Het lichten van den creatieven geest
Piet Gerbrandy

H. Marsman, Ik die bij sterren sliep: verzamelde verzen 1916-1940 (red. H.T.M. van Vliet, Van Oorschot 2020), 640 blz.


Piet Gerbrandy herleest Hendrik Marsmans recent heruitgegeven oeuvre. Hoewel het weerzien met deze overspannen dichter geen onverdeeld genoegen is, blijkt de door H.T.M. van Vliet samengestelde bundel er een waar elke dichter jaloers op kan zijn.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


H. Marsman, Ik die bij sterren sliep: verzamelde verzen 1916-1940 (red. H.T.M. van Vliet, Van Oorschot 2020), 640 blz.
H. Marsman, Ik die bij sterren sliep: verzamelde verzen 1916-1940 (red. H.T.M. van Vliet, Van Oorschot 2020), 640 blz.

Ik weet dat het een dubieuze intuïtie is, maar vaak betrap ik me erop mezelf bij het lezen van poëzie de vraag te stellen of ik met de dichter een borrel zou willen drinken. Los van eventuele grootse visies, wijsheid, sprekende beelden, pakkende zinnen en technische finesse in klank, ademt poëzie altijd ook iets ongrijpbaars waarop ik als lezer kan reageren met sympathie of het tegendeel daarvan. Klinkt de stem van de dichter aardig, betrokken en uitnodigend, of eerder hautain en afwijzend? Is de dichter een aansteller of iemand die volkomen zichzelf is? Daarbij heb ik het niet over biografische feiten, maar over de toon van een oeuvre, al is het onvermijdelijk dat je oordeel gekleurd wordt door wat je van het leven van de dichter denkt te weten.

Men zou wensen dat iedere dichter die ertoe doet met zo’n uitgave werd geëerd.
Met Sappho, Horatius, Bilderdijk en Slauerhoff zou ik graag eens het glas hebben geheven, met Hendrik Marsman niet. Ik mag hem niet, maar moet toegeven hem desondanks een belangrijk dichter te vinden, ook al is het aantal memorabele gedichten dat hij schreef beperkt – maar die weinige hoogtepunten zijn dan ook formidabel. Die klassieken, als ik ze zo mag noemen, krijgen een poëticale en cultuurhistorische context met de vorig jaar verschenen, indrukwekkende editie van Marsmans verzamelde gedichten, waarin niet alleen de door de dichter samengestelde bundels zijn opgenomen, maar ook al het verspreide en ongepubliceerde werk. Bovendien heeft H.T.M. van Vliet de ontstaansgeschiedenis van de gedichten en bundels minutieus gereconstrueerd en met citaten uit talloze brieven geïllustreerd. Men zou wensen dat iedere dichter die ertoe doet met zo’n uitgave werd geëerd.

Overspannen taal

Hendrik Marsman (1899-1940) was in het interbellum een van de toonaangevende dichters in ons land. Zijn debuut, Verzen, kwam uit in 1923, en toen hij in juni 1940 om het leven kwam doordat het schip dat hem van Bordeaux naar Engeland zou brengen verging, was Tempel en kruis net verschenen. In zijn voortreffelijke biografie, Zee, berg, rivier: het leven van H. Marsman (1999), heeft Jaap Goedegebuure de ontwikkelingsgang van de dichter gevolgd, uiteraard zonder de onaangename kanten van diens handel en wandel te verdoezelen. Marsman koesterde een tijdlang politieke opvattingen die tegen het fascisme aanschurkten, al kwam hij daar uiteindelijk van terug, en zijn omgang met vrouwen verdient geen bewondering. Het commentaar van Van Vliet, dat tweehonderd pagina’s in beslag neemt, laat zien dat Marsman vaak besluiteloos was bij het samenstellen van bundels, daarbij vrienden inschakelde en met name zijn jeugdvriend Arthur Lehning (1899-2000) hoorndol moet hebben gemaakt door voortdurend op eerder genomen beslissingen terug te komen. En het feit dat hij in nieuwe bundels steevast gedichten opnam die ook al in eerdere bundels hadden gestaan, duidt op een narcistische inslag.

Wat bij het lezen van Marsmans werk opvalt, is dat het nooit ontspannen is. Nu is het op zichzelf een aanbeveling als de taal onder spanning staat, maar in dit oeuvre klinkt bijna alles overspannen, alsof de dichter zichzelf overschreeuwt. Het eerste gedicht uit Verzen, ‘Vlam’, luidt zo:

Schuimende morgen

en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag.

Ik kan niet ontkennen dat dit me imponeert, mede dankzij de ronkende hyperbolen. Misschien hoort overdrijving bij ambitieuze jonge dichters, kijk naar Lucebert en Ilja Leonard Pfeijffer, maar Marsman maakt het wel heel bont. Het tweede gedicht, ‘Verhevene’, begint met brallende nonsens: ‘Eeuwen wentelden hun volheid samen: / zijn fundament – / nauw kon hun denkgedrocht omvamen / zijn schedeltent…’

Misschien hoort overdrijving bij ambitieuze jonge dichters, kijk naar Lucebert en Ilja Leonard Pfeijffer, maar Marsman maakt het wel heel bont.

In zijn expressionistische hang naar vitalisme, maar ook in uitingen van wanhoop en doodsdrift, is Marsman, net als Bilderdijk, onmatig en zelden trefzeker. Maar als het raak is, is het meteen ook verbluffend:

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

Sommige regels zijn, misschien juist buiten de context van het gedicht waarin ze staan, onvergetelijk. Iedereen kent ‘Groots en meeslepend wil ik leven! / hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!’ en ‘Denkend aan Holland / zie ik brede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan.’ Maar als we Marsman moeten blijven lezen, is het vooral om Tempel en kruis, dat mede vanwege zijn vroege dood als zijn poëtisch, autobiografisch en cultuurfilosofisch testament geldt. Hoe vreemd en onevenwichtig dat boek ook is, het blijft het perfecte manifest voor de lente van 1940.

Vol van den zoeten wijn van het onstuimig weer

Vijftig gedichten zijn verdeeld over vier afdelingen, waarna één gedicht als epiloog, als slotsom fungeert: ‘Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee.’ Die zee is de Middellandse Zee, die de werelden van Mesopotamië en islam, klassieke oudheid en christendom met elkaar verbindt. Indien Europa een kans heeft als cultuurgebied te overleven, ligt de sleutel daartoe in het mediterrane gebied, in de osmose tussen Christus en Dionysus, een droom ‘waarin het kruishout als een wijnstok rankt’. Marsman heeft vijftig gedichten nodig om uiteindelijk die conclusie te kunnen trekken, en het is fascinerend zijn queeste te volgen.

Indien Europa een kans heeft als cultuurgebied te overleven, ligt de sleutel daartoe in het mediterrane gebied, in de osmose tussen Christus en Dionysus, een droom ‘waarin het kruishout als een wijnstok rankt’.
In de eerste afdeling, ‘De dierenriem’, zien we een gedesillusioneerde man in een kale kamer in Utrecht zitten, die afscheid heeft genomen van zijn jeugd en met monastieke toewijding poëzie probeert te schrijven over zijn existentiële vervreemding. Een van de gedichten staat tussen aanhalingstekens, een kunstgreep die ook in de rest van de bundel geregeld wordt toegepast: blijkbaar zijn dit de teksten die de sombere dichter, Marsmans alter ego, schrijft.

In de tweede afdeling, ‘De boot van Dionysos’, gaat hij in een Hollands landschap op zoek naar dionysische vervoering, en ‘vol van den zoeten wijn van het onstuimig weer’ strijkt hij neer aan de oever van een rivier. Het inspireert hem tot deze terecht beroemde regels, wederom tussen aanhalingstekens:

‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimten droeg
als zilveren gewei, en ’t stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs ’t grondeloze blauw der zomernachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand’

In ‘De wanhoop’, de derde reeks, wordt duidelijk dat zijn malaise is ingebed in een cultuurcrisis. ‘De wereld werd woest en leeg,’ zegt hij, en even later constateert hij vol walging dat er in Europa ‘hyena’s en jakhalzen’ rondsluipen en dat ‘de brandende stad van den nacht / rookt van het bloed van den Jood’. Hoe nu verder? ‘Hij lag in het donker en dacht: / – ik moet sterven of weggaan vannacht.’

De dichter gaat op reis naar Zuid-Frankrijk, en zodra hij in de verte de Middellandse Zee ziet, weet hij zich verbonden met de oudheid. Het in het maanlicht rimpelende water is voor hem het teken ‘dat twintig eeuwen / ademloos verstreken / en in zijn hart / antieke vrede / was gedaald’. Boven deze zee, denkt hij, zweeft ‘het lichten van den creatieven geest’. Misschien formuleert Marsman het weer te geëxalteerd, maar de gedachte dat de mediterrane cultuur als een eenheid moet worden gezien en dat zij, hoe gewelddadig het er de afgelopen tweeduizend jaar ook aan toegegaan is, een bron van inspiratie kan vormen voor Europa, vind ik onverminderd relevant.