Qu’est-ce qu’un auteur?
Mira Feticu

Annelies Verbeke, Deserteren (Manteau 2019), 120 blz.


Voor de reeks ‘Schrijvers over schrijvers’ herleest Mira Feticu de hilarische novelle Deserteren van Annelies Verbeke die zich over de literatuurwetenschap buigt. Net als Verbeke ziet ze dat de Auteur niet dood is, hij deserteert hooguit af en toe.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Annelies Verbeke, Deserteren (Manteau 2019), 120 blz.
Annelies Verbeke, Deserteren (Manteau 2019), 120 blz.

Witold Gombrowicz beweert dat een auteur die niet in staat is om over zijn eigen werk te spreken geen volwaardig schrijver is. Nederlandse auteurs trekken zich van deze bewering niets aan en schrijven of spreken weinig over auteurschap. Als ze het een keer doen, is het nieuws.(*) Ik heb me altijd afgevraagd waarom. Knikte de Nederlandse auteur simpelweg instemmend toen Michel Foucault met een bepaalde brutaliteit zei: ‘Qu’importe qui parle, quelqu’un a dit qu’importe qui parle’, een uitspraak die nog steeds als een bevestiging wordt gezien van Roland Barthes’ melancholische aankondiging van de dood van de auteur? Naar mijn idee moet de vraag ‘Qu’est-ce qu’un auteur?’ juist nog altijd met een soort onschuld worden gesteld. En wat is de relatie tussen de auteur en de teksten die vóór hem werden geschreven? In de hilarische novelle Deserteren (2019), een werk in de toon van De stoelen (1952) van Eugène Ionesco, gaat Annelies Verbeke nadrukkelijk wel in op vragen over het wezen van de auteur. Haar boek is zelfs meer dan dat: het behandelt ongeveer alle vragen uit de literatuurtheorie.

Een ark van Noach vol literaire concepten

Deserteren is de vijfde novelle die werd geschreven voor Te Gek!?, een grootschalige campagne die de geestelijke gezondheid in Vlaanderen bespreekbaar wil maken. De hoofdpersoon, de vrouwelijke ‘Auteur’, wordt gedwongen tot groepstherapie omdat ze een einde aan haar leven wil maken. Tijdens de therapie ontmoet ze enkele notoire personages, onder wie de jonge Werther, de bekendste Hoogsensitieve Persoon uit de literatuurgeschiedenis, maar ook diens auteur Johann Wolfgang von Goethe en Thomas Mann. De Amerikaanse psycholoog Elaine Aron, grondlegger van het begrip hoogsensitiviteit, tracht het gesprek in goede banen te leiden.

Uit het therapeutische groepsgesprek leren we dat de mistroostigheid van de Auteur onder meer wordt aangewakkerd door de eenzaamheid die haar schrijverschap kenmerkt. Ze bekent:

Ik ben de laatste tijd geïnteresseerd in hoe auteurs over de tijd en het gekakel heen met elkaar in gesprek gaan, elkaar in de armen vallen soms zelfs, los van de tijdsgeest, modes en vetes. Wellicht boeit me dat omdat mijn eenzaamheid binnen de literaire wereld totalitaire trekken is gaan vertonen en mijn leven en de literatuur zich tegelijk niet meer van elkaar laten scheiden.

Ook een thema als de positie van de vrouw in de literatuur komt aan bod. ‘Ik moet immers vierentwintig uur per dag mijn dankbaarheid uitdrukken omdat ik mee mag doen.’ Als psycholoog Elaine aandringt op een gesprek over vrouw-zijn en schrijven, antwoordt de Auteur: ‘Ik wil het helemaal niet hebben over vrouw zijn en schrijven. Dat is het net. Waarom moet het daar altijd maar over gaan? Waarom mij niet gewoon als een auteur zien?’ Lezers weten ondertussen dat dit onder meer komt doordat het grammaticale geslacht van ‘auteur’ mannelijk is.

Zo weet de Goethe aan tafel niet meer welke Goethe hij is: ‘de echte of die van Mann?’
Een gesprek over de troostende waarde van literatuur volgt, of eigenlijk vooral een oefening voor in hermeneutiek getrainde geesten, een hermeneutisch spel: de deelnemers aan de groepstherapie gaan over tot ontmaskering van het auteurschap, zoals Poirot, detective uit de boekenreeks van Agatha Christie, de moordenaar ontmaskert. Er mag dan wel niemand in het gezelschap zijn die twijfelt aan de ernst van de situatie of de ernst van het schrijverschap; wel twijfelen ze allemaal aan de echtheid ervan. Wat is echt en wat is literatuur? Zo weet de Goethe aan tafel niet meer welke Goethe hij is: ‘de echte of die [uit het werk] van Mann?’

De inzet van Deserteren is ironisch en ernstig tegelijk. Het boek maakt niet alleen geestelijke gezondheid bespreekbaar, maar tevens een misschien nog wel problematischere categorie: de literatuurtheorie. Deserteren is werkelijk een ark van Noach gevuld met literaire ideeën en concepten. Alle grote thema’s van de literatuurwetenschap komen voorbij: auteurschap, de vraag voor wie de schrijver schrijft, ballingschap, de functie van het schrijven, de vrouw in de literatuur, de zwarte vrouw in de literatuur, schrijven als therapie, vragen over het waarom van het schrijven en werkelijkheid in de literatuur.

Uitrusten in eigen werk als personage

Wat blijkt uit Deserteren, is dat Annelies Verbeke in de Nederlandse letteren niet alleen haar room of her own heeft, maar dat ze ook graag speelt met het meubilair ervan. In de novelle stelt ze directe vragen aan collega-schrijvers, doet ze soms zelfs een appèl op hen, corrigeert ze hen. Al aan het begin van het boek geeft ze een knipoog naar de reeds in de jaren zestig door Barthes aangekondigde dood van de auteur. De dood van de auteur leeft dus nog steeds (sic). Dat is althans wat de openingszin van de novelle suggereert: ‘Wie wordt daar opgegraven uit een modderige kuil (…). Hemeltjelief! Het is de auteur!’ De auteur is opgestaan en Foucaults vraag kan weer in alle onschuld worden gesteld: ‘Qu’est-ce qu’un auteur?’

Misschien ben ik door mijn eigen formatie extra gevoelig voor dit thema. In Roemenië is de hele ‘Generatie 80’ tot op de dag van vandaag bezig met het thema auteurschap. Mijn universitaire studies vielen precies tussen de aankondiging van Barthes en de vraag van Foucault in. We begonnen met Gustave Flauberts bekentenis ‘Madame Bovary, c’est moi’ en tot de laatste lesdag hielden we ons bezig met de vraag van Pierre Bourdieu in hoeverre Frédéric uit L’Éducation sentimentale met de woorden van Flaubert uit diens brieven spreekt.

Wat blijkt uit Deserteren, is dat Annelies Verbeke in de Nederlandse letteren niet alleen haar room of her own heeft, maar dat ze ook graag speelt met het meubilair ervan.
Verbeke komt in dit verband met een verrassende en genuanceerde visie: de auteur is niet dood en wil ook niet dood. De auteur wil hooguit (af en toe) deserteren! In Deserteren is de Auteur namelijk moe, maar zeker niet dood. Moe, want ze schrijft al sinds de Ramayana aan (voegen wij in de geest van Stéphane Mallarmé toe) Het Boek. Volgens Mallarmé bestaat de wereld om daar terecht te komen. De tekst is universeel en de auteur schrijft hetzelfde verhaal als altijd, zoals alle generaties voor hem ook deden. Ralph Waldo Emerson beaamde: ‘Je zou zeggen dat één iemand alle boeken ter wereld heeft gemaakt; zo groot is hun innerlijke eenheid dat er geen twijfel over bestaat dat ze allemaal door hetzelfde alwetende individu zijn samengesteld.’ Emerson werd weer geciteerd door Jorge Luis Borges, die eraan toevoegde: ‘De wereldgeschiedenis is een oneindig geschreven boek dat alle mensen schrijven en lezen en proberen te begrijpen, maar waarin tegelijkertijd hun naam is geschreven.’ De auteur was nooit van plan om dood te gaan, hooguit om uit te rusten van zijn eindeloze karwei, door zijn verantwoordelijkheid als auteur tijdelijk neer te leggen en zich terug te trekken als personage in zijn fictie of die van anderen.

In lijn met Emerson en Borges verzucht Goethe in Verbekes Deserteren op een gegeven moment: ‘Ik ben dus zelf een tot literatuur verworden mens.’ ‘Dat zijn we momenteel allemaal’, antwoordt Mann dan. ‘Zoiets valt ook niet te verhinderen.’ Wie is de schrijver en wie is een personage? ‘Hij (Thomas Mann) kijkt de vrouw (Charlotte) twijfelend in de blauwe ogen – is ze de door hem gefictionaliseerde versie wel? Charlotte gaat staan en trekt zijn blik met zich mee.’ Het is niet voor niets dat Barthes zijn pet als criticus op had toen hij de auteur doodverklaarde; hij verkondigde dit niet in de rol van auteur. De Auteur in de tekst van Verbeke klaagt over de moeilijkheden waarmee het auteursbestaan gepaard gaat. Moeilijkheden die haar tot deserteren brengen, maar haar zeker niet uitroeien. Dit laatste wordt dus duidelijk aan het begin van de novelle, met de Auteur die uit haar graf verrijst; een rechtzetting van de door Barthes aangekondigde dood van de auteur. De metafoor van Verbeke zou carrière moeten maken: de auteur is hooguit af en toe schijndood, deserteert in zijn of andermans fictie, maar staat telkens weer op uit zijn schijngraf.

Ingelijfd in het oneindige gedicht

Tijdens het lezen van Verbekes boek heb ik me de vraag gesteld waarom ze voor Goethe en Mann heeft gekozen, en niet, bijvoorbeeld, voor Flaubert en Guy de Maupassant. Flaubert was voor Maupassant net als Goethe voor Mann immers Het Grote Voorbeeld. Maar anders dan Mann Goethe heeft Maupassant Flaubert nooit tot personage in zijn eigen werk gemaakt. En Verbeke had juist personages nodig die de theorie van onder anderen Percy Shelley bevestigden: dat alle gedichten uit het verleden, het heden en de toekomst fragmenten zijn van een oneindig gedicht dat door alle dichters van de wereld wordt geschreven (A Defense of Poetry, 1821). Die theorie houdt namelijk ook in dat een auteur na tweehonderd jaar kan opduiken als personage in het werk van een andere auteur. Zit Goethe in Deserteren aan dezelfde tafel met Mann omdat Goethe Werther is?

De auteur mag dan niet dood zijn, wel heeft hij een klacht: hij lijdt aan een chronisch gebrek aan autonomie en zelfbeschikking, kan zelfs zomaar door een andere auteur als personage worden ingelijfd.
De auteur is niet dood – maar een autonome schepper, geheel en al verantwoordelijk voor zijn eigen werk, is hij evenmin. De Tekst waaraan hij werkt, is immers vierduizend jaar geleden begonnen, in de beroemde bibliotheek van Assurbanipal in Nineve, en nog steeds wordt er aan geschreven. T. S. Eliot legt dit punt net anders uit: in zijn essay Tradition and the Individual Talent (1919) stelt hij dat een dichter zich altijd te verhouden heeft tot de traditie als geheel; het werk van een dichter kan alleen beoordeeld worden in vergelijking met de werken uit het verleden. Borges beaamt dit gebrek aan auteursautonomie weer op een andere manier. In zijn Essays rept hij van een man die een verhaal schrijft en ontdekt dat het verhaal zich tegen zijn bedoelingen in ontwikkelt. De personages gedragen zich niet zoals hij wilde, er vinden onvoorziene gebeurtenissen plaats en er wordt een catastrofe aangekondigd die hij tevergeefs probeert te voorkomen.

De auteur mag dan niet dood zijn, wel heeft hij een klacht: hij lijdt aan een chronisch gebrek aan autonomie en zelfbeschikking, kan zelfs zomaar door een andere auteur als personage worden ingelijfd. In Deserteren vertelt de Auteur zelf: ‘Ik mag het niet meer pikken mij te laten vernederen door de neerbuigenden, de onbegrijpenden of de door nijd verstikten, mijn credits niet te krijgen, mijn tijd te laten verprutsen door kwaadaardige parasieten.’ Wat dán het lot van de schrijver is? Goethe en Mann zeggen het in koor: ‘We gaan allen onder in wanhoop! Eer dan ook de wanhoop! Want de wanhoop zal je laatste gedachte zijn!’

Le roi est mort, vive le roi!

Literaire grootheden, echt en fictief, zijn lang niet de enigen die voorbijkomen in Deserteren. Annelies Verbeke onderschat haar lezer niet. Er komen ook paarden die zelfmoord plegen voorbij, ‘een edel soort paarden, die als ze verschrikkelijk worden verhit en opgejaagd instinctief…’ Deserteren is een zwarte komedie met schrijvers en hun personages. Werther pleegt zelfmoord en ligt met zijn hoofd op het bureau van de Auteur, een paar seconden voordat de man van de Auteur naar huis komt, haar een ‘malse kus’ op de lippen geeft en vraagt of ze goed geschreven heeft. Een scène uit het leven van de Auteur. Het verhaal eindigt met een scène waarin de Auteur de vijand, Stanislav Poepmans genaamd, verandert in een kind van drie en hem op schoot zet. Ze weet dat als ze nog een keer zou blazen, Poepmans zou verdwijnen. Maar dat doet ze niet. Een beetje weerstand kan namelijk stimulerend werken.

Je zou kunnen concluderen dat Verbeke zich in Deserteren uit tegen de traditionele kijk op de literatuurgeschiedenis, waartegen ook Barthes tot het einde van zijn leven heeft gevochten. Tegen de literatuurgeschiedenis die drijft op de idee dat we, wanneer auteurs sterven, een ‘laatste’ exegese van hun werk kunnen geven, hun werk daarmee ‘uitgeïnterpreteerd’ en dood verklarend. Zoals Barthes zei: ‘ons wordt gevraagd te wachten tot de auteur dood is om hem “objectief” te kunnen behandelen’. Gaat de Auteur aan het eind van Deserteren weer in haar graf liggen? Zeker niet. Misschien denkt ze er af en toe aan deserteren, maar ze schrijft al vierduizend jaar haar Tekst en is niet van plan te stoppen. Le roi est mort, vive le roi!

Noot
(*) Zie bijvoorbeeld deze beschouwing van journalist Haro Kraak, die in 2020 een kleine trend onder jonge schrijvers ontdekte om over zichzelf en dus over schrijverschap te schrijven: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/waarom-schrijven-schrijvers-zo-graag-over-schrijvers~bbcd9d42/. Dat men dit in Nederland kennelijk pas vorig jaar is gaan doen, wijst op een schril contrast met de rijke tradities aan schrijverschapsreflecties in vele andere taalgebieden.