Femma en de karikatuur van Hans Calmeyer
Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira

Els van Diggele, Het raadsel van Femma: prooi van een mensenredder (De Geus 2020), 192 blz.


Hans Calmeyer besliste tijdens de bezetting in gevallen van twijfel over Joodse afstamming. Hij beschikte daarmee over het lot van veel joodse Nederlanders, van wie hij een opvallend aantal wist te redden. Het leverde hem onder meer een Yad Vashem-vermelding op. Toch knaagt de twijfel. In Els van Diggele’s Het raadsel van Femma treffen we Calmeyer als opportunistsch roofdier. Te eenzijdig, vindt Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira, die Van Diggele’s lezing ahistorisch en eenzijdig vindt. Wat voegt Van Diggele’s lezing volgens d’Oliveira wél toe aan ons begrip van Calmeyers handelen, en wat niet?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#5

Tijdens de bezetting was de Duitser Hans Calmeyer hoofd van de kleine Dienststelle die belast was met de beoordeling van twijfelgevallen over al dan niet Joodse afstamming. In april-mei 2020 werd het nooit geheel verstomde debat over zijn rol nieuw leven ingeblazen. De ene bijdrage daartoe was een aan Angela Merkel gerichte petitie van meer dan tweehonderdvijftig ‘prominenten’. Hierin verzochten zij haar om geen financiële bijdrage te leveren aan een in Osnabrück in te richten Friedenslabor zolang dat de naam zou moeten dragen van Hans Calmeyer. (1) De andere bijdrage was het verschijnen van een boek van historicus Els van Diggele (*) over Femma Swaalep, die Auschwitz overleefde en daar naar eigen zeggen terecht was gekomen door toedoen van Calmeyer. Bovendien maakte Alfred Edelstein in samenwerking met Van Diggele een veelbekeken documentaire over Swaaleps leven. De levensgeschiedenis van Femma Swaalep, waarin Calmeyer als de villain in the piece wordt afgeschilderd, gaf extra kracht en publiciteit aan de petitie.

Over Calmeyer is in de loop der jaren een hele vracht aan literatuur bij elkaar geschreven. Het beeld dat daaruit oprijst, is niet ondubbelzinnig, en dat zal het ook niet makkelijk worden. Daarvoor is zijn rol te omstreden. Enerzijds is hij op het schild gehesen als mensenredder, anderzijds is hij verguisd als een roofdier dat onbarmhartig vele mensen als prooi de dood injoeg. Hij werd geëerd als Rechtvaardige onder de Volkeren – met een postume Yad Vashem-onderscheiding, een ereburgerschap en andere onderscheidingen van zijn geboorteplaats Osnabrück –, maar ook neergezet als iemand die zich om zijn eigen hachje te redden op een plek in het bestuur van de Duitse bezetter nestelde waar hij kon en moest schalten und walten over het lot van duizenden burgers in Nederland door te beslissen of ze al dan niet behoorden tot ‘het Joodse ras’.

Els van Diggele, Het raadsel van Femma: prooi van een mensenredder (De Geus 2020), 192 blz.
Els van Diggele, Het raadsel van Femma: prooi van een mensenredder (De Geus 2020), 192 blz.

Vaststaat dat hij zich door vriendjespolitiek heeft laten parachuteren als hoofd van de Entscheidungsstelle, en dat hij daar beslissingen heeft genomen op ruim 5.000 dossiers, waarvan hij het merendeel in gunstige zin besliste. Petra van den Boomgaard rekende in 2019 voor dat van alle mensen die in beroep kwamen bij de Entscheidungsstelle 71% de oorlog heeft overleefd (tenminste 3.313 van de 4.670 personen; sommigen met een negatieve beslissing). (2) In de tijd dat de Entscheidungsstelle operationeel was – van februari 1941 tot augustus 1944 – werd tenminste 63% van de verzoeken gehonoreerd. Dat zijn hoge cijfers, zeker als je je bedenkt dat Calmeyer in toenemende mate op zijn vingers gekeken werd door andere instanties: de Sicherheitspolizei, de Sicherheitsdienst, Reichssicherheitshauptamt en andere in Duitsland zetelende instanties, Nederlandse NSB-genealogen en de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Bij al deze instanties groeide het wantrouwen tegen de volte van de Calmeyer-lijsten, die mensen (voorlopig) van transport vrijwaarden. Ook moet niet uit het oog verloren worden dat Calmeyer al een klein jaar aan zijn werkzaamheden bezig was toen de anderhalf uur durende Wannseeconferentie (eerder een dictaat) van 20 januari 1942 plaatsvond, waarna de Endlösung door de daar aanwezige Eichmann over Europa uitgerold werd. (3) Wel had Seyss-Inquart al op 3 maart 1941 onheilspellende antisemitische dreigementen uitgebazuind.

Els van Diggele beschrijft in haar boek de wrede lotgevallen van een jong meisje, Femma, dat, vermalen tussen talrijke ongelukkige beslissingen en omstandigheden, in Auschwitz ‘terechtkwam’, het overleefde, maar die de last van deze traumatische gebeurtenissen tot op de huidige dag met zich mee heeft moeten dragen. Van Diggele schrijft haar levensgeschiedenis met veel inlevingsvermogen en sympathie op, en stelt daar een pikzwart beeld van Calmeyer tegenover: Femma is de prooi die door deze opportunistische levensgenieter niet losgelaten wordt, terwijl dat wel had gemoeten. Het boek eindigt dan ook met het verslag van het verzet van Femma’s familieleden in Osnabrück tegen de naamgeving van het Friedenslabor.

Graag wil ik het zwarte beeld dat Van Diggele van Calmeyer schetst wat bijstellen aan de hand van de in het geding gebrachte documenten en mijn kanttekeningen daarbij. Het gaat dan met name om de notitie die Calmeyer maakt van een gesprek dat hij op 20 juli 1944 voerde met de vader van Femma. Ik meen dat het beeld dat Van Diggele boetseert al te eenzijdig uitvalt en dat zij aan de hand van één – met vooringenomenheid bestudeerd – dossier een historisch oordeel over Calmeyer velt. Ik onthoud me hier van een algemeen oordeel over Calmeyer, en beperk me tot diens rol in Femma Swaaleps leven.

De casus

Femma Sophie Swaalep wordt op 28 februari 1928 geboren in het CIZ (de Centrale Israëlietische Ziekenverpleging, Jacob Obrechtstraat 92). Haar juridische ouders zijn de Joodse Anna van der Linden en Salomon Swaalep, die in 1918 waren getrouwd. In feite is Femma het natuurlijke, in dubbel overspel verwekte kind van de niet-Joodse glazenwasser en nog getrouwde Albertus Reijgwart. Sinds 1926 leven de echtelieden Swaalep niet meer met elkaar, maar er is nog wel een redelijke verstandhouding. Juist dat schept de omstandigheden die een eerste slag toedienen aan de toekomst van Femma: zij wordt met instemming van de glazenwasser op 1 maart 1928 door Swaalep bij de burgerlijke stand aangegeven als zijn kind, en ze krijgt bovendien als eerste voornaam de naam van Swaaleps moeder. Mogelijk heeft (valse) schaamte een rol gespeeld bij deze regeling. Wie kon bevroeden hoe zwaar deze verbloeming zou gaan tellen?

Het is kennelijk niet doorgedrongen dat het hier om biologie gaat en niet over de burgerlijke stand.
De tweede slag komt als op grond van de verordening 6/41 iedereen moet opgeven hoeveel Joodse ouders en grootouders men bezit. De ongelukkige biologische vader gaat met de beste bedoelingen maar fataal met het formulier voor zijn kind aan de slag. Hij vult als Femma’s achternaam Swaalep in, en meldt dat ze (dus) vier Joodse grootouders heeft: twee van moederszijde, en twee aan Swaaleps kant. Wat hem ertoe bewogen heeft is onduidelijk; de verklaring is in overeenstemming met de geboorteakte, maar in strijd met de biologische waarheid. Het is – begrijpelijkerwijs – kennelijk niet doorgedrongen dat het hier om biologie gaat en niet over de burgerlijke stand. Hoewel Reijgwart Femma wel degelijk als zijn bloedeigen kind beschouwt en liefheeft, duwt hij haar met deze juridisch juiste maar biologisch valse aanmelding eind juni 1941 de afgrond in.

Als dan enige tijd later de razzia’s beginnen, dringt langzamerhand het besef door hoe levensgevaarlijk de aanmeldingen van vrouw en dochter zijn. Vol empathie beschrijft Van Diggele de spijt en de wroeging. (p. 82) Albertus zal de meldingsplicht beschouwd hebben als een formaliteit, te vergelijken met de verlenging van een motorrijbewijs (p. 63):

Een dergelijke administratieve fout is gewoonlijk relatief makkelijk te herstellen, en dat zou moeten gebeuren om Femma uit de klauwen van de Duitsers te houden. Om haar in Nederland te laten blijven moeten Anna en Albertus haar onder de naam van Reijgwart zien te krijgen, maar zoiets eenvoudigs lijkt nu bijna onmogelijk. (p. 83) (…) Femma’s veiligheid is in gevaar door één enkel papiertje waarop Salomon Swaalep haar vader is. (p. 87)

Al deze inlevende gedachten miskennen dat het helemaal niet gaat om een papiertje, een onschuldige administratieve fout of de simpele verlenging van een rijbewijs, maar om Nederlands afstammingsrecht en de zuiverheid van de registers van de burgerlijke stand – en bovendien om het parallelsysteem van het Duitse bezettingsrecht dat draait om biologische afstamming, ras en kerkelijke gezindheid. Die twee stelsels interfereren met elkaar op een ingewikkelde manier. De vaststelling van ras wordt ondersteund door de vaststellingen naar Nederlands recht omtrent de afstamming. Bewijs tegen de uitkomsten van het Nederlandse recht is wel toegelaten, en deels kan dat voortkomen uit precies datzelfde Nederlandse recht, maar daarnaast is er speelruimte vanuit de verordening 6/41. Daarnaast kunnen leugen en bedrog, falsificaties en doorgestoken attesten natuurlijk een rol spelen.

Het normatieve denken is de façade waarachter het konkretes Ordnungsdenken zijn eigen gang gaat.
Daarbij is het ook van belang dat het Duitse systeem, ook zoals het in Nederland door de bezetter is geïmporteerd, uit twee componenten bestaat: enerzijds een klassiek regelsysteem met algemene normen, zoals de verordening 6/41, anderzijds het konkretes Ordnungsdenken. Deze door Carl Schmitt geïntroduceerde rechtstheorie, die gretig door de nazi’s is omarmd, vormt een soort midden tussen de toepassing van algemene, abstracte regels enerzijds en op willekeur berustende individuele beslissingen anderzijds. (4) Deze tussenpositie, waarbij geprobeerd wordt de kloof tussen Sein en Sollen te overbruggen, levert in de praktijk weer haar eigen willekeur en beslissingsvrijheid op. (5) De wel – bijvoorbeeld door de mede door Yad Vashem-geëerde advocaat Jaap van Proosdij – aan Calmeyer toegeschreven wispelturigheid en grilligheid zijn mogelijk deels terug te voeren op het konkretes Ordnungdenken waarvan het nationaalsocialistische rechts is doortrokken. Bij dit tweeledige stelsel is het normatieve denken de façade waarachter het konkretes Ordnungsdenken zijn eigen gang gaat.

Het verloop, deel 1

Als het bij de familie Reijgwart daagt dat Femma’s aanmelding grote gevaren voor haar in zich bergt – ze staat te boek als voljoodse terwijl ze in feite via haar moeder volgens de nazi’s halfjoods is, zij het naar joods-orthodoxe leer volledig joods – komt die in actie. Reijgwart meldt zich bij de vooraanstaande advocaat Povel, de voorzitter van de Amsterdamse Praktizijnsbibliotheek, die ook andere zaken bij Calmeyer heeft lopen en niet ‘deutschfreundlich’ is.

Mr. Povel zal wel hebben onderzocht of het niet mogelijk was, naar Nederlands recht, om Femma op naam van haar verwekker te krijgen. Hoe zat het Nederlandse recht in die tijd in elkaar? Net als in talloze andere rechtsstelsels was en is het uitgangspunt dat de echtgenoot van de moeder als juridisch vader wordt beschouwd (Pater est quem nuptiae demonstrant). Een belangrijke reden voor dit op het oog vanzelfsprekende arrangement is dat het voor de samenleving in beginsel onwenselijk geacht wordt om te pas en te onpas overspeligheden op te rakelen, precies de reden waarom Salomon Swaalep Femma als zijn kind aangeeft. Die formeel-juridische afstamming heeft ook allerlei gevolgen. Zo krijgt het kind een erfrechtelijke positie, en ook de achternaam van de vader. Die status kan niet zomaar even aan het loket veranderd worden. Daar was en is veel meer voor nodig.

Het zal wel duidelijk zijn geweest dat in die action en désaveu geen brood meer zat, ook niet bij een welwillende rechtbank.
Onder strikte voorwaarden was het wel mogelijk dit rechtsvermoeden van vaderschap aan te tasten. De echtgenoot kon zich erop beroepen dat hij niet in de buurt van zijn vrouw was op het moment van de verwekking. Daarnaast kon hij de wettigheid ontkennen als het kind overspelig is en de echtgenote de geboorte voor haar man verborgen heeft gehouden. Alleen de bedrogen echtgenoot (en zijn erfgenamen) kon de actie instellen, en dan nog maar gedurende een korte periode van een à twee maanden na de geboorte of na het blijken van het bedrog. Een en ander kon dus niet eventjes via het loket van de ambtenaar van de burgerlijke stand, maar door het instellen van een vordering bij de rechtbank. Het zal de advocaat Povel duidelijk zijn geweest dat in die action en désaveu geen brood meer zat, ook niet bij een welwillende rechtbank. De uitspraken van vriendelijke rechtbanken werden trouwens door het Duitse binnenlandse bestuur ook gewantrouwd. (6)

Vandaar dat hij een andere route koos en adviseerde een verklaring bij de notaris af te leggen, en dat gebeurde dan ook op 30 september 1942. Echtgenoot Swaalep verklaart dat hij niet de vader van Femma is, en al zeventien jaar lang geen relatie meer met haar moeder Anna heeft. Anna ontkent eveneens Swaaleps vaderschap en wijst Reijgwart als vader aan, die dat plechtig beaamt. Nu ziet zo’n notariële akte er wel serieus en plechtig uit, met lakzegel en stempels, maar het is niet zo dat de notaris ook instaat voor de juistheid van de verklaringen. De notaris noteert. En verder doet de akte niets af aan de geboorteakte; die wordt daardoor niet geraakt of veranderd.

Calmeyer is het die, zoals Van Diggele het overdreven formuleert, ‘Femma Arisch moet verklaren’.
Niettemin wordt de notariële akte op 19 oktober 1942 opgestuurd naar de Entscheidungsstelle, samen met een aantal andere bescheiden, zoals de geboorteakte, de trouwakte, uittreksels uit het bevolkingsregister en foto’s die de familiegelijkenis tussen Femma en Reijgwart moeten aantonen. Povel verzoekt Femma als halfjoodse op Calmeyers Sperrliste te plaatsen en vraagt aandacht en begrip voor het late verzoek door deze eenvoudige, laagopgeleide mensen. Calmeyer is het die, zoals Van Diggele het overdreven formuleert, ‘Femma Arisch moet verklaren’ (p.88). In feite is ze voor nazibegrippen halfjoods.

Ruim een week later, op 27 oktober 1942 wordt Femma op een Calmeyer-lijst geplaatst, omdat haar zaak nog wordt onderzocht. Dat levert een voorlopige vrijwaring van deportatie op. Stoorzender is Jacob Lentz, de overijverige directeur van de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters, die namens Friedrich Wimmer, de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz, op 30 oktober aan de advocaat meedeelt dat Femma ‘blijft geregistreerd als afstammeling van vier Joodse grootouders (J)’. Ja, hangende de procedure bij Calmeyer blijft haar status ongewijzigd; het is geen beslissing op haar herzieningsverzoek.

Het verloop, deel 2

Negen maanden later komt die beslissing van Calmeyer. Het is 24 juli 1943 als deze schrijft dat Femma op de Zurückstellungsliste geplaatst blijft in afwachting van nader onderzoek. De notariële akte kan hem nog niet volledig overtuigen, strijdig als die is met de geboorteakte, waarvoor aangifte is gedaan door haar wettelijke vader Swaalep, en het aanmeldingsformulier. Bovendien is ze vernoemd naar de moeder van haar wettelijke vader. Tegen al die aanwijzingen uit officiële documenten moet er dus aanvullend erfelijkheidsonderzoek plaatsvinden. Ben ik een advocaat van de duivel als ik meen dat dit binnen het systeem een redelijke beslissing is? Tegenover een overmacht aan officiële stukken staan alleen ongesubstantieerde verklaringen van de betrokkenen en een paar buren. Toch houdt Calmeyer de mogelijkheid open dat de kaarten anders liggen, en dat moet biologisch onderzoek uitwijzen. Valt uit dit besluit af te leiden, zoals Van Diggele doet, dat Calmeyer ‘zich niet om haar lijkt te bekommeren’? Dat hijnieuwe blokkades’ voor haar opwerpt? (p. 94/95) Volgens mij is het tegendeel het geval. In een situatie waarin op verzoekers de bewijslast rustte dat de situatie afweek van wat zij zelf oorspronkelijk en bij herhaling hadden verklaard, wierp Calmeyer geen blokkades op, maar zocht hij naar uitwegen. Hij handelde overeenkomstig een beslissingsschema dat zich gaandeweg ontwikkeld had. In veel gevallen heeft hij zich daarbij willens en wetens wat op de mouw laten spelden; dat kan men gerust sabotage noemen. Hier ging het om een dossier zonder bedrog, maar met flinke aanwijzingen voor het tegendeel, waar hij niettemin openingen bood.

Calmeyer richtte geen blokkades op, maar zocht naar uitwegen.
Nu Femma op de Rückstellungsliste staat is het mij een raadsel hoe schrijfster kan uitroepen: ‘Hoe Anna en Femma alle razzia’s hebben doorstaan is een raadsel.’ (p. 97) Dat raadsel geldt voor Femma’s moeder, die zich verstopte in het keukenkastje en bij de buren, maar niet voor haarzelf: zij had immers een Sperre.

Een volgende wanhoopspoging komt van de moeder: ze gaat eindelijk scheiden van Salomon Swaalep. Dat zal de kansen van Femma misschien vergroten, en bovendien kan ze dan haar concubinaat omzetten in een huwelijk met Reijgwart. Het is tragisch om achteraf vast te stellen dat de verstekechtscheiding, op 24 juni 1943 door de Amsterdamse rechtbank uitgesproken, overbodig was, omdat Salomon Swaalep op dat moment al in Auschwitz vermoord was, en het huwelijk dus al door de dood was ontbonden. Overigens zou de echtscheiding niet veel gewicht in de schaal gelegd hebben. Daarmee wordt Swaaleps wettelijk vaderschap niet tenietgedaan. Ook gescheiden en dode vaders blijven vaders.

Lentz laat niet los. Hij vogelt uit sinds wanneer volgens het Amsterdamse bevolkingsregister Swaalep en zijn vrouw gescheiden zijn gaan wonen. Dat blijkt al in 1927 zijn beslag gekregen te hebben, voor Femma’s geboorte, en voor haar verwekking. ‘Eindelijk heeft Lentz zwart op wit dat Femma mag blijven leven.’ (p. 100) Dat is veel te kort door de bocht. Het is een aanwijzing, meer niet. Naar Nederlands recht had dat apart wonen aanleiding kunnen geven tot ontkenning van het vaderschap, maar de termijn daarvoor was allang verstreken. Lentz krijgt dit bericht uit Amsterdam op 27 november 1943.

Verandering van inzicht zal het mededelen van de scheiding niet teweeg gebracht hebben: het ging tenslotte om ‘ras’.
Maar inmiddels heeft Calmeyer al een definitieve beslissing genomen. Op 25 oktober 1943 heeft hij besloten Femma van de lijst te schrappen. Uit de motivering, zoals door Van Diggele weergegeven, blijkt dat hij toch meer geloof heeft gehecht aan de consistente opgaven door Swaalep (1928) en Reijgwart (1941). De notariële akte waarin in alle toonaarden wordt verklaard dat Femma een dochter van Reijgwart is beschouwt hij als ongeloofwaardig.

In het algemeen werden door de Entscheidungsstelle notariële verklaringen die verder niet werden ondersteund, als onvoldoende beschouwd. (7) Calmeyer weet nog niet dat Femma’s wettelijke ouders inmiddels formeel gescheiden zijn, en al helemaal niet dat Salomon intussen vermoord is. Van Diggele noemt dat ‘administratieve verwarring’. (p. 101) Ik zou zeggen: waarom hebben zij niet aan Calmeyer laten weten dat ze waren gescheiden? De rechtbank noch de burgerlijke stand had de verplichting de echtscheiding door te geven aan de Entscheidungsstelle. Moeder Van der Linden was officieel onvindbaar, dus het had op de weg van Reijgwart gelegen om de echtscheiding te melden. De glazenwasser heeft dat waarschijnlijk niet beseft. En, nogmaals, verandering van inzicht zal deze mededeling niet teweeggebracht hebben: het ging tenslotte om ‘ras’.

Het verloop, deel 3

Wat ontbreekt in de beslissing is het eerdere besluit dat er een erfbiologisch onderzoek moest worden ingesteld om duidelijkheid te scheppen. Was dat opeens overbodig geworden? Nee. Om iets van deze omissie te begrijpen is het nuttig de context te beschrijven. Op 19 januari 1943 had niemand minder dan Seyss-Inquart bepaald dat de geldigheid van alle Sperren zou komen te vervallen per 30 juni 1943. Daarmee zou ook alle bescherming die ze boden wegvallen. Maar wat zou dat betekenen voor de dossiers die nog in procedure waren? Dat waren er (zoals Van Diggele ook meldt) in juni 1943 nog 1081. In elk geval dwong dat besluit van de hoogste autoriteit Calmeyer tot versnelde afhandeling en dat kan tot slordigheid geleid hebben. Bovendien werd het aannemelijker dat zijn (gunstige) beslissingen herzien zouden worden door de SIPO en de SD, ondanks zijn verzet daartegen. De externe druk op de Entscheidungsstelle vanuit de SIPO en de SD nam vanaf de zomer van 1943 toe, en dat resulteerde in versnelde en meer negatieve beslissingen. Dat neemt niet weg dat de Entscheidungstelle tot de zomer van 1944 bleef doorwerken, en zelfs ook nog nieuwe verzoeken in behandeling nam.

Wie stelt, moet bewijzen. De verzoekers hadden dus niet moeten afwachten of Calmeyer een onderzoek liet instellen, maar waren zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van de resultaten van dat onderzoek.
Maar er is nog een andere reden waarom niet meer teruggekomen werd op het erfbiologisch onderzoek, namelijk de bewijslast die op verzoekers drukt. Zij zijn het die moeten aantonen dat de aanmelding onjuist is. Wie stelt, moet bewijzen. De verzoekers hadden dus niet moeten afwachten of Calmeyer een onderzoek liet instellen, maar waren zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van de resultaten van dat onderzoek. Weliswaar kon ook Calmeyer zelf opdracht tot zo’n onderzoek geven, en dat deed hij met name als de autoriteiten twijfelden aan de juistheid van de aanmelding, maar meestal waren het toch de verzoekers die getuigen-deskundigen inschakelden. (8) Een flink aantal antropologen werd door cliënten ingeschakeld om onderzoek te verrichten, en daarbij vaak de resultaten met kunst- en vliegwerk in gunstige zin te buigen. Een van hen was Arie de Froe, de latere rector-magnificus van de Gemeente Universiteit Amsterdam. (9) In het geval van Femma zijn er bij mijn weten door de familie geen stappen ondernomen om zo’n attest uit te lokken. Bij ontbreken van zo’n attest – van doorslaggevend belang, zeker als dat moet opboksen tegen eerder zelfgeschapen, tegenstrijdige documenten – was er, juridisch gesproken, alle ruimte om afwijzend te beschikken. Verzoekers slaagden er niet in om antropobiologisch bewijs te leveren tegen de officiële documenten. De advocaat Povel was inmiddels kennelijk buiten beeld geraakt, en zelf hebben zij in hun eenvoud niet beseft dat zij aan zet waren.

Een achtergrondkwestie was het lot van de gemengd gehuwden en de halfjoden. Dat bleven de hele oorlog hete hangijzers voor de Duitse machthebbers. Lang is er sprake van geweest dat ook zij uitgestoten en vermoord dienden te worden in verband met de zuiverheid van het ‘Arische ras’. Het is er niet van gekomen, maar ook in dat opzicht was Femma haar leven als halfjoodse niet zeker. Hetzelfde gold voor Femma’s moeder, als ze op tijd, voor de bezetting met haar nieuwe man was getrouwd, wat ze pas na de oorlog deed. Ze was dan gemengd gehuwd geweest en had op die manier, naar achteraf bleek, de dans kunnen ontspringen, zonder te hoeven onderduiken.

Femma was intussen onbeschermd en werd op 6 januari 1944 weggehaald. Ze werd afgevoerd naar Westerbork, waar ze tot begin maart bleef, om vervolgens doorgestuurd te worden naar Bergen-Belsen, waar ze tot juni overleefde. Vandaar werd ze naar eigen zeggen van juni tot augustus opgesloten in de gevangenis van Hannover, en tenslotte van augustus 1944 tot eind februari 1945 in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Op miraculeuze wijze overleefde ze deze verschrikkingen, al zou ze daar de rest van haar lange leven de gevolgen van blijven ondervinden.

Revisie?

Maar het thuisfront zat niet stil. Met hulp van een Duitssprekende buurvrouw richtte vader Reijgwart zich op 1 mei 1944 opnieuw tot Calmeyer. Op advies van zijn huisarts vroeg hij in een lange brief om een bloedonderzoek. Alsnog dus het aanbod om een begin van afstammingsbewijs te leveren. Een advocaat kon hij waarschijnlijk niet betalen; mr. Povel was nergens meer te bekennen. Bijna per kerende post kreeg hij antwoord van Calmeyer. Deze beschouwde de brief als een hernieuwd verzoek en zag geen nieuwe gezichtspunten; het moest bij de eerdere beslissing blijven.

Reijgwart maakte op Calmeyer een Italiaanse indruk, en zag er in elk geval ‘völlig unniederländisch’ uit.
Reijgwart liet het er niet bij zitten. Met secondanten (zijn broer en schoonzus, en de Duitssprekende buurvrouw) reisde hij medio juli naar Den Haag. Ze mochten, ondanks de herhaalde ongunstige beslissing, de zaak nog een keer bij Calmeyer bepleiten; een soort hoger beroep bij dezelfde instantie. Dat Calmeyer bereid was de delegatie te ontvangen getuigt niet van grote onwelwillendheid, mede in het licht van de grote externe druk waaraan hij inmiddels was komen bloot te staan. ‘Waarschijnlijk voelt Calmeyer de hete adem van de SD in zijn nek’, aldus Van Diggele. (p. 109) Desondanks ontving hij Reijgwart c.s.

Over het onderhoud maakte hij een puntsgewijze notitie die in facsimile is afgedrukt in het boek, en daarom ook voor mij controleerbaar. Hoe geeft Van Diggele de notities weer? Zij schrijft:

Onverschrokken probeert Calmeyer nu ook de Arische Albertus een Joodse achtergrond aan te meten, waarmee hij ook hem in levensgevaar brengt: ‘er hat Gesichtszüge die jüdische Abstammung nicht ausschliessen. (…) das vorgelegte Foto des Reygwarts ist nicht treffend weil es die jüdischen Merkmale nicht zeigt.’

Maar Reijgwart maakte op hem ook een Italiaanse indruk, en zag er in elk geval ‘völlig unniederländisch’ uit. Van Diggele suggereert dat Calmeyer er met zijn gedachten niet bij is als hij deze notitie maakt; hij is al met andere dingen bezig. Inderdaad lopen de activiteiten van de Entscheidungsstelle op hun eind, en bovendien is het de dag van de mislukte aanslag op Hitler.

Wat Van Diggele niet weergeeft is de indruk die Calmeyer van Reijgwart kreeg.
Vervolgens merkte Calmeyer op dat op de foto’s inderdaad een gelijkenis te bespeuren valt tussen Reijgwart en Femma. Dat lijkt een flinke stap in de goede richting. Die gelijkenis is ‘unverkennbar’ en dat brengt Calmeyer tot de constatering dat ook andere foto’s de mogelijkheid toelaten dat ‘trotz der nicht unjüdischen Züge der Tochter der sehr seltene Typ des Reychwarts sich in ihr wiederholt haben können’.

Onder het facsimile van de notitie staat als samenvatting door de schrijfster: ‘Calmeyer bestempelt de katholiek Albertus als Jood.’ Dat is een bijna moedwillig eenzijdige voorstelling van zaken, en bovendien heeft het katholicisme van Reijgwart niets met de kwestie te maken: er waren ook Joodse katholieken.

Wat Van Diggele niet weergeeft uit de notitie is de indruk die Calmeyer van Reijgwart kreeg: die ‘macht einen ehrlichen und redlichen Eindruck’. Hij vergeleek dan niet alleen de foto’s in het dossier van vader en dochter, maar ook de vader in levenden lijve met de foto’s van de dochter, en vond de gelijkenis onmiskenbaar, ondanks de Joodse trekken van Femma. Hij is dus door de bocht, mede op grond van de gunstige indruk die hij van de persoon van de glazenwasser had. Maar dat past niet in de kraam van Van Diggele.

Zij vat samen:

Ziehier het resultaat van Albertus’ bezoek aan Den Haag. Calmeyer probeert in het belang van de tot instituut verheven nationaalsocialistische hobby Femma’s joodse afstamming te bewijzen door van de katholieke Albertus een Jood te maken. (…) Dacht Calmeyer die hiermee ook Albertus in gevaar kan brengen, een wit voetje te halen bij zijn superieuren door zich als Jodenvervolger voor te doen? (p. 109/110)

Ik vind dit, nogmaals, een eenzijdige samenvatting. Zeker, Calmeyer suggereert Joodse trekken bij vader en dochter, maar accepteert nu ook voor het eerst dat ze op elkaar lijken, en dat daar ook een erfelijk verband tussen kan bestaan. Naast de suggestie van Joodsheid van Reijgwart was er ook de gissing dat de glazenwasser Italiaanse roots had, een vermoeden dat een sterker accent krijgt doordat Calmeyer spreekt van het ‘sehr seltene Typ’ van de vader, wat wel niet slaat op de eventuele Joodse inslag. Ik zie hier allerminst een poging om zowel de dochter als de vader erbij te lappen om in een goed blaadje te komen. Wat betekent het anders dat Calmeyer, ondanks de enigszins Joodse trekken van Femma, familiegelijkenis met de dan dus niet-Joodse Reijgwart ontwaart?

Maar nu komt er daar bovenop een belangrijk gat in het relaas van Van Diggele. Zij laat het laatste deel van de notitie van Calmeyer volledig onbesproken. Daar staat het volgende:

3. (…)

Ohne Gutachten des Dr. Piebenga nach Heranziehung auch der gesetzlichen Eltern ist eine Klarstellung nicht mit Überzeugungskraft herbeizuführen.

4. Die Dienststelle wird prüfen weshalb Prüfling in Celle sich befindet, evtl. für Verbleib in Celle bis zur Gegenüberstellung eintreten.

Frl. Slottke würde anzurufen sein, da das Reichssicherheitshauptamt evtl auf Vorstellung der N.S.B. die Vergünstigung der Verbringung nach Celle angeordnet hat.

4 Bilder wurden zu den Akten genommen.

Hier staat dus dat Calmeyer alsnog bereid was om een attest van dr. Piebenga in te winnen, omdat de afstamming anders niet met overtuigingskracht kon worden vastgesteld. Hij bleef hier dus bij zijn eerdere oordeel, zij het dat hij nu, bij het uitblijven van de door verzoeker aangebrachte attesten, en zonder dat er nieuwe feiten zijn aangevoerd, zelf opdracht wilde geven tot zo’n onderzoek. Dat is in dit stadium allesbehalve onwelwillend. Wat de praktische betekenis was van zijn inzet is een andere kwestie.

Wat moeten we ons voorstellen bij Celle? Dat is mijns inziens een eufemisme voor Bergen-Belsen, op vijfentwintig kilometer ten noorden van het stadje Celle op de Lüneburgerheide.
Wel noemde hij helaas dr. Piebenga als degene die het onderzoek moest voltrekken. Harald Tjittes Piebenga (1907-1981) was rassendeskundige, gepromoveerd op de antropologie van de bevolking van Urk. Hij werkte in 1939 in de Wieringermeer nog samen met Arie de Froe, zij het dat De Froe later een heel andere afslag nam. Piebenga was eugeneticus, en dus voor sterilisatie en het kweken van een biologische elite. Bovendien was hij sinds 1941 lid van de SS en een vurige antisemiet. Ludo ten Cate, de Nederlandse NSB’er en sibbekundige die ook Calmeyer op de vingers keek, had Piebenga aangetrokken voor erfbiologisch onderzoek. Calmeyer nam zo nu en dan Ten Cate in de arm om Piebenga in te schakelen voor erfbiologische attesten. ‘Geen van de rapporten van Piebenga’, aldus Van den Boomgaard, ‘kende een voor de verzoeken positieve uitkomst‘. (10) Na de oorlog is hij drie jaar geïnterneerd geweest. De aanwijzing van Piebenga als deskundige beloofde dus niet veel goeds. Mogelijk had Calmeyer Reijgwart alsnog kunnen opdragen zelf een expert in de arm te nemen.

Maar verder nam Calmeyer zich voor om zich eventueel sterk te maken (eintreten) voor verder verblijf van Femma in ‘Celle’, teneinde de confrontatie bij het erfbiologisch onderzoek mogelijk te maken. Hij wil ook weten hoe ze daar terecht is gekomen. Wat moeten we ons voorstellen bij Celle? Dat is mijns inziens een eufemisme voor Bergen-Belsen, op vijfentwintig kilometer ten noorden van het stadje Celle op de Lüneburgerheide, waar Femma kennelijk geacht werd zich in die tijd te bevinden. In feite zat ze op de datum van de notitie volgens haar eigen verklaring in de gevangenis in Hannover, zo’n vijftien kilometer verder naar het noordoosten. Calmeyer wilde dus doorgaan met het erfbiologisch onderzoek, ook al bevond Femma zich al in het concentratiekamp. Ze moest daar blijven tot het onderzoek, waarvoor alle betrokkenen zich beschikbaar moesten stellen, voltrokken was. (Dat zou lastig gaan, want Salomon Swaalep was al omgebracht, en moeder Anna was ondergedoken en onvindbaar. Alleen Reijgwart was beschikbaar.)

Ten slotte wilde Calmeyer de beruchte Fräulein Slottke van de afdeling IVB4 (Zentralstelle für jüdische Auswanderung) van de SIPO en SD opbellen om te vernemen hoe het nu precies zat met de mogelijk geprivilegieerde positie van Femma in Celle. Was de NSB in het spel?

In het licht van deze notities valt naar mijn mening niet vol te houden dat Calmeyer ‘de man (was) die aan Femma’s gang naar Auschwitz zijn fiat heeft gegeven’, zoals Van Diggele beweert. (p. 205) En ook niet dat die in juli 1944 ‘afwijzend’ had beschikt. (p. 124) Integendeel.

Slotopmerkingen

Ik wil niet speculeren waarom Van Diggele het laatste deel van de notitie van Calmeyer niet in haar beschouwingen heeft betrokken. Het fragment is minstens zo essentieel als het eerste deel, waarin Calmeyer de familieverwantschap met de niet-Joodse Reijgwart leek te willen accepteren. Maar het is een historische blunder die goed uitkomt in haar betoog, dat er immers op gericht is om een zwart beeld van Calmeyer te schetsen en vol te houden dat hij er alles aan gedaan heeft om Femma te verdelgen.

Femma was niet een ‘prooi’ die in de handen, pardon, ‘klauwen’ van een rücksichtslose Jodenjager viel, zoals Van Diggele stelselmatig aanvoert. Haar tragische lot is het resultaat van een groot aantal factoren die in elkaar grijpen en niet aan één iemand toe te schrijven zijn. Ik ben het eens met Van Diggele als zij (overigens in het kielzog van Van den Boomgaard) opmerkt dat laagopgeleide, arme mensen bij al dan niet door mensen veroorzaakte rampen stelselmatig de hardste klappen krijgen. Of het nu de Titanic betreft, of vliegtuigongelukken, epidemieën, volksziekten, het is steevast de onderklasse die het meest te lijden heeft. Dit is een algemeen en onuitstaanbaar structureel fenomeen, dat zich ook in deze zaak doet gelden.

Femma was niet een ‘prooi’ die in de handen, pardon, ‘klauwen’ van een rücksichtslose Jodenjager viel, zoals Van Diggele stelselmatig aanvoert. Haar tragische lot is het resultaat van een groot aantal factoren die in elkaar grijpen en niet aan één iemand toe te schrijven zijn.
In het lot van Femma kwam dit fenomeen tot uitdrukking in een aantal onhandige zetten die haar uitgangspositie uiterst zwak maakten: de geboorteaangifte in 1928 door de Joodse man van haar Joodse moeder, met een voornaam naar diens moeder, waarop door haar biologische vader blindelings werd voortgeborduurd, met opgaaf van vier Joodse grootouders en met vermelding van een Israëlitisch kerkgenootschap. Natuurlijk konden zij niet bevroeden hoe ernstig de consequenties van deze opgaven waren, en hoe moeilijk te weerleggen. Maar zo lagen de kaarten toen het erom ging spannen. Verzoeken om wijziging bij de Entscheidungsstelle vielen in een beoordelingsschema, dat het bewijs van de foutheid van de aanmelding in handen van de verzoekers legde, waarbij een verklaring, neergelegd in een notariële akte, zonder overtuigend steunbewijs niet geloofwaardig of niet doorslaggevend geacht werd. Al dan niet toebehoren tot het Joodse ‘ras’ was een biologische kwestie, waarvoor verklaringen van de betrokkenen niet volstonden. Had Swaalep de wettigheid van Femma op tijd ontkend bij de rechtbank, dan had de zaak er gunstiger voorgestaan. Wel had Reijgwart haar dan nog niet kunnen erkennen zolang hij nog getrouwd was, maar dan had hij toch als de overspelige verwekker te boek gestaan in een rechterlijke uitspraak. Naar Nederlands recht bleef zij voor en na de wettige dochter van Swaalep.

De Entscheidungstelle stelde zich stelselmatig in verscheidene uitspraken op het standpunt dat erfbiologisch onderzoek noodzakelijk was om de afstamming op te helderen. Zo’n onderzoek is er niet gekomen. Aanvankelijk niet omdat verzoekers geen attest inwonnen. In feite waren er flink wat antropobiologen die een gunstig attest voor hun rekening wilden en durfden te nemen, in dit geval zonder enig risico. Misschien heeft Reijgwart niet begrepen dat dit op zijn weg lag, misschien had hij er de financiën en connecties niet voor, maar in feite bleek hij niet in staat om die antropologische bewijzen aan te voeren. Vandaar dat het verzoek voor afwijzing in aanmerking kwam.

Niettemin was Calmeyer bereid om gehoor te geven aan hernieuwde smeekbeden; hij had geen boodschap aan het rechtsbeginsel Lites finiri oportet (Eens moet er een eind aan het geding komen). Het eerste verzoek wees hij af omdat er geen enkel nieuw gezichtspunt werd aangevoerd, er was geen ‘novum’. Desondanks ontving hij alsnog de vader van Femma, op een moment dat zijn positie al flink was ondermijnd en zijn lijsten überhaupt dreigden te worden opgedoekt. De Sperren platzen. Hij was voornemens zelf een erfbiologisch onderzoek in te stellen toen Reijgwart niet in staat bleek dat naar voren te brengen. Door het bezoek raakte hij ervan overtuigd dat Reijgwart wel degelijk de vader van Femma zou kunnen zijn. Om onderzoek daarnaar mogelijk te maken wilde hij bewerkstelligen dat zij kon blijven waar ze zich op dat moment bevond. Dat onderzoek is er niet meer van gekomen, en waarschijnlijk zou dat, uitgevoerd door Piebenga, ook niet gunstig zijn uitgevallen, maar dat staat niet op het conto van Calmeyer. Hij heeft er kennelijk ook niet meer bij Slottke voor gepleit om Femma met het oog op de confrontatie in ‘Celle’ te laten blijven. Zijn rol was zo goed als uitgespeeld, de Entscheidungsstelle was opgedoekt.

Van Diggele portretteert Calmeyer als een man die er op uit was om Femma te vernietigen, en die het uiteindelijk alleen maar ging om zijn eigen welzijn, zonder enig mededogen te hebben voor de slachtoffers van zijn beslissingen.
Op basis van het voorgaande ben ik van mening dat het boek van Van Diggele tendentieus en eenzijdig is. Het portretteert Calmeyer als een man die er op uit was om Femma te vernietigen, en die het uiteindelijk alleen maar ging om zijn eigen welzijn, zonder enig mededogen te hebben voor de slachtoffers van zijn beslissingen. Haar empathie met het lot van Femma, waartoe de auteur het volste recht heeft, levert een omgekeerd evenredige antipathie op tegen Calmeyer. Daarbij verliest de auteur enigszins uit het oog dat de Entscheidungsstelle te maken had met meer dan 5.500 gevallen ter beoordeling, en niet alleen met Femma. Zo creëert Van Diggele door een eenzijdige, onvolledige, en daardoor onbillijke beschrijving van één treurig geval een beeld van Calmeyer met de pretentie dat dat van toepassing is voor zijn hele doen en laten op de Entscheidungsstelle.

Calmeyer was zeker geen heilige. Zonder precies te weten wat hem te wachten stond, heeft hij door zijn connecties aan te boren een veilig baantje in Den Haag bemachtigd, met alle bijkomende voorrechten. Toen duidelijk werd wat zijn taak zou zijn, heeft hij niet van zijn privilege afgezien; hij heeft zich niet naar het oostfront laten sturen in plaats van zich verantwoordelijk te laten maken voor beslissingen over leven en dood van andere mensen. Op de hem toegewezen Dienststelle heeft hij vele positieve beslissingen genomen, meer dan tweederde van degenen wier dossier werd beoordeeld heeft het er levend vanaf gebracht. Was er een fanatieke nazi als diensthoofd aangesteld, dan zou dat desastreus zijn uitgepakt. Talrijke vormen van bedrog, falsificaties en twijfelachtige attesten liet hij door. Zeker, binnen de lijnen van Verordening 6/41, maar wat had men anders verwacht? Die lijnen gaven nog ruim baan voor eigen invulling. Hij heeft ook een groot aantal negatieve beslissingen genomen, vaak met fatale gevolgen. Zijn beslissingsruimte werd in de loop van de bezetting steeds kleiner; zijn lijsten moesten steeds korter en korter worden (11), en hadden ook steeds minder praktische gevolgen. Een predator was hij niet, en ook geen nazi.

Als Van Diggele de Duitse jurist en CDU-afgevaardigde Middelberg, die een monografie over Calmeyer heeft geschreven, de maat neemt, merkt zij op: ‘Deze jurist heeft oog voor bewijsvoering en procedure, maar mist de bredere open blik van een historicus die Femma insluit en Calmeyer zou doorgronden.’ (p. 258) Het is alsof zij zichzelf op het oog heeft als de bedoelde historicus. Naar mijn mening toont zij zich met dit boek als een historicus met een smalle blik en met te weinig oog voor bewijsvoering en procedure, voor de rol van de slachtoffers en hun sociaaleconomische omstandigheden, alsook voor de organisatorische en bureaucratische context waarin Calmeyer opereerde. Op basis van de feiten kan moeilijk anders geconcludeerd worden dan dat Calmeyer in de zaak van Femma niet het roofdier met de klauwen was, maar iemand die zijn boekje tot ver in juli 1944 aanzienlijk te buiten ging en zich ervoor inzette om in dit, van begin af aan heilloze, dossier van Femma nog iets goeds te bewerkstelligen.

Noten

(1) Aanvankelijk was ik niet geneigd om de petitie te ondertekenen (zie mijn bijdrage in Het Parool, 2 juni 2020). Bij nader inzien en na discussie met opstellers van de petitie heb ik mij toch laten overtuigen: Calmeyer was niet zwart, maar ook niet wit genoeg om hem te eren met de naamgeving van het Osnabrücker Friedenslabor. Mijn dank gaat uit naar de waardevolle kanttekeningen van Willem van Bennekom, Jaap Cohen en Jan van Ophuijsen op een eerdere versie van de tekst.
(2) C.P. van den Boomgaard, Voor de nazi’s geen Jood: hoe ruim 2500 Joden door ontduiking van rassenvoorschriften aan de deportaties zijn ontkomen (UvA-DARE 2019).
(3) Bij politieverhoor op 1 juni 1960 vertelt Eichmann: ‘(…) ich habe zum ersten Mal in meinem Leben auf einer solchen Konferenz, an der derart hohen Funktionäre wie Staatssekretäre teilnahmen, teilgenommen, das geht eben sehr ruhig, sehr freundlich, sehr höflich und sehr artig und nett zu und es werden nicht viele Worte gemacht, es dauert auch nicht lange, es wird ein Cognac gereicht durch die Ordonnanzen und dann ist die Sache eben vorbei.’ Met deze woorden werd beslist over de moord op zes miljoen joden.
(4) ‘Recht (sei) nicht auf ein abstraktes Sollen normativer Setzungen bzw Postulate oder auf arbiträre Entscheidungen gegründet, sondern in den dem dualistischen Auseinanderreissen von Sein und Sollen vorausliegenden konkreten Lebensordnungen und überpersönlichen Institutionen der geschichtlich-sozialen Wirklichkeit.’ (Carl Schmitt, Über die drei Arten des Rechtswissenschaftlichen Denkens. Hanseatische Verlagsanstalt, 1934). Waarbij zij aangetekend dat het abstrakte, formele, normatieve door Schmitt en vele ander Nazi-juristen wordt afgewezen mede omdat dit een Joodse uitvinding zou zijn.
(5) Een van de voormannen van het nationaalsocialistische Strafrecht uit de Kieler Schule, Georg Dahm, beschouwt de wet als ‘Ausdruck einer wesenshaften Lebenswirklichkeit, der lebendigen Ordnung des deutschen Volkes und des Führerbefehls’ en geeft, mede in verband met de omhelzing van Husserl’s Wesensschau ruim baan aan ideologie en willekeur. Cf. Kai Ambos, Nationalsozialistisches Strafrecht. Kontinuität und Radikalisierung (Nomos, 2019), p. 109.
(6) Zie de brief van Seijffert van het Commissariaat-Generaal voor Bestuur en Justitie aan Calmeyer in juni 1942, die wijst op het gemak waarop vastgesteld wordt dat mensen niet tot een joods kerkgenootschap behoren, omdat het bestuur van die kerkgenootschappen bij de rechtbank geen verweer voeren (verstek laten gaan) en dus het niet-lidmaatschap in rechte vaststaat. (Van den Boomgaard, p. 334)
(7) Van den Boomgaard, p. 376. Tussen de eerste helft van 1943 en eind augustus 1944 werd ongeveer 40% afgewezen; in de periode oktober 1943-augustus 1944 nam het aantal inwilligingen af, maar dat kan deels verklaard worden uit de sterke verhoging van het aantal beslissingen waaruit geen afwijzing of inwilliging kan worden afgeleid.
(8) Van den Boomgaard, p. 335 en p. 557-569.
(9) Zie bv. H. U. Jessurun d’Oliveira, (red.) Ontjoodst door de wetenschap. De wetenschappelijke en menselijke integriteit van Arie de Froe onder de bezetting (AUP, 2015).
(10) Van den Boomgaard. p. 568.
(11) Een duidelijk voorbeeld is de Portugezenlijst. Calmeyer was er zelf van overtuigd dat de Sefardische joden naar ras geen Joden waren, en zette ze allemaal op zijn lijst. Door druk van buiten werd die lijst steeds kleiner. Uiteindelijk werd hij herroepen: de kleine 200 overgebleven ‘zuivere’ Portugezen, waaronder mijn grootouders, werden allemaal op bevel van Rauter op 1 februari 1944 weggehaald en in Westerbork door SS’ers als Aust en Zöpf, die de pest had aan Calmeyer, gekeurd en ‘Untermenschen’ bevonden. Via Theresienstadt werden de meesten in Auschwitz omgebracht. Vgl. Jaap Cohen, De onontkoombare afkomst van Eli d’Oliveira. Een Portugees-Joodse familiegeschiedenis (Querido, 2015) p. 417-….