Cultuur en dekoloniale oefeningen: van erkennen naar ontleren
Astrid Korporaal

Ariella Aïsha Azoulay, Potential History: Unlearning Imperialism (Verso 2019), 656 blz.


Onlangs adviseerde de Raad voor Cultuur het kabinet de koloniale geschiedenis te erkennen en van het repatriëren van roofkunst een van de pijlers onder het cultuurbeleid te maken. Niet om het geweld uit te wissen, maar veeleer om de schade ervan tastbaar te maken, leest Astrid Korporaal in Ariella Aïsha Azoulays Potential History.


Ariella Aïsha Azoulay, Potential History: Unlearning Imperialism (Verso 2019), 656 blz.
Ariella Aïsha Azoulay, Potential History: Unlearning Imperialism (Verso 2019), 656 blz.

Essay uit dNBg 2020#6

De massale Black Lives Matter-demonstraties van het afgelopen jaar hebben de debatten over de toegang tot de publieke ruimte over de hele wereld op scherp gesteld. Demonstranten eisen aandacht voor aanhoudende problemen als racisme, discriminatie en politiegeweld. Het lijkt alsof mediabeelden waarmee we al jaren geconfronteerd worden ons tijdens deze pandemie meer raken – misschien omdat ze nu, naast associaties met escalerende repressie en geweld, ook associaties van escalerende besmetting in zich dragen. Beide dreigingen zijn ongelijk verdeeld: in landen waar dit wordt gemeten, zoals bijvoorbeeld Engeland, blijkt dat bevolkingsgroepen die meer kans hebben om te worden ondervraagd of aangehouden door de politie, ook harder worden getroffen door het coronavirus. De demonstranten eisen dan ook geen steunbetuigingen, maar concrete maatschappelijke veranderingen.

Ariella Aïsha Azoulay, professor Comparative Literature and Modern Culture and Media aan Brown University, bestudeert al jaren hoe mensen omgaan met beelden van geweld. Azoulay, voorheen curator en documentairemaker, is opgeleid in Parijs en Israël. Daar deed ze kritisch onderzoek naar de rol van fotografie in de staatsvorming van Israël en de bezetting van de Palestijnse gebieden. In haar boek The Civil Contract of Photography beargumenteert ze dat de uitvinding van de camera een nieuwe omgangsvorm met zich meebracht. Door middel van fotografie konden gewone burgers afbeeldingen maken van elkaar, maar ook van machthebbers en machtsmisbruikers, wat alternatieve perspectieven ontsloot. In plaats van de nadruk te leggen op het vastleggen van de werkelijkheid, stelt ze dat fotografie een andere maatschappelijke ordening mogelijk maakt, met andere rechten en plichten.

De foto als contract

Als onderzoeker is Azoulay vooral geïnteresseerd in hoe informele en onofficiële beelden gebruikt kunnen worden. De foto is voor haar een gebeurtenis, een ontmoeting die wordt vormgegeven door de fotograaf, de toeschouwers en de gefotografeerde. De toeschouwers worden op deze manier betrokken bij de afgebeelde wereld en gebonden aan een sociaal contract. Vooral bij afbeeldingen van geweld hebben we volgens Azoulay een ethische taak om actief te kijken. Hierbij wordt zowel wat we zien bevraagd, als wat we niet zien.

Als toeschouwers kunnen we ons afvragen: welke (onzichtbare) machtsverhoudingen maakten dit beeld mogelijk? Wie wordt er buitengesloten?
Als toeschouwers kunnen we ons afvragen: welke (onzichtbare) machtsverhoudingen maakten dit beeld mogelijk? Wie wordt er buitengesloten? Waar zijn sporen van dit geweld nog steeds aanwezig? Hoe verhoud ik mij tot deze gebeurtenis? Wie heeft het recht om deze afbeelding te gebruiken of te reproduceren? Door op deze manier te kijken, ontwikkelen burgers volgens Azoulay de politieke vaardigheid om bestaande machtsstructuren, voorwaarden voor burgerschap, en onze relatie tot het verleden te bevragen en (her)vormen. Via ‘the civil contract of photography’ kunnen de gefotografeerde en de toeschouwer aanspraak maken op elkaar. Dit contract staat haaks op de afstandelijke rol die wordt gecultiveerd wanneer de toeschouwer vooral een passieve consument van beelden is.

‘Her-zien’ en ‘ont-leren’

In haar meest recente boek Potential History: Unlearning Imperialism werkt Azoulay haar ideeën over deze aandacht voor geweld en het vermogen van burgers om onrecht te herkennen en aan te kaarten verder uit. Haar analyses zijn relevant voor een scala van middelen van kennisoverdracht en kennisopslag, onder andere fotografie en andere moderne vormen van documentatie. Zulke middelen gaven volgens Azoulay bepaalde groepen mensen niet alleen de mogelijkheid om geweld vast te leggen, maar ook om andere mensen van hun cultuur, land en stem te scheiden. Dit concludeert ze op basis van uitgebreid onderzoek naar de werking van koloniale machtsstructuren en imperialistische regimes van onderdrukking en geweld. Door de geschiedenis van de fotografie te bestuderen in samenhang met de koloniale ‘ontdekking’ van continenten als de Amerika’s en Australië en de systematische classificatie van inheemse culturen, komt Azoulay tot de stelling dat het vastleggen en de toe-eigening van andere werelden verbonden is met een bepaalde manier van denken over de geschiedenis, menselijkheid, vrijheid en rechten.

Beeltenissen zijn blauwdrukken voor de moderne beschaving. Om de in historische koloniale verhoudingen gegronde ongelijkheden in onze samenleving effectief te kunnen bestrijden, zullen we die blauwdrukken moeten ‘her-zien’.
In de moderne traditie worden documenten en afbeeldingen gebruikt als instrumenten voor de verdeling van de wereld in ‘the West and the rest’, beschaafd en onbeschaafd, menselijk en niet-menselijk. Azoulays beschouwingen over de manier waarop dit systeem doorwerkt in westerse instellingen kunnen ons helpen begrijpen waarom de standbeelden van koloniale figuren als Jan Pieterszoon Coen een belangrijk punt van discussie vormen voor Black Lives Matter-activisten. Beeltenissen zijn blauwdrukken voor de moderne beschaving – naast grondwetten, landrechten, onafhankelijkheidsverklaringen en andere zogenaamd universele documenten. Om de in historische koloniale verhoudingen gegronde ongelijkheden in onze samenleving effectief te kunnen bestrijden, zullen we die blauwdrukken moeten ‘her-zien’.

Het boek behandelt geschiedschrijving, archieven, musea en fotografie allemaal als (potentiële) strategische instrumenten om volken te marginaliseren, te exploiteren en te vernietigen. Azoulay bevraagt daarbij ook haar eigen rol als academisch ‘expert’ binnen dergelijke instituties. De geschiedswetenschap is gestoeld op het idee van vooruitgang, een idee dat veel culturen en leefwerelden volgens haar symbolisch heeft verbannen naar het verleden – als archaïsch, primitief, achterhaald, ingehaald. Daarnaast hebben musea, archieven en verzamelingen er in het koloniale tijdperk voor gezorgd dat specifieke objecten, ambachten en gebruiksvoorwerpen uit ‘achtergestelde’, niet-westerse culturen verwerden tot zeldzame voorbeelden van ‘traditionele’ samenlevingen uit de geschiedenis.

Universiteiten, musea en archieven verbergen en legitimeren nog steeds een heel systeem van ongelijkheid.
Terwijl hele volksstammen door verzameldrang en koloniaal geweld werden beroofd van hun culturele leefwereld, kregen experts het recht om deze unieke objecten, beeltenissen en geschriften te bestuderen, te interpreteren en te ontsluiten voor een westers publiek. Hun interpretaties droegen op hun beurt weer bij aan de dominantie van het eurocentrisch perspectief. Hierbij werd het geweld dat met deze toe-eigening gepaard ging verzwegen of gepresenteerd als een onvermijdelijk onderdeel van vooruitgang. Universiteiten, musea en archieven verbergen en legitimeren op deze manier nog steeds een heel systeem van ongelijkheid. Voordat we ons een andere samenleving kunnen inbeelden, stelt Azoulay daarom, moeten we ons onverminderd inzetten om de schijnbare neutraliteit van wetenschappelijke instellingen en experts en de onvermijdelijkheid van vooruitgang te ‘ont-leren’.

Het verleden ‘terugspoelen’

Het westers imperialisme legt een allesomvattend wereldbeeld op dat alle andere leefwijzen, culturele verhoudingen en rechten als achterhaald beschouwt en vervolgens uitwist. Deze visie is gebaseerd op ‘het recht’ van de Europeaan op onbegrensde toegang tot de wereld van een ander. Documentaire media fungeren daarbij niet enkel als bakens van technologische vernieuwing, maar zijn in de eerste plaats instrumenten die fysieke en denkbeeldige toegang kunnen verschaffen en afsluiten.

Door met de afgebeelde personen mee te kijken, kunnen we het verleden ‘terugspoelen’: niet om het geweld uit te wissen, maar juist om de schade daarvan tastbaar te maken.
De wereld van de Ander wordt in de moderne tijd een object voor verbetering en vernieuwing. Net als in The Civil Contract of Photography wijst Azoulay de lezer van Potential History op diens politieke verantwoordelijkheid om verder te kijken dan de camerasluiter: we hoeven niet te geloven dat het verleden is bevroren in de tijd, en dat de samenleving waar we ons in bevinden de enige logische uitkomst is van het historisch proces, het enige startpunt voor de toekomst. Door met de afgebeelde personen mee te kijken, kunnen we het verleden ‘terugspoelen’: niet om het geweld uit te wissen, maar juist om de schade daarvan tastbaar te maken. Door ons in te beelden hoe de geschiedenis anders had kunnen verlopen, en hoe de wereld van de gedocumenteerde mensen, gebieden en objecten voelde, vóór de moderne interventies, kunnen we andere ‘potentiële’ geschiedenissen en rechten creëren.

De roep van de Black Lives Matter-beweging om een verregaande hervorming van de politie of de verwijdering van standbeelden van koloniale geweldenaren, is een uitdrukking van het recht om deel uit te maken van de publieke ruimte. ‘Publiek’ is dan meer dan de symbolische ruimte van het buurtplein of de straat. Het gaat om wat Azoulay en andere politieke en culturele denkers voor haar de ‘commons’ of de ‘common world’ noemen: het gemeengoed van de samenleving, de gemeenschappelijke leefwereld waar we allemaal zorg voor dragen. De huidige crisis, waarin we geconfronteerd worden met een pandemie, klimaatverandering, politieke radicalisering en grootschalige uitsterving, maakt duidelijk dat de zorg voor elkaar geen landsgrenzen kent. Wanneer er bij koloniale standbeelden van Coen in Hoorn of Theodore Roosevelt in New York demonstraties worden georganiseerd, en het beeld van Edward Colston in de haven van Bristol wordt geworpen, wordt er zowel fysiek als maatschappelijk ruimte gemaakt voor andere perspectieven op de geschiedenis.

Aardse rechten hebben niets te maken met de integratie, assimilatie of tolerantie van minderheden binnen een bestaand systeem.
Azoulay pleit voor het herstel van ‘aardse rechten’ (worldly rights), in plaats van rechten die gegrond zijn in een individualistische ideologie van vrijheid, eigendom en vooruitgang. Aardse rechten hebben niets te maken met de integratie, assimilatie of tolerantie van minderheden binnen een bestaand systeem. Volgens Azoulay hebben schijnbaar democratische staten ons juist de aanspraak op de aardse rechten tot een gemeenschappelijke wereld, restitutie en herstel ontnomen. In een systeem waarin geweld het grote gemeengoed is, worden alle burgers – niet alleen minderheden – beroofd van ware verbondenheid. Iedereen is slachtoffer of medeplichtig, en vaak allebei tegelijk. Structurele verandering vergt van mensen dat zij verantwoording afleggen voor hun posities en privileges. In ruil daarvoor ontvangen we het recht op en de mogelijkheid van een gedeelde leefwereld.

Van expert naar bondgenoot

Wanneer we afzien van de term ‘Gouden Eeuw’, of een kunstruimte als Witte de With in Rotterdam hernoemen, is dat een stap in de richting van het afzien van een leefwereld die door geweld wordt gekenmerkt. Azoulay zou dergelijke ontwikkelingen waarschijnlijk niet beschouwen als een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, maar juist als erkenning van het geweld waar museale en culturele instellingen jarenlang deel van uitmaakten – door te spreken vóór en over anderen. Naast deze erkenning vereist structurele verandering dat we luisteren naar de stemmen van onzichtbare slachtoffers van koloniale en imperialistische regimes. Anders zijn het toch weer dezelfde ‘experts’ die de macht krijgen om toezicht te houden, orde te handhaven, grenzen te bewaken en anderen te onderwijzen.

Ook wanneer we ‘metgezellen’ niet kunnen spreken, bijvoorbeeld als ze al overleden zijn, kunnen we alsnog een dialoog met ze aangaan, betoogt Azoulay.
Azoulay probeert zelf om de rol van expert te ontleren door gefotografeerde mensen niet langer als onderzoeksobject te benaderen, maar als ‘companion’: als metgezel of bondgenoot. Ze nodigt ons uit om mee te leven met de mensen van wie ze sporen en verslagen vindt in koloniale archieven, om nieuwsgierig te worden naar de recalcitrante, weerbarstige en verscholen delen van hun leven die niet pasten binnen de waarden van archivarissen en de belangen van machthebbers. Zoals de oude Palestijnse man die in het archief van het Rode Kruis in Zwitserland knielend op de foto staat. Hij is beschreven als ‘infiltrator’, indringer, terwijl de datum ons kan vertellen dat de Palestijnen in dat jaar van hun land werden verdreven en hij een demonstrant was. Of de foto’s van de lege straten van Berlijn na de Tweede Wereldoorlog, gemaakt door geallieerde soldaten. Door deze foto’s naast dagboeken van Duitse vrouwen in deze tijd te leggen, kunnen we ‘zien’ welk geweld deze afbeeldingen ook herbergen: verkrachting op grote schaal door de geallieerden.

Zo leren we opnieuw hoe voortdurend en alomtegenwoordig het geweld van de geschiedenis werkelijk is, en hoe we nu getuigen zijn van geschiedenis in de maak.
Ook wanneer we ‘metgezellen’ niet kunnen spreken, bijvoorbeeld als ze al overleden zijn, kunnen we alsnog een dialoog met ze aangaan, betoogt Azoulay. Zo leren we opnieuw hoe voortdurend en alomtegenwoordig het geweld van de geschiedenis werkelijk is, en hoe we nu getuigen zijn van geschiedenis in de maak. Zo oppert ze dat we ons bij de tien miljoen doden door toedoen van het bewind van de Belgische Leopold II in Congo, slechts als totalen vastgelegd in de koloniale archieven, kunnen voorstellen hoe ontelbaren van hen zich moeten hebben verzet tegen de dreiging van geweld. Dit verzet kunnen we ons inbeelden, omdat het doorklinkt in de leuzen van de Black Lives Matter-activisten: ‘Kill me if you must’ en ‘Don’t shoot!’

Zelf heeft Azoulay de naam Aïsha aangenomen toen ze de naam van haar grootmoeder ontdekte, en daarmee ook haar Algerijnse afkomst. Deze familiegeschiedenis had haar naar Israël geëmigreerde vader geprobeerd te verbergen. Door haar grootmoeder bij zich te dragen, verzet Azoulay zich tegen de staat Israël door het bestaan en de waardigheid van joods-Arabische burgers te erkennen. Door de ‘potentiële’ geschiedenis van een joods-Arabische samenleving onderdeel te maken van een voortdurende relatie van verwantschap, kan ze ook andere ideeën over het heden en de toekomst met zich meedragen.

Gedeelde leefwereld

Potential History maakt duidelijk dat onze beslissingen over wie we als voorbeeld nemen, naar wie we luisteren en wie we zien als metgezel of bondgenoot, politiek zijn. Een gedeelde herkomst volgt niet enkel uit nationale, geografische en biologische bepaaldheden: solidariteit is een creatieve manier van denken die we kunnen leren en oefenen. Azoulay laat zien hoe we verbindingen kunnen ontdekken door naar onze samenleving te kijken vanuit het perspectief van een gedeelde leefwereld, zelfs als de verwantschap minder direct is dan een vergeten familienaam. Door de afbeeldingen, verhalen en voorwerpen in archieven en musea te behandelen als ongehoorde getuigen van het recht op gelijkwaardige (culturele) bescherming, uitdrukkingsmogelijkheden en vrijheden, kunnen we ervaren waar onze democratische instellingen onze historische metgezellen tekortdoen.

Door de afbeeldingen, verhalen en voorwerpen in archieven en musea te behandelen als ongehoorde getuigen van het recht op gelijkwaardige (culturele) bescherming, uitdrukkingsmogelijkheden en vrijheden, kunnen we ervaren waar onze democratische instellingen onze historische metgezellen tekortdoen.
Zo verzoeken voormalige koloniën steeds vaker westerse regeringen en musea om geroofde schatten terug te geven. Tegenwoordig erkennen vele musea de problematische herkomst van hun collectie, en maken ze deze expliciet onderdeel van hun educatief beleid. Toch worden verzoeken om teruggave of schadevergoedingen maar zelden toegekend. Wellicht zal hier in Nederland binnenkort verandering in komen, na het recente advies van de Raad voor Cultuur om buitgemaakte cultuurgoederen uit voormalige koloniën in Nederlandse museumcollecties onvoorwaardelijk terug te geven als daar om wordt gevraagd. In Potential History oppert Azoulay nog een manier om ons tot dit gestolen erfgoed te verhouden. De objecten en afbeeldingen zouden als een andere vorm van documentatie kunnen functioneren: als verblijfsvergunningen voor migranten uit de landen waar het erfgoed vandaan komt, afgegeven door de landen waar de musea en archieven staan. Zo zouden musea en beelden echt een revolutionaire rol kunnen spelen in onze samenleving. Langs deze weg zou het recht van volken op nabijheid tot de materiële producten van hun cultuur en herkomst weer hersteld worden.

Het huidige westers-kapitalistische en neokoloniale systeem wordt gekenmerkt door beheersing, overmeestering en vervangbaarheid van de Ander. Afzien van de vooruitgangsgedachte is wellicht ook een eerste stap af van het pad dat leidt naar de vernietiging van ecologische systemen en de aarde zelf. Azoulay biedt hiervoor een aantal praktische oefeningen. Via manifestachtige oproepen tot staking vraagt ze de lezer stil te staan bij diens eigen posities en privileges. Medewerkers van musea, fotografen en burgers met allerlei culturele achtergronden vraagt ze om zich in te beelden hoe het zou zijn om culturele toe-eigening af te zweren, om de exclusieve claim op verzamelingen, documenten en tradities te weigeren totdat ze voor iedereen toegankelijk zijn, en om het recht om een beeld te reproduceren volledig terug te geven aan de afgebeelde personen en hun families.

Staken is een middel om te pauzeren, na te denken over onze posities en doelen, en systemen van vooruitgang even stil te leggen. Staken is bovendien een vorm van solidariteit die we zelfs in deze tijd van sociale afstand kunnen uitoefenen. Het is een oefening in het recht om geraakt te worden, om op te staan tegen het geweld van onze voorouders tegen anderen, en om deze ‘anderen’ ook als onze voorouders te leren zien. Daarbij kunnen we ons in Nederland ook afvragen of we genoeg weten over onze dekoloniale ‘companions’ uit het verleden, en hoe we hen dichter bij ons kunnen dragen.