Het Vondelpark, de Kaaistoep en de stedelijke flora: over het nut van amateurwetenschappers voor biodiversiteitsonderzoek
Jelle Reumer

Ton Denters, Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine 2020, 448 blz.


De rol van de citizen scientist voor de biologische inbreng kan niet onderschat worden, weet bioloog en voormalig directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam Jelle Reumer. Het regenwoud moge dan spannend klinken, voor interessante vondsten hoef je niet ver. Wat dacht je bijvoorbeeld van de Aphaereta vondelparkensis, een Amsterdamse sluipwesp? Twee boeken over stadsflora en -fauna.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Ton Denters, Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine 2020, 448 blz.
Ton Denters, Stadsflora van de Lage Landen, Fontaine 2020, 448 blz.

Afgelopen juni vermeldde ieder zichzelf respecterend nieuwsmedium dat er in het Amsterdamse Vondelpark een nieuwe keversoort was gevonden en dat die was vernoemd naar The Beatles: Ptomaphagus thebeatles. Het moest er binnen de keverkunde een keer van komen, deze beetje flauwe woordspeling. (1) Maar voor de rest was dit het soort bericht waar ik vrolijk van word. Daar zijn twee redenen voor. Om te beginnen het feit dat er midden in onze hoofdstad klaarblijkelijk diersoorten leven die zich tot nu toe aan iedere vorm van waarneming en beschrijving hebben weten te onttrekken. Dat er af en toe nieuwe keversoorten worden gevonden in afgelegen valleien van Nepal of in het oerwoud van Colombia, is iets wat min of meer voor de hand ligt. Maar het Vondelpark! Toegegeven, het gaat om een piepklein kevertje: het beestje heeft een lichaamslengte van minder dan 3 millimeter. Al eerder in 2020 was uit hetzelfde gebiedje, de zogenoemde Koeienweide in het Vondelpark, een voor de wetenschap nieuwe soort sluipwesp beschreven, die toepasselijk Aphaereta vondelparkensis werd genoemd. (2) Deze minuscule vliesvleugelige mat van voor tot achter slechts 1,8 mm. Het zijn dus diertjes die je gemakkelijk over het hoofd ziet en wellicht daarom bleven ze nog onbenoemd tot – en dat is de tweede reden van mijn vrolijkheid – ze door citizen scientists werden gevonden.

Het verre regenwoud is leuk en spannend, maar, zo moet men hebben gedacht, waarom gaan we niet ook naar stedelijke natuurgebieden?
Beide insectjes zijn ontdekt tijdens expedities van de Leidse organisatie Taxon Expeditions, die wordt gerund door evolutiebioloog Menno Schilthuizen en zijn partner Iva Njunjić. Beiden zijn verbonden aan Naturalis Biodiversity Center, en Schilthuizen is bovendien hoogleraar in Leiden, maar daar houdt de professionele biologische inbreng wel bijna op. Taxon Expeditions organiseert biologische expedities voor geïnteresseerde leken. Dat concept is al oud, de Amerikaanse organisatie EarthWatch doet het reeds decennialang. Taxon Expeditions doet veldwerk in gebieden als Borneo en Montenegro met als incentive voor de deelnemers de mogelijkheid om voor de wetenschap nieuwe soorten te ontdekken. Het verre regenwoud is leuk en spannend, maar, zo moet men hebben gedacht, waarom gaan we niet ook naar stedelijke natuurgebieden? Vandaar dat ook de Koeienweide van het Vondelpark in beeld kwam als veldwerkgebied. De deelnemers die hebben meegedaan met het veldwerk, doorgaans geen biologen, worden in geval van een nieuw ontdekte soort co-auteur van de daaropvolgende wetenschappelijke publicatie. Met een flink aantal liefhebbers werd verzameld, met netten, potvallen en andere vangmethoden. Met als resultaat een enorme biodiversiteit aan krioelende beestjes – en twee totaal nieuwe soorten. Zonder de inbreng van deze liefhebbers, amateurs, burgerwetenschappers of – in modern taalgebruik – citizen scientists, was dit alles niet mogelijk geweest.

De Kaaistoep

Maar de relatief kortstondige expeditie in het Amsterdamse park valt wat betreft het aantal geïnvesteerde mensuren en opbrengst aan soorten volledig in het niet bij wat er ten westen van Tilburg gebeurt. Daar ligt een gebied van ongeveer vierhonderd hectare dat bekendstaat als de Kaaistoep. Het is een waterwingebied, eigendom van de Tilburgse Waterleiding Maatschappij, de TWM. Oorspronkelijk was het een deels schraal en zanderig, deels moerassig gebied, dat in de loop van de eeuwen door keuterboertjes in cultuur werd genomen. Het boerenbedrijf is er nooit een vetpot geweest en in 1994 kocht de TWM het gebied omdat het voor de waterwinning van belang was. Intussen was in 1971 de A58 er al doorheen gelegd, waardoor de boeren die er ten zuiden van woonden hun akkers ten noorden van de snelweg niet meer goed konden bereiken. Al snel na de koop werd contact gelegd tussen de TWM en een groep natuurliefhebbers die zich verenigd hadden in de afdeling Tilburg van de KNNV, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, en het Noordbrabants Natuurmuseum. Deze groep van tientallen betrokkenen is sindsdien bezig met het herstel van de natuur, het onderhouden en het inventariseren ervan. Vijfentwintig jaar lang is men nu bezig met het plaggen van de heide, het snoeien van struikgewas, het inzaaien van kruiden en het ringen van vogels. Er zijn enkele tientallen poelen gegraven, de beek die door het gebied loopt – de Oude Leij – is in zijn meanderende vorm hersteld, er wordt gemaaid en af en toe mag een kudde schapen de heide afgrazen.

Vijfentwintig jaar lang is men nu bezig met het plaggen van de heide, het snoeien van struikgewas, het inzaaien van kruiden en het ringen van vogels. Het resultaat van dat jubileum is dit lijvige boek.
Maar wetenschappelijk veel belangrijker dan al dat nuttige landschapsbeheer is de inventarisatie van wat er in het gebied leeft en groeit. Een kwarteeuw lang werden kevers, vliegen en zweefvliegen, wespen en sluipwespen, dagvlinders en nachtvlinders gevangen, libellenlarven, amfibieën, vissen en eencelligen uit de poelen en de beek geschept, vogels gespot, planten en paddenstoelen gedetermineerd, en verder bijna iedere andere denkbare groep planten of dieren op aanwezigheid onderzocht. Alleen de ‘lastige’ Nematoda (rondwormen), Ostracoda (mosselkreeftjes), Copepoda (roeipootkreeftjes), Phthiraptera (dierluizen) en enkele andere randgroepen zijn niet uitputtend geïnventariseerd om de simpele reden dat er voor die groepen geen specialist in de groep liefhebbers (of elders in het land) aanwezig was. Het resultaat van alle inspanning is nu ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van het onderzoek gebundeld in een lijvig boek. Met een omvang van 720 pagina’s en een gewicht van ruim tweeënhalve kilo is De Kaaistoep een niet te missen boek geworden over de Nederlandse biodiversiteit.

Bijna tienduizend soorten

In de Kaaistoep is het ongelooflijke aantal van 8984 soorten gevonden – het gaat daarbij om eencelligen, planten, paddenstoelen, ongewervelde en gewervelde dieren. Als je daar de ‘lastige’ groepen bij optelt, de wormpjes en de luizen, zal dat aantal de tienduizend kunnen naderen. Tienduizend soorten op vierhonderd hectare secundaire en herontwikkelde natuur: alleen al dat getal geeft aan dat we nog niet verloren zijn. En al die soorten staan genoemd in het boek – op 48 kleinbedrukte pagina’s, waarvan alleen al zeveneneenhalve pagina nodig was voor de kevers (waarmee J.B.S. Haldanes bekende grap wordt gesubstantieerd dat God tijdens de schepping een bijzondere voorliefde had voor kevertjes). De soortenlijst vormt de kern van het boek maar is visueel het minst aantrekkelijke deel – verder staan er honderden fraaie foto’s in en veel leuke tekstjes over het vele vrijwilligerswerk en de vaak bijzondere soorten die zijn aangetroffen. Van alle soorten die in ons land voorkomen, is 21 procent aangetroffen in de Kaaistoep, met een maximum van 30,8 procent bij de insecten. Het betekent dat bijna een op de drie van alle insectensoorten die ons land telt bij Tilburg zijn gevonden. Niet ten onrechte wordt vermeld dat het TWM-terrein het best onderzochte natuurgebied van ons land is.

Tienduizend soorten op vierhonderd hectare secundaire en herontwikkelde natuur: alleen al dat getal geeft aan dat we nog niet verloren zijn.
Maar is alles dan rozengeur en maneschijn? Zeker niet! Internationaal is het werk in de Kaaistoep, samen met vergelijkbare fauna-inventarisaties bij Wijster (Drenthe) en bij het Duitse Krefeld vooral in het nieuws gekomen door enkele publicaties over de achteruitgang van de Noordwest-Europese insectenfauna. Al in 2017 werden in een artikel in PLOS ONE de resultaten van het Duitse onderzoek gepubliceerd. (3) Vanaf 1989 werd door leden van de entomologische vereniging Krefeld onafgebroken geïnventariseerd in 63 natuurgebiedjes. De conclusie luidde dat er in de 27 jaar die tussen 1989 en 2016 zijn verstreken maar liefst 75 procent van de insectenbiomassa was verdwenen. Het alarmerende onderzoek werd in Science samengevat onder de vragende titel ‘Where have all the insects gone?’ (4) en sindsdien zijn er meerdere studies over het dramatische fenomeen gepubliceerd.

Het artikel bleek een wake-upcall, want spoedig volgden vergelijkbare studies. In 2019 werden de resultaten van vijfentwintig jaar beestjes vangen bij Tilburg gepubliceerd in een artikel in het tijdschrift Insect Conservation and Diversity. (5) Onder de titel ‘Declining abundance of beetles, moths and caddisflies in the Netherlands’ werd kond gedaan van de afname van kevers, nachtvlinders en schietmotten; deze groepen vertoonden tussen 1997 en 2017 een jaarlijkse(!) afname van respectievelijk 3,8, 5,0 en 9,2 procent. Schrikbarend. Ook in 2019 en eveneens in het tijdschrift Insect Conservation and Diversity stond het resultaat van citizen science-onderzoek naar wespen in het Verenigd Koninkrijk. In het samenvattende abstract werd geconstateerd: ‘Species distribution modelling showed that, for Vespa crabro [de hoornaar, JR], just 2 weeks of citizen science generated coverage comparable to more than four decades of expert recording.’ (6) Dat is natuurlijk een conclusie omtrent maar één wespensoort, maar het gegeven dat twee weken amateuronderzoek evenveel oplevert als veertig jaar professioneel onderzoek is toch wel een eyeopener. De conclusie luidde verder:

Overall, we show that citizen science can be an extremely powerful and robust method for mapping insect diversity and distribution. We suggest that cautious combination of citizen science data with long-term expert surveying could be a highly reliable method for monitoring biodiversity.

Zulk Duits en Brits onderzoek plaatst de activiteiten van de Tilburgse natuurvorsers in een breder en internationaal kader en onderstreept het belang ervan voor de wetenschap.

Stoepplantjes

Ook al is de lockdown weer teruggedraaid, onze bewustheid van de eigen leefomgeving is niet helemaal weer weggewaaid.
Ook dit jaar verscheen de Stadsflora van de Lage Landen, van de Amsterdamse stadsecoloog en -botanicus Ton Denters. Het boek komt op een uitgelezen moment. Als gevolg van de coronacrisis waren we afgelopen zomer allemaal aan onze nabijheid gekluisterd, met als gevolg dat we aandachtiger in onze omgeving stonden. Maar ook al is de lockdown weer teruggedraaid, onze bewustheid van de eigen leefomgeving is niet helemaal weer weggewaaid. Alom zijn mensen meer vogels gaan horen, ze hebben hun eigen stad ontdekt en de lokale middenstand gesteund. Onderdeel van deze betrokkenheid op het nabije is de ontdekking dat de stad het leefgebied is van een mooie en interessante flora. In diverse landen werd ineens met stoepkrijt gemarkeerd welke plantjes er tussen de stoeptegels en langs de kade groeien. Er werden een twitteraccount @stoepplantjes en een hashtag #stoepplantjes gelanceerd en het botanisch stoepkrijten was tijdens heel 2020 een hype. Een groot voordeel van het bekijken van de stadsflora is dat je er niet ver voor hoeft te reizen, vaak volstaat het verlaten van de voordeur. De Stadsflora brengt niet minder dan achthonderd urbane plantensoorten over het voetlicht, van Aardaker tot Zwenkgras in het Nederlands en van Abutilon theophrasti tot Youngia japonica in het Latijn. Ook dit is een gewichtig werk, met een omvang van 448 pagina’s en een gewicht van tweeënhalf pond is het geen handzaam veldgidsje voor de binnenzak. En ook dit boek is tot stand gekomen dankzij de medewerking van niet alleen een aantal professionele botanici maar ook van vele tientallen liefhebbers.

Een groot voordeel van het bekijken van de stadsflora is dat je er niet ver voor hoeft te reizen, vaak volstaat het verlaten van de voordeur.
De achthonderd soorten stadsplanten, variërend van oude bekenden als straatgras en duizendblad tot voor bijna iedereen volslagen onbekende nieuwkomers, zoals de muurnavel, die we wel kennen van onze vakantie in Zuid-Frankrijk, de struikwinde of de schijnklimopereprijs. Ook die laatste twee zijn uit zuidelijker streken afkomstig, wat meteen een belangrijke bestaansreden van urbane soorten indiceert: ze houden van de warmte die de stad kenmerkt. Het urbane warmte-eiland is al langer een trekpleister voor thermofiele soorten uit het Middellandse Zeegebied; zo groeide er al een halve eeuw geleden een vijgenboom langs een werfmuur in Utrecht en in 1994 schreef Koos van Zomeren over een Amsterdamse vijg. Maar ook de klimaatverandering helpt een handje mee. Denters schat dat er bij een temperatuurstijging van 3 graden Celsius zo’n duizend soorten uit warmere klimaatgebieden zich in ons floragebied thuis zullen voelen, maar dat het hier dan ook voor ongeveer vijfhonderd soorten te heet onder de wortels wordt. Het maakt het waarnemen en inventariseren van stadsplanten tot een dynamische liefhebberij, want er valt altijd weer wat nieuws te ontdekken.

Op kleur gerangschikt

Het grootste deel van de gids bestaat uit soortbeschrijvingen, waarbij Denters er voor heeft gekozen om de planten te rangschikken op bloemkleur. Dat is voor veel liefhebbers en voor de argeloze wandelaar een verstandige keuze, maar voor de systematicus is het wel even wennen. De rode klaprozen staan daardoor op andere pagina’s dan de geel/oranje soorten – er zitten 35 pagina’s met andere planten tussen. Nog bonter wordt dat bij een veelvoorkomende familie, die van de composieten of Asteraceae, de familie van madeliefjes, paardenbloemen en kamille. Er staan paarse soorten (distels) op pagina’s 74 en 75, gele soorten (zoals paardenbloemen, kruiskruiden en klein hoefblad) op de bladzijden 155 tot 177, witte (madeliefjes en fijnstralen) op pagina’s 222 tot 231 en ten slotte een paar groenbloemige soorten op bladzijden 258 en 259. Het composietengeslacht Gnaphalium (droogbloemen) is door deze ingreep in tweeën gesplitst; sommige staan bij de gele soorten vermeld, andere bij de witte. Wie normaliter zijn planten determineert met behulp van Heukels’ Flora van Nederland (waarvan onlangs de vierentwintigste druk is verschenen) moet daar wel even aan wennen. Soorten die er wel zijn maar die nog niet of niet meer bloeien zijn ook wat lastiger op naam te brengen.

De Stadsflora van de Lage Landen is een werkelijk fraaie maar vooral ook relevante uitgave die ons beter naar onze directe leefomgeving leert kijken.
Maar deze kritiek mag de pret niet drukken, want de Stadsflora van de Lage Landen is een werkelijk fraaie maar vooral ook relevante uitgave die ons beter naar onze directe leefomgeving leert kijken. Ineens besefte ik dat het echte tabaksplanten waren waar ik op de Utrechtse Biltstraat al enkele jaren aan voorbijfiets; de witte trompettabak heeft de stad ontdekt en het is volgens Denters een blijver. Veel soorten zijn hier niet spontaan gekomen maar met menselijke hulp; vaak bedoeld als tuinplant maar ook onbedoeld als zaadje aan de band van auto of caravan of in de kluit van geïmporteerde olijfboompjes, palmen of andere sierplanten. Ontsnapte tuinplanten worden wel tuinvlieder genoemd. Ze kunnen zich vaak uitstekend handhaven en verspreiden. Veel urbane soorten vormen grote hoeveelheden zaad, dat helpt.

De bijdrage van burgerwetenschappers aan veel takken van wetenschappelijk onderzoek is niet te verwaarlozen.
De Stadsflora bestaat behalve uit de ruim achthonderd soortbeschrijvingen uit een interessant inleidend deel met veel ecologische achtergrondinformatie. Het boek eindigt met 26 wandelingen in Vlaamse en Nederlandse steden. Tussen Ieper in het zuidwesten en Groningen in het noordoosten van het bestreken Nederlandstalige gebied en aan de hand van praktische stadsplattegrondjes loopt de lezer van bastion naar kademuur en van stoeprand naar straatput. Iedere biotoop heeft zo zijn eigen flora, en al lezend en lopend word je vanzelf ook een citizen scientist die interessante waarnemingen kan doen en doorgeven.

Zo blijkt de bijdrage van citizen scientists aan vooral de populaire wetenschap in ons land van onschatbare waarde. Het aantal voorbeelden binnen de inventariserende biologie is enorm. Een bij velen bekend boek dat er zonder de inbreng van burgerwetenschappers nooit zou zijn gekomen, is de Vogelatlas van Nederland van SOVON die in 2018 verscheen, alweer een gewichtig boek (ruim tweeënhalve kilo) propvol kennis. Het aantal contribuanten (atlastellers genoemd) aan de resultaten die in de Vogelatlas zijn gebundeld loopt in de honderden. Op vijf pagina’s in tien kolommen piepkleine lettertjes worden ze allemaal genoemd, van Jannie Aalders (1 atlasblok in de provincie Gelderland) tot Ben Zwinselman (1 atlasblok in Overijssel). Maar ook buiten de inventariserende biologie is de inbreng van amateurs zeer wezenlijk. Er zijn er die fossielen verzamelen en erover publiceren, er zijn er die oude kaartenbakken en verstofte archieven doorspitten, digitaliseren en op die manier beschikbaar maken voor vervolgonderzoek door henzelf of professionele academici. De bijdrage van burgerwetenschappers aan veel takken van wetenschappelijk onderzoek is niet te verwaarlozen.

Noten

(1) Menno Schilthuizen et al., ‘Ptomaphagus thebeatles n. sp., a previously unrecognized beetle from Europe, with remarks on urban taxonomy and recent range expansion (Coleoptera: Leiodidae),’ Contributions to Zoology 2020: 1-20. doi:10.1163/18759866-bja10007.
(2) Kees van Achterberg et al., ‘A new parasitoid wasp, Aphaereta vondelparkensis sp. n. (Braconidae, Alysiinae), from a city park in the centre of Amsterdam,’ Biodiversity Data Journal 8 (2020): e49017. doi 10.3897/BDJ.8.e49017.
(3) Caspar A. Hallmann et al., ‘More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas,’ PLOS ONE, 18 oktober 2017, https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809.
(4) Gretchen Vogel, ‘Where have all the insects gone?,’ Science, 10 mei 2017, https://www.sciencemag.org/news/2017/05/where-have-all-insects-gone.
(5) Caspar A. Hallmann et al., ‘Declining abundance of beetles, moths and caddisflies in the Netherlands,’ Insect Conservation and Diversity 13.2 (2019): 127-139.
(6) Seirian Sumner, Peggy Bevan, Adam G. Hart en Nicholas J.B. Isaac, ‘Mapping species distributions in 2 weeks using citizen science,’ Insect Conservation and Diversity 12.5 (2019): 382-388.