare nationale heldenverhalen rondom de succesvolle strijd tegen het water zij hem vergeven, zolang die het zicht op de zaak zelf maar niet in de weg staan. Het is wel de vraag of hij met zijn bewondering voor de geestelijk vader van de Deltawerken, de waterstaatkundige Johan van Veen, niet een belangrijke factor over het hoofd ziet. De Zuiderzeewerken en de Deltawerken gelden immers onder ecologen als de twee grootste nationale milieurampen van de twintigste eeuw, zoals ook Bregman en passant snedig opmerkt.

Over de beste manier om Nederland ook voor een periode na 2050 tegen het water te beschermen wordt onder beleidsmakers en wetenschappers verschillend gedacht. Daarbij zijn grofweg twee kampen te onderscheiden. Het ene kamp zet vooral in op de strategie van het (met name landinwaarts) meebewegen met het water, het andere op een offensieve bescherming van de kust tegen de stijgende zee. De implicaties van beide benaderingen worden systematisch afgewogen in de vorig jaar verschenen verkenning Strategieën voor adaptatie aan hoge en versnelde zeespiegelstijging van het gerenommeerde Delftse waterstaatkundige instituut Deltares.

In zijn pamflet geeft Bregman het eerste kamp de meeste ruimte. Hij gaat over deze benadering in gesprek met diverse onderzoekers, zoals de Utrechtse hoogleraar Maarten Kleinhans, die zich als geoloog bezighoudt met rivieren en delta’s, en met Marjolijn Haasnoot, een van de schrijvers van het Deltares-rapport. Maar over de consequenties van dergelijke meebeweegstrategieën voor landschap, samenleving en ruimtelijke ordening worden we uit Het water komt niet veel wijzer, terwijl het debat over de watertoekomst van Nederland juist daarover zou moeten gaan.


Lees ook ‘Naar een heroïek van de terugtocht‘ van Steven van Schuppen. De tijd is rijp voor een kentering in het denken over onze relatie met het wassende water. Van Schuppen doet een aanzet tot een planologie van de eenentwintigste-eeuwse Wüstung.


Het tweede kamp komt er al helemaal bekaaid van af met een ultrakort gesprek met de als overenthousiast geportretteerde Delftse hoogleraar waterbouw Bas Jonkman. Bregman durft vervolgens in de staart van zijn verhaal niet te kiezen tussen de twee kampen, maar spreekt wel al te graag op plechtige toon over nieuwe Deltawerken die ‘niet alleen uit dammen, dijken, bruggen en eilanden’ bestaan, ‘maar óók (uit) zonnepanelen en windmolens, flitstreinen en megabatterijen’. En dan volgt – o wonder – een lijst van vrome milieugedragstips, even behartigenswaardig als voor de hand liggend. Het pamflet gaat uit als een nachtkaars. Amen. Einde van de dagsluiting van drs. Bregman.

Dramatische wateroverlast

Zo ontwijkt Bregman vragen die aan de kern van het waterdebat in Nederland raken. We kunnen bijvoorbeeld onmogelijk ontkomen aan de uiterst onaangename vraag of we er misschien niet verstandig aan doen al de komende decennia radicaal te anticiperen op een dramatische, versneld optredende wateroverlast. Steeds meer wijst erop dat die trend zich doorzet, zelfs als we keurig netjes binnen de energietransitienormen van het Klimaatakkoord van Parijs blijven. In de ruimtelijke ordening is het gebruikelijk een planningstermijn van vijfenzeventig jaar te hanteren, de gemiddelde afschrijvingsperiode voor gebouwen. Dan ligt het niet voor de hand om ons te blijven concentreren op een verdere bebouwing in een waterstaatkundig steeds precairder wordende Randstad Holland. Die zou rond 2100 door wateroverlast wel eens in een volledig onmogelijke situatie terecht kunnen komen. (1)

In de lage kustgebieden in het westen zou meer ruimte moeten komen voor de luimen van het water en veel minder voor verdere verstedelijking. Zoiets is vloeken in de kerk van Randstad Holland.
We moeten hier dus simultaan minimaal twee sporen volgen: een beleid dat en duurzaam is en ruimte biedt voor de nodige klimaatadaptatie. Dat eerste spoor – het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen – staat inmiddels volop in de belangstelling, en terecht. Het tweede spoor – klimaatadaptatie en meebewegen met het water – zou echter de nodige extra aandacht kunnen gebruiken; hier lijkt nu nog een onevenredig groot taboe op te rusten. Dat is alleszins begrijpelijk, want meebewegen met het water zou bij een doorzettende klimaatverandering wel eens een rigoureuze ruimtelijke herinrichting van ons land kunnen vergen. In de lage kustgebieden in het westen zou meer ruimte moeten komen voor de luimen van het water en veel minder voor verdere verstedelijking. Zoiets is vloeken in de kerk van Randstad Holland, ook wel bekend als de ‘Deltametropool’. En dat terwijl de Randstadlobby het de laatste jaren toch al steeds moeilijker heeft gekregen. Al vier jaar geleden waarschuwde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli, een belangrijk adviesorgaan van de Rijksoverheid) in het adviesrapport Mainports voorbij niet alle kaarten te zetten op Schiphol en de Rotterdamse haven.

Decennialang heeft Nederland de rampzalige weg van de minste weerstand bewandeld, op ecologisch, economisch en ruimtelijk vlak. Op ecologisch vlak door de plicht te verzaken om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en onvoldoende te anticiperen op klimaatadaptatie. Op economisch vlak door economieën buiten de Randstad stiefmoederlijk te behandelen. Zo heeft bijvoorbeeld de hightechsector in en om Brainport Eindhoven zichzelf geheel op eigen kracht moeten ontwikkelen en kreeg het pas afgelopen decennium erkenning van de hogepriesters van de Deltametropool. Op ruimtelijk vlak door het (gebrek aan) beleid van de Rijksoverheid, die de regie uit handen gaf. Hierdoor dreef Nederland willoos mee op het tij van de de door bio-industrie gedicteerde landschapsontwikkeling en van Schiphol en de Rotterdamse haven, de twee Randstedelijke troetelmainports. Waterstaatkundig gezien was het ruimtelijkeordeningsbeleid van de overheid bijziend, en dat is helaas nog steeds zo.

Verder kijken

Wie ecologisch, economisch en waterstaatkundig verder durft te kijken, moet fundamentele keuzes maken, niet alleen op korte of middellange termijn, maar ook voor de rest van de eeuw.
Wie ecologisch, economisch en waterstaatkundig verder durft te kijken, moet fundamentele keuzes maken, niet alleen op korte of middellange termijn, maar ook voor de rest van de eeuw. Dat moet leiden tot een ruimtelijke ordening waarin nu al wordt voorgesorteerd op het verleggen van verstedelijking naar regio’s die waterstaatkundig minder kwetsbaar zijn en die nu al hun plaatsje onder de economische zon hebben bemachtigd, zoals Brainport Eindhoven. En er zijn meer steden en streken die geschikt zijn voor verstedelijking, dankzij hun strategische ligging aan de ‘Drooglijn’ die van zuidwest naar noordoost door het land loopt: van Breda via Den Bosch, Nijmegen en Arnhem, Utrecht, Amersfoort en Zwolle naar Groningen. (2) Ten noordwesten daarvan zal het water meer en meer de agenda bepalen, terwijl de situatie ten zuidoosten daarvan beter te controleren zal zijn. Die Drooglijn zou heel goed de goudkust van de (late eenentwintigste) eeuw kunnen worden. Zwolle, Assen en Groningen hebben in dit verband zeker potentie: Zwolle als schakel met de stedendriehoek Enschede-Münster-Osnabrück, Assen en Groningen in de relatie met Oldenburg en Bremen.

Zo nodigt de strategie van het meebewegen uit om verder te kijken, niet alleen in ruimtelijk-geografische zin, maar ook en vooral wat betreft levenshouding en -visie. Een houding die mogelijkheden biedt om nieuwe inzichten en technieken te paren aan een intuïtief respect voor een natuur waarin de mens slechts één schakeltje is, en zeker geen directeur of rentmeester.

Noten

(1) Zie de discussie hierover in de uitzending van Buitenhof van 6 oktober 2019, in het bijzonder het pleidooi van planoloog en vroegere directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving Maarten Hajer om een planningstermijn van zeker vijfenzeventig jaar te hanteren met het oog op een versnelde zeespiegelstijging.
(2) Zie voor meer over de ‘Drooglijn’ Steven van Schuppen, ‘Naar een heroïek van de terugtocht’, in De Nederlandse Boekengids 2019#2, en ‘Exercities voor de grote ruimtelijke transformatie… voor, op en achter de Drooglijn,’ op dubbelkrimp.nl.