‘Mijn vader weet niet eens hoe oud ik ben.’
Rashid Novaire

Hassan Bahara, Een verhaal uit de stad Damsko (Van Gennep 2006), 239 blz.


In 2006 debuteert Hassan Bahara met Een verhaal uit de stad Damsko. Een roman die volgens de schrijver moet zijn als ‘een baksteen die de lezer in het gezicht gesmeten wordt.’ Dat belooft lawaai, een doffe klap. Maar Rashid Novaire herinnert zich uit die dagen ook een roman waarin het langzaam stil werd. Een stilte die razernij ontketent.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Hassan Bahara, Een verhaal uit de stad Damsko (Van Gennep 2006), 239 blz.

Onlangs, bij herlezing van Een verhaal uit de stad Damsko van Hassan Bahara, besefte ik me, opnieuw, hoe ik het boek bewonder, hoe sterk de personages me zijn bijgebleven. Hoe levendig ik me de dagen van de zeventienjarige havoscholier Kader Zeroual herinner. Beklemmende dagen in Amsterdam-West. Dagen waarin Kader problemen maakt. School verzuimt. Woorden heeft met zijn vriendin Louazna. Zijn baantje bij de Albert Heijn verliest omdat hij ‘fokking kankerlijer’ roept naar zijn chef Kees wanneer die hem verbiedt jointjes te roken in het magazijn. Dagen waarin een kindertekening van het neefje van een vriend hem de keel dichtschroeft. Dagen waarin hoop soms is als een stekelig dier waaraan hij zich kan verwonden als hij er te dichtbij komt.

Kader is leerling van een school die afgekort wordt met het HVZ. Op straat begrijpen ze niet hoe hij het volhoudt. ‘Pfff… ik ben blij dat ik niets meer met die shit te maken heb. HVZ. Hoeren, Vlikkers en Zemmels’, zegt Ricky, een van de figuren die Zeroual in de buurt tegenkomt. Kader grijnst. Het is een van de weinige momenten in het boek dat hij lacht. Het gaat niet goed op school. Hij komt er steeds minder. Het is bevreemdend om er tussen jongens en meisjes rond te hangen die betwisten of hun held de rapper Tupac wel echt dood is of niet. Zoals het bevreemdend is om thuis te komen. Een thuis waar zijn vader niet eens weet hoe oud hij is. Of waar zijn depressieve moeder hem vraagt mee te gaan naar een huisarts die haar geen medicijnen wil geven maar haar haast opgewekt adviseert vaker een wandeling te maken, terwijl hij Kader soepel het middel Seroxat voorschrijft.

Elke passage is een schakel naar ontsporing.

School, thuis, de straat. Het zijn eilanden waartussen Kader heen en weer waadt, al is het soms of hij zinkt en blijft zinken. IJkpunt is de muziek van Tupac. En de beelden van Tupac in een documentaire die overal opduikt. Tupac is een held. Thug life. Niemand in Kaders omgeving komt met een tegeltjeswijsheid als ‘Misdaad loont niet, misdaad leent.’ De jonge mannen in deze roman ontlenen hun status juist aan het dromen van misdaad. En soms, op een feestje, met een beetje coke en de juiste connecties zijn ze opeens dichtbij een klus. Zoals Ricky. ‘Hij is een moeilijke gast’, zegt Zelko. ‘Hij verkoopt wit en bruin, je weet toch. Maakt serieuze doekoes.’ Op weg om een beetje doekoe te maken zijn goedwillende mensen uit je dagelijkse leven opeens hinderpalen die je moed om eens deel te nemen aan thug life in de weg staan.

Het is zwaar voor Kader als die mensen het goed met hem voor hebben. Zijn vriendin wil weten wat ze nu eigenlijk voor hem betekent en hij vraagt haar of dit soms de ‘fokking Oprah Winfrey Show’ is. Op school wordt hij op zijn gedrag aangesproken door zijn mentrix mevrouw Meertens. Zij verzoekt hem of hij zijn vader kan vragen bij haar langs te komen. Dat brengt Kader in het nauw en hij weet niet hoe hij moet reageren. ‘“Waarom?” vraagt hij paniekerig. Zijn ogen schieten heen en weer.’ Een ontmoeting tussen zijn vader en zijn mentrix werpt alweer een schaduw op waaraan hij wil ontsnappen. Zijn vader moet erbuiten blijven. Hij liegt dat zijn vader onbereikbaar is.

Oorverdovende stilte

Elke passage is een schakel naar ontsporing. Geschreven in een sobere, dwingende stijl levert dat een verhaal op waarin ik vaak dacht aan een zin die ik ooit op een reis door Amerika las in een schildersboek over Andrew Wyeth: ‘We are all part of the same great dance and with every step we move closer to wonder or destruction.’

Ik blader door de roman van Bahara en mijn gedachten blijven bij Wyeth en het museum van zijn werk dat ik in Maine bezocht. In de kleine bioscoop van het museum zag ik een film over de schilder. Ik zag hem lang zwijgen in een besneeuwd landschap. Het was die stilte die de zeggingskracht verleende aan zijn nasale stem toen hij rondkeek en in langgerekte tonen uitbracht ‘Yeah, there are million kinds of white.’

Bahara schildert ons volgens de Volkskrant ‘Getto’s van een deprimerende leegte’. Maar in die leegte schildert hij tinten van een stilte die zich tussen mensen beweegt.

Kader rookt vrijwel voortdurend joints, misschien dat er daarom een traagheid in zijn denken sluipt die zich pakkend vertaalt naar dialogen waarin hij niets becommentarieert. Als hij bij zijn vriendin Louazna komt hoort hij een van de jongens in het portiek zeggen: ‘Hij gaat naar die hoer van zevenhoog.’ Even later is hij met haar in de huiskamer:

‘Wie zijn die jongens beneden?’ vraagt hij. Ze haalt haar schouders op. ‘Weet ik veel.’

‘Volgens mij noemde een van hen jou een hoer.’ Ze zegt niets en blijft naar de tv kijken. Hij legt zijn sigaret op de rand van een asbak en kijkt naar de lesboeken en de agenda die op tafel liggen. Hij neemt de agenda van tafel, bladert erdoorheen en staart lange tijd naar haar lesrooster. ‘Waarom ben je vandaag niet op school geweest?’ vraagt ze.

Als hij vervolgens op een van de boxen van haar installatie een doosje Seroxat ontdekt reageert ze geschrokken en zegt dat de medicijnen niet van haar zijn. Dan ziet hij Louazna’s lesboeken op tafel liggen en krijgt een aanval van woede. ‘“Fok!” en hij veegt de boeken van tafel. “Fok!” roept hij nog een keer. Hij grijpt zijn hoofd vast, kijkt naar de boeken op de grond en voelt een haast onbeheersbare neiging om ze kapot te trappen. Zijn borst gaat snel op en neer. Rustig blijven, rustig blijven, denkt hij en hij herhaalt het als een mantra.’

Bahara schildert ons volgens de Volkskrant ‘Getto’s van een deprimerende leegte’. Maar in die leegte schildert hij miljoenen tinten van een stilte die zich tussen mensen beweegt.

Tupac klinkt vanaf een muziekzender in de huiskamer. De geliefden hebben seks in de slaapkamer. Maar ze blijft aandringen: ‘“Ga je morgen naar school?” vraagt ze fluisterend.’

Er hangt niet zozeer een sfeer van onthechting in zulke passages maar eerder van een gestild verdriet, een verdoving die wordt opgewekt door jongens die zijn vriendin een hoer noemen en die plotseling fel wordt opgeheven bij de aanblik van een lesrooster van zijn vriendin of een schoolboek op tafel.

‘De stilte herstellen, dat is de rol van de voorwerpen’, zei Beckett, maar Kader Zeroual wil de stilte niet herstellen. Het doet me denken aan hoe een regisseur op een filmopleiding waarop ik zat me op mijn plaats zette toen ik maar over de stilte in film aan het jengelen was. ‘But if you can’t have the noise, you can’t have the silence, baby.’

Misschien is dat wel het hartverscheurende voor mij aan Een verhaal uit de stad Damsko. Zeroual zoekt het lawaai op van de stad, van criminaliteit en zwaar geweld waar hij bijna terloops in betrokken wordt, maar het wordt in het boek steeds stiller. Want in het sneeuwlandschap in de straten van Damsko lopen overal dansers. Dansers in het duet tussen wonder en destructie.

De stilte te lijf

‘Wat me verder trof’, schreef Kees Beekmans in de Volkskrant: ‘hoezeer het er bij die jongeren om gaat niet voor elkaar onder te doen. Ze hebben maar weinig gevoel van eigenwaarde.’ Dat klopt. Praten is meestal pochen. En dus is het de normaalste zaak van de buurt dat Zelko tijdens hun uitje met stroopwafels in een Gamehouse een machete tevoorschijn haalt. ‘Zie je die bruine, roestachtige vlekken? Dat is bloed van Albanezen.’ Niemand reageert geschokt en misschien is het wel dat uitblijven van reactie waardoor Kader zich terugtrekt op het toilet en zijn stroopwafels eruit kotst. ‘Hij kijkt naar de halfverteerde stroopwafels en zijn ontbijt en dan gaat zijn snikken over in een krankzinnig lachen, eerst zachtjes, maar dan steeds luider en luider, tot zijn stem door het toilet galmt.’ Als hij uit het toilet komt hoort hij dat dezelfde Zelko nog aan het woord is: ‘Wisten jullie dat Tupac vroeger op ballet zat?’ Op zulke momenten begrijp je dat Bahara heeft gekozen voor het motto van Nescio: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens.’

Een schrijnend motto want Kader Zeroual glijdt af in geestesziekte en geweld. Op een schoolfeest barst de bom. Hij randt een scholiere aan op het toilet. Als hij wordt aangesproken op zijn gedrag valt hij ook mevrouw Meertens fysiek aan.

Misschien is dat wel het hartverscheurende voor mij aan Een verhaal uit de stad Damsko. Zeroual zoekt het lawaai op van de stad, van criminaliteit en zwaar geweld waar hij bijna terloops in betrokken wordt, maar het wordt in het boek steeds stiller.
Weer, achteraf, die traagheid van besef. Op straat zegt hij niet tegen Ricky dat hij een vrouw fysiek heeft aangevallen maar zegt hij: ‘Ik heb met mevrouw Meertens gevochten.’ Alsof de aanval in zijn hoofd vervlochten is met het vechten tegen haar ondraaglijke goodwill. Niet dat zijn formulering er veel toe doet. Kader krijgt niets terug dan lof. Lof dat hij een tatta heeft gebost. Vervolgens laat Bahara hem handelen. Kader begint de poster van Tupac los te trekken. ‘In gedachten nog bij het schoolfeest van de vorige avond begint hij de poster te versnipperen. De snippers dwarrelen neer op de vensterbank en zijn gedachten gaan verder terug in de tijd en staan stil bij de eerste en enige keer dat zijn vader zijn school bezocht.’

Treffend is dat zijn herinnering geen traumatische herinnering is. Kader is twaalf. School is begonnen. Zijn vader hoopt in de herinnering dat hij op deze school zal slagen. Maar inmiddels is hij zeventien. Er lijken weinig aanknopingspunten met zijn naaste omgeving voor Kader om iets te vertellen over zijn geestesgesteldheid. Zijn vader weet niet precies hoe oud Kader is. Hij weet niet goed in welke klas Kader nu zit. In een gesprek met zijn broer Jamal over de aanschaf van een auto zegt zijn vader zomaar: ‘Ik ben stervende, mijn tijd is voorbij.’ Zijn moeder vraagt snikkend bij de huisarts waarom ze geen medicijnen krijgt. ‘Iedereen medicijn’, brengt ze uit. Langzaam wordt het in huis stiller door gestild verdriet en zelfs zijn zus, met wie hij op een avond in het halfdonker het meest normale gesprek in de roman voert, neemt hij niet in vertrouwen. Als hij naar de kledingwinkel gaat waar ze werkt blijkt ze met een jongen verdwenen. In de stad ziet hij haar met de jongen en bespiedt aandachtig hun samenzijn dat veel weg heeft van geluk.

Schreeuwend zwijgen

Aandacht is een schaars goed in Een verhaal uit de stad Damsko. En als Kader Zeroual het krijgt, maakt de wanhoop zich juist meester van hem.

Op zoek naar lawaai om de stilte in hem te temmen pleegt hij op het einde van de roman een zware gewapende overval.

De precieze wijze waarop Bahara beschrijft hoe Ricky een vrouw in een belwinkel mishandelt terwijl Kader met een gaspistool twee jongens onder vuur houdt deed me denken aan een ballet. Een dans waarin Kader fungeert in een koele staat van wanhoop. Achteraf komt hij tot bezinning:

‘Dat was fokking…’ piept hij. ‘Dat was fokking fout, Ricky.’ Maar zijn geweten doet er niet toe. Het gaat er meer om of hij zijn mond kan houden over wat er is gebeurd.

Zoals Kader ook, op zijn beurt, wil dat iedereen zwijgt op de dag dat hij wordt gearresteerd. ‘Niet huilen’, zegt hij. Een politieagente probeert zijn moeder te troosten. Kader kijkt toe. ‘Niet huilen’, zegt hij.

Aandacht is een schaars goed in Een verhaal uit de stad Damsko. En als Kader Zeroual het krijgt, maakt de wanhoop zich juist meester van hem.
Als hij in de politiewagen de hoek omrijdt, blijft hij over zijn schouder naar zijn huis kijken. En ik zie het personage onderweg, naar een andere bestemming, met in zijn oren de tedere stem van Tupac, een rapper, ooit een balletdanser, door een leeg sneeuwlandschap reizen. Ik zie wat hij tegenkomt. Een lesrooster op tafel waardoor hij in pure drift ontsteekt. Omdat zijn leven nog niet tussen lijnen plaats kan vinden.

Maar waar Zeroual het leven vaak onverdraaglijk vindt, ook liefde onverdraaglijk vindt, maakt Bahara het leven draaglijker door zo vol mededogen het portret op te roepen van jongens in de snelkookpan van een buurt in Amsterdam.