Snouck: de goede koloniaal?
Marijn Kruk

Wim van den Doel, Snouck: het volkomen geleerdenleven van Christiaan Snouck Hurgronje (Prometheus 2021), 624 blz.


Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) geniet nog altijd de reputatie van Nederlands grootste arabist. Toch is het een omstreden reputatie; van een bevlogen wetenschapper die een broertje dood had aan het leven onder professoren, die niet maalde om schone handen, en wiens nieuwsgierigheid, overtuigingen en geldingsdrang hem niet alleen brachten tot in het donkere hart van het Nederlandse koloniale project – naast Van Heutsz in Atjeh –, maar ook tot pleiten voor dekolonisatie. Marijn Kruk leest de eerste echte biografie van Snouck en tracht de balans op te maken.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Wim van den Doel, Snouck: het volkomen geleerdenleven van Christiaan Snouck Hurgronje (Prometheus 2021), 624 blz.

Wie het leven en werk van Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) beziet vraagt zich af waarom er niet al veel eerder een biografie over hem verscheen. Hij was een academicus van internationale statuur die de basis legde voor de moderne islamwetenschap in Leiden. Zijn boeken Mekka (1888) en De Atjèhers (1893) getuigen van een bijzonder observatievermogen en gelden als etnografische klassiekers. Als adviseur Inlandse en Arabische Zaken drukte hij zijn stempel op het koloniale beleid in Nederlands-Indië, met name in Atjeh. Daarbij was hij een eigengereide, gedreven en complexe persoonlijkheid. Biografenvoer, zou je zeggen. In 2017 zag Pelgrim van de journalist en reisschrijver Philip Dröge het licht, maar dat beperkte zich tot Snoucks buitengaatse avonturen. Het wachten was op een gedegen wetenschappelijke biografie die leven, reizen en werk met elkaar zou vervlechten tot één verhaal. Die is er nu in de gedaante van Snouck: het volkomen geleerdenleven van Christiaan Snouck Hurgronje (2021) door de Leidse historicus Wim van den Doel.

Snouck verschijnt in een tijd waarin het Nederlandse koloniale verleden opnieuw onder de loep ligt en is daarbij een welkome bijdrage. Het heeft oog voor Snoucks aanzienlijke kwaliteiten, maar gaat lastige vragen over westers superioriteitsdenken en oriëntalisme niet uit de weg. Het wil mythologiseren noch aanklagen en ontpopt zich als een toonbeeld van genuanceerde geschiedschrijving.

Evolutie van een koloniaal

Van den Doel neemt ons mee vanaf Snoucks jeugd in Zeeland, waar hij opgroeide als zoon van een predikant, langs zijn studie in Leiden, zijn avonturen in de Hidjaz, in het tegenwoordige Saoedi-Arabië, zijn bewogen jaren in Nederlandse-Indië en tenslotte zijn terugkeer naar Leiden, waar hij hoogleraar was, en korte tijd rector van de universiteit.

Snouck was een harde werker zonder ontzag voor gevestigde autoriteiten. Dat bleek al kort na zijn promotie – over de oorsprong van de bedevaart naar Mekka – toen hij in een polemiek met een vooraanstaande hoogleraar terechtkwam. De toen 26-jarige Snouck ging er zo hard in dat de pers hem beschuldigde van onbetamelijkheid en hoogmoed. Hij reageerde des te heftiger, veroordeelde het kleine Nederland waar ‘middelmatige geleerden elkaar de hand boven het hoofd hielden’, en verklaarde zonder omhaal de oorlog aan deze ‘club van bewonderaars’.

Van den Doel laat goed zien hoe Snoucks denken in de loop der jaren evolueerde. Hij begon als overtuigd koloniaal, ontwikkelde een politiek van ‘associatie’ en pleitte voor de democratisering van het koloniale bestuur. Ten slotte stelde hij de hele koloniale onderneming ter discussie.
Snouck was deskundig op tal van terreinen en weigerde zich de maat te laten nemen door mensen die hij als amateurs beschouwde. Hij was overtuigd van zichzelf, maar was niet te beroerd zijn mening te herzien. Van den Doel laat goed zien hoe Snoucks denken in de loop der jaren evolueerde. Was de islamitische wereld in staat zich aan de knellende greep van de religie te ontworstelen? Welke rol moest de lokale elite spelen bij het koloniale bestuur? En de gewone bevolking? Hoe wenselijk was de kolonisatie? Het waren kenmerkende vragen voor zijn tijd, plaats en positie, maar vooral waren het vragen waarmee Snouck zijn hele leven worstelde en waarover hij fundamenteel van mening zou veranderen. Hij begon als overtuigd koloniaal, als iemand die vond dat de islamitische wereld beter af was onder Europees gezag, en dat geweld bij het bereiken van dat doel niet geschuwd hoefde te worden. Hij zette dat kracht bij in de opstandige Indonesische provincie Atjeh, waar hij zij aan zij optrok met de beruchte ijzervreter J.B. van Heutsz, die ook toen al gold als een nietsontziende bevelhebber die zich weinig gelegen liet liggen aan het oorlogsrecht. Maar terug in Nederland ontwikkelde Snouck een politiek van ‘associatie’, waarbij de inheemse elite werd aangemoedigd onderwijs op westerse leest te volgen, eventueel in Nederland zelf. Nog later pleitte hij voor de democratisering van het koloniale bestuur. Ten slotte stelde hij de hele koloniale onderneming ter discussie. Tijdens een belangrijke speech in 1929 zou de nationalistische verzetsleider en latere president Soekarno Snouck lof toezwaaien, omdat hij had gezegd dat niet de verbetering van het onderwijs de voedingsbodem was voor het groeiende verzet, maar ‘de overheersching van een andere bangsa (natie)’. Die eer was niet iedere voormalig koloniale adviseur gegund.

Bekering

Wie was Christiaan Snouck Hurgronje? In het Leidse arabistenmilieu waarin ik opgroeide genoot ‘Snouck’ welhaast mythische status. Zeker in de tijd dat Midden-Oostenstudies nog gevestigd was in het ontzagwekkende pand aan het Rapenburg dat hij had bewoond. Studenten Arabisch liepen als het ware in zijn voetsporen. En er was natuurlijk die tot de verbeelding sprekende reis naar de heilige stad Mekka. Maar unanimiteit was er niet. Wat, bijvoorbeeld, was de betekenis van zijn bekering tot de islam? Was deze oprecht, of was er sprake van opportunisme, noodzakelijk om Mekka binnen te geraken? En hoe waarachtig waren zijn latere contacten met de Indonesische aristocratie? Was dit echt, of veinsde hij hier zijn geloof met als doel waardevolle informatie te vergaren? Drijvende kracht achter deze vragen was destijds de aan de Vrije Universiteit Amsterdam opgeleide arabist P.S. van Koningsveld, die weinig goed kon doen bij sommige van zijn Leidse vakbroeders. De hoogleraar Arabisch Jan Brugman sprak bijvoorbeeld van ‘een mengsel van zedelijke verontwaardiging en gretigheid dat ook het weekblad Privé kenmerkt.’

In het Leidse arabistenmilieu waarin ik opgroeide genoot ‘Snouck’ welhaast mythische status.

Toch zijn de vragen relevant, zeker omdat Snouck zelf sprak van een ‘tijdelijke accommodatie’. Bekering was noodzakelijk om het vertrouwen van zijn islamitische gesprekspartners te winnen. ‘Hoe sterker en ongedwongener de aanpassing, des te vruchtbaarder het onderzoek’, schreef hij in een door Van den Doel aangehaalde brief. Alles voor de wetenschap dus? Vast staat dat Snouck de geloofsbelijdenis uitsprak en zich in Jeddah liet besnijden. Daarmee was hij moslim. Of hij dat ook echt meende was minder relevant, schreef de Leidse arabist Jan Just Witkam eerder in een uitvoerige inleiding bij de door hem bezorgde Nederlandse vertaling van Mekka, verschenen in 2007 (Snouck publiceerde het oorspronkelijk in het Duits). Want binnen een wettische godsdienst als de islam staat de geloofsdaad centraal, niet wat je diep van binnen gelooft.

‘Alleen God kan in de harten van de mensen kijken’, stelt Witkam. Maar uit alles blijkt dat Snouck geen religieus mens was. Zo aarzelde hij niet om een fles cognac naar Mekka te laten opsturen toen eenmaal bleek dat de plaatselijke autoriteiten zijn post onaangeroerd lieten. Feit is dat Snouck wat betreft zijn wetenschappelijk onderzoek veel voordeel had van zijn overgang naar de islam. Eerst in Mekka, waar geestelijken en autoriteiten hem vertrouwden, later in Nederlands-Indië, waar hij eenvoudig toegang kreeg tot de inheemse aristocratie. Dat hij zelf als een autoriteit op het gebied van de islam werd gezien hielp daarbij natuurlijk ook.

Naar de Hidjaz

Het idee voor een reis naar de Hidjaz kwam oorspronkelijk van de Nederlandse consul-generaal, Johannes Kruijt. Hij meende dat pelgrims uit Nederlands-Indië ter plekke in contact kwamen met radicale ideeën, en die vervolgens meenamen naar huis, waar ze de orde – en daarmee het Nederlands koloniale gezag – ondermijnden. Kruijt ontwaarde een ‘Pan-Islamitische beweging’, die via geheime genootschappen in Nederlands-Indië propaganda poogde te maken. Op bezoek in Nederland besprak hij de kwestie met Snouck, en die gaf direct aan hem te willen vergezellen.

Snouck speelde al langer met het idee om af te reizen naar de Arabische wereld: ‘Zoals de oriëntalist in Europa de door hem bestudeerde talen zich meestal niet goed eigen weet te maken omdat hij slechts met het oog observeert en niet met het oor, zo blijft voorstelling van het geestelijke en maatschappelijke leven van de oosterlingen gewoonlijk gebrekkig zolang hem alleen boeken als getuige dienen.’ De Leidse universiteitsbibliotheek volstond niet. Snouck voelde dat hij eropuit moest, het veld in, en waar kon hij dan beter zijn dan in de Hidjaz, waar de heilige steden van de Islam gelegen waren?

Al snel gaat Snouck helemaal op in het Mekkaanse leven. Hij spreekt met geestelijken, schriftgeleerden en notabelen. Ook betrekt hij een huis waar hij samenleeft met een tot slaaf gemaakte Ethiopische. Het was nogal een overgang van het huis aan de Hooigracht in Leiden, merkt Van den Doel fijntjes op.
Vervolgens was het zaak de reis en een langdurig verblijf te financieren. Dat lukte. Op 28 augustus 1884 kwam Snouck per schip aan in Jeddah. Hij sprak hier tal van interessante mensen, en maakte indruk met zijn kennis van de islam, zijn meegebrachte handbibliotheek alsook met zijn fotoapparatuur. Maar de heilige stad lonkte. ‘In Mekka ligt alles voor het grijpen wat in Jeddah bijeengeschraapt moet worden’, schreef Snouck zijn Leidse leermeester. Onweerstaanbaar was ook de mogelijkheid om de islamitische samenleving in haar ‘zuiverste vorm’ te bestuderen. Naar het laat aanzien sprak hij rond de jaarwisseling de geloofsbelijdenis uit. Op 5 januari laat hij zich besnijden. In een notitieboekje noteerde hij hoe de bloeding met de as van verbrand katoen werd verbonden en de wond met speciale zalf werd verzorgd. Naar goed gebruik neemt Snouck een islamitische naam aan: Abd al-Gaffar, ‘Dienaar van de Allesvergevende.’

Op 21 februari tegen het vallen van de avond is het zover. Met vier kamelen maakt Snouck de circa negentig kilometer lange tocht van Jeddah naar Mekka. Eenmaal op zijn bestemming aangekomen verricht hij de religieuze verplichtingen in de Grote Moskee: hij gaat zeven keer rond de Kaäba, kust de zwarte steen en drinkt uit de Zamzam-bron. Al snel gaat hij helemaal op in het Mekkaanse leven. Hij volgt lessen bij de beroemde geleerde Ahmed ibn Zayni Dahlan en spreekt met geestelijken, schriftgeleerden en notabelen uit de Djawa, zoals de gemeenschap van Indonesische moslims in Mekka worden genoemd. Ook betrekt hij een huis waar hij samenleeft met een tot slaaf gemaakte Ethiopische, die hij op de daarvoor bestemde markt heeft aangeschaft. Het was nogal een overgang van het huis aan de Hooigracht in Leiden waar Snouck met zijn zuster en zijn moeder woonde, merkt Van den Doel fijntjes op.

Snoucks verblijf als Europeaan in Mekka was niet uniek. Gedurende de negentiende eeuw was de stad reeds diverse malen door westerse avonturiers bezocht. Maar bijzonder was het nog steeds wel – al was het maar omdat hij als eerste westerling foto’s maakte in de heilige stad. Snouck wilde zich informeren over het dagelijks leven en het religieuze denken. Hij werkte hard, maar de verzengende hitte maakte het er niet gemakkelijker op. Vanaf een zeker moment besloot hij zijn werkzaamheden te staken tot de hadj, de jaarlijkse pelgrimstocht.

Toch had Snouck van de islamitische samenleving zoals hij die eerst in Jeddah en later in Mekka had geobserveerd verder geen al te hoge dunk.
Maar wat het hoogtepunt van Snoucks bezoek aan Mekka had moeten worden, zou hij niet meemaken. Oorzaak was een intrige die leest als het scenario van een spionagefilm. Centraal stond een tablet met Oud-Aramese inscripties waar zowel de Fransen als de Duitsers op aasden. Het ding was gevonden in een oase ten noorden van Medina door een Franse ontdekkingsreiziger. Maar nog voordat die de stèle naar Europa had kunnen transporteren was die vermoord door zijn roofzuchtige bedoeïenengidsen. De zaak liep zeer hoog op en zelfs de Franse premier bemoeide zich ermee. Snouck was vanwege zijn Duitse connecties zeer beducht ermee geassocieerd te worden. Maar vanwege een onoplettendheid gebeurde dat toch. Europese kranten schreven over de zaak, de Osmaanse autoriteiten die de Hidjaz bestuurden namen daar kennis van, en dat was dat. Snouck werd gemaand Mekka onmiddellijk te verlaten.

Hij was er lang genoeg geweest om onder de indruk te raken van het ‘gebouw van den Islam’, met zijn plichtenleer, die het maatschappelijk leven tot in het kleinste detail regelde, en het dogma, dat in de behoeftes voorzag van miljoenen eenvoudige mensen. Maar ook van de mystiek die het ‘meer verfijnd godsdienstig gevoel der denkers bevredigd’. Toch had hij van de islamitische samenleving zoals hij die eerst in Jeddah en later in Mekka had geobserveerd verder geen al te hoge dunk. Ze ‘doorleeft een periode van stilstand, van angstvallige gehechtheid aan het overgeleverde’, schreef hij bij terugkomst in de Nieuwe Rotterdamse Courant.

Welke islam?

Keek Snouck wel de goede richting op? Had hij niet ook in steden als Cairo, Damascus en Istanbul moeten gaan kijken? Wie een boek als De Islamitische verlichting (2017) van de Britse journalist en auteur Christopher Bellaigue leest zou het denken. De invasie van Egypte door Napoleon in 1797 was een wake-up call geweest voor de ingedutte islamitische wereld. Mohammed Ali, de pasja van Egypte, zette zich aan een ambitieus hervormingsprogramma; ook in Istanbul was doorgedrongen dat er iets moest veranderen, wilde de islamitische wereld niet voorgoed door het Westen onder de voet gelopen worden. Tal van hervormingen op het gebied van leger, onderwijs, infrastructuur en hygiëne zagen in de eerste helft van de negentiende eeuw het licht.

Had Snouck niet ook in steden als Cairo, Damascus en Istanbul moeten gaan kijken? De nahda (renaissance) ging gepaard met een poging om een alternatieve moderniteit te ontwikkelen, waarin plaats was voor eigen cultuur, tradities en religie. Bij Snouck (en bij diens biograaf) vind je er weinig van terug.

Deze nahda (renaissance) ging gepaard met een poging om een alternatieve moderniteit te ontwikkelen, waarin plaats was voor eigen cultuur, tradities en religie. Zo sprak de rondreizende moslimintellectueel en politieke activist Jamal al-Din al-Afghani in 1870 in Istanbul een beroemd geworden rede uit waarin hij de ‘decadentie’ van de islam aan de kaak stelde en zijn geloofsgenoten opriep te stoppen met ‘onachtzaam, lui en stupide’ te zijn. In de hoop de oorspronkelijke vitaliteit van de religie aan te boren keerden denkers als Al-Afghani en na hem Mohammed Abdoe en Rashid Rida terug naar de islamitische bronnen. Het was mogelijk de westerse moderniteit en islam te combineren, zo stelden zij.

Bij Snouck (en bij diens biograaf) vind je er weinig van terug. Bekend was dat hij sceptisch stond over het vermogen van de islamitische wereld om zich aan de westerse moderniteit aan te passen. De onfeilbaarheid die werd toegedicht aan Koran of aan wat in een heel vroeg stadium van de islam door schriftgeleerden was uitgedacht, zou dat in de weg staan. Later, toen Snouck zich definitief in Leiden vestigde, sprak hij zich er wel over uit, zoals blijkt uit Nederland en de islam – een recent door de historicus Constanteyn Roelofs heruitgegeven bundel opstellen van Snouck uit 1911. Maar ook toen bleef hij sceptisch. Figuren als Al-Afgani en Abdoe werden door de grote meerderheid van moslims gezien als ‘gevaarlijke modernisten’, en het was nog maar helemaal de vraag of zij ooit zo veel gezag zouden verwerven dat ‘hun opinies voor de vaststelling van de consensus zouden gaan meetellen’.

Dat gebeurde inderdaad niet; wel legden zij de basis voor de politieke islam, het islamisme dat zo’n enorme stempel op de twintigste eeuw zou drukken – en dat feitelijk nog steeds doet.

In de kampong

Eenmaal terug aan de Hooigracht zette Snouck zich aan het schrijven van Mekka. Hij werkte dag en nacht, en dat was ook omdat hij, onrustig als hij was, zijn blik inmiddels op Nederlands-Indië had gericht, waar hij zijn onderzoek zou voortzetten, nu in dienst van de koloniale overheid. Oorspronkelijk was het idee dat hij zich zou bezighouden met de mystieke broederschappen, de zogeheten tarekat, die her en der voor onrust zorgden. Snoucks opdracht was het begrip te vergroten tussen de in hoofdzaak islamitische bevolking en de Nederlandse koloniale autoriteit. Dit deed hij via een niet aflatende stroom adviezen vanuit zijn huis in de kampong, waar hij was gaan wonen met zijn jonge inheemse vrouw Sankana, dochter van een prominente islamitische geleerde. Zij zou komen te overlijden aan de gevolgen van een miskraam, een zware slag voor Snouck, die sprak van een ‘scheur door het leven’. Ze liet hem vijf kinderen na.

Snouck ving de klap op door nog harder te werken dan hij toch al deed. Hij stortte zich op de studie van de zogeheten ‘priesterraden’ op Java, en maakte tal van reizen door de archipel. Daarbij vermeed hij bij voorkeur de Nederlandse assistent-resident en logeerde hij bij inheemse notabelen, met wie hij vaak hechte vriendschappen opbouwde. Veel van Snoucks aandacht ging uit naar het voormalige sultanaat Atjeh, in het noordelijke deel van Sumatra. Hier probeerden de Nederlanders sinds 1873 tevergeefs hun gezag te vestigen. Dat jaar hadden koloniale troepen het paleis van de lokale sultan bezet, die daarop het oerwoud in was gevlucht. Jaren van verwoestende militaire strijd volgden, maar zonder resultaat. Delen van het gebied werden onder controle gebracht, maar zodra soldaten plaatsmaakten voor civiele ambtenaren laaide het gewapend verzet weer op.

De Nederlandse strijd tegen het verzet in Atjeh is wel de eerste moderne counterinsurgency genoemd. Het voornaamste probleem was volgens Snouck dat de Nederlanders amper besef hadden van de samenleving waar ze zich in bewogen.

Het conflict belandde al snel in een impasse. Besloten werd nu tot de aanleg van een linie van zestien forten rondom de provinciehoofdstad Koeta Radja, waarachter het leger zich terugtrok. Maar voor de Atjehse strijders bleek het een ideale schietschijf. Binnen de linie zelf werden regelmatig aanslagen gepleegd. Van een beoogde zeeblokkade kwam intussen weinig terecht. De export van peper ging gewoon door en met de opbrengsten voorzagen de opstandelingen zich van wapens. Al snel was duidelijk dat de Nederlandse positie uitzichtloos was.

De Nederlandse strijd tegen het verzet in Atjeh is wel de eerste moderne counterinsurgency genoemd, en de vergelijking met recente conflicten in Irak en met name Afghanistan dringt zich op: een westerse bezetter die zich met overmacht en vol zelfvertrouwen in een conflict buiten de eigen culturele comfortzone stort, en zich al spoedig bibberend achter een grote stapel zandzakken bevindt, ten prooi gevallen aan aanslagen en opportunistische warlords. Snouck vergeleek de Nederlanders in Atjeh in dat opzicht met ‘een aan de ketting liggende aap, die door een aantal knapen zonder veel gevaar voor hun welzijn tot holdorens toe geplaagd kan worden’.

Het voornaamste probleem was volgens Snouck dat de Nederlanders amper besef hadden van de samenleving waar ze zich in bewogen. In een rapport wees hij op de belangrijke rol die lokale islamgeleerden, de zogeheten oelama, in het conflict waren komen te spelen. Niet de Sultan of de stamleiders, maar deze religieuze leiders zetten de toon. Deze ‘woelgeesten’ waren erin geslaagd de strijd tot een heilige oorlog te transformeren. Onder geen beding zouden de Nederlanders moeten onderhandelen met ‘de actief vijandige’ partij, te weten de religieuze leiders of de bendeleiders. In plaats daarvan dienden zij deze juist ‘zeer gevoelig te slaan’. Vervolgens konden zij proberen het vertrouwen van de gewone bevolking terug te winnen door het stimuleren van landbouw, nijverheid en handel.

Maar Christoffel Deykerhoff, de gouverneur van Atjeh, deed Snoucks adviezen af als ‘ijdele zwetserij’ en trachtte vanaf 1893 inlandse krijgsheren ertoe te bewegen – in ruil voor geld, opium en wapens – de Nederlandse kant te kiezen. Een tijdlang was dat succesvol. Deijkerhoffs grootste vangst was Teukoe Oemar, een van de oorspronkelijke aanvoerders van het verzet tegen de Nederlanders. Als beloning kreeg hij een stenen huis nabij de Nederlandse vesting, een riant salaris en mocht hij een privélegertje op de been houden. Orde en rust daalden over Atjeh neer. Het leek allemaal te mooi om waar te zijn, en dat was het ook.

Op 26 maart 1896 nam Teukoe Oemar een grote hoeveelheid wapens en munitie van de Nederlanders in ontvangst. De volgende dag was het huis leeg en is hij verdwenen. Niet veel later doken ook de andere krijgsheren weer op. Ook hiervoor had Snouck gewaarschuwd: als Teukoe Oemar het werkelijk op zijn rivalen had gemunt, zou hij al lang en breed door hen zijn vermoord. Nee, de koloniale autoriteiten, Deijkerhoff voorop, hadden zich compleet op het verkeerde been laten zetten. Dat kon Snouck in zijn hoedanigheid als adviseur niet hardop zeggen. Daar had hij andere manieren voor, zoals de lezers van de deftige Javabode spoedig zouden merken.

De generaal en de wetenschapper trokken samen door de streek waar zich een aanzienlijk deel van het leiderschap van de Atjehse verzetsbeweging ophield – en zaaiden er dood en verderf.

Onder het pseudoniem Si Gam, handelaar te Penang, Maleisië, maakte Snouck daarin gehakt van het Atjehbeleid. Hij hekelde met name Deijkerhoff, inmiddels gouverneur af, en assistent-resident Kroesen. Deijkerhoff zou hebben ‘gespeeld zonder te weten welke kaarten hij in handen had’. Kroesen dacht dat ‘een met list gehandhaafde schijnbare maatschappij op de lange duur wel tot een werkelijke kon worden’. Maar ook de politici in Den Haag en de ambtenaren in Batavia kregen ervan langs. In het beste geval was er ‘lichtzinnig met het landsbelang omgegaan’.

Het tekende Snouck: als zijn bazen zijn adviezen niet opvolgden, dan probeerde hij zijn gelijk alsnog via de publieke opinie af te dwingen, desnoods onder pseudoniem (hij had er meerdere). Over het algemeen had hij weinig geduld met halfslachtigheid en amateurisme. Zo merkten ook zijn assistenten en latere promovendi. Snouck verlangde van zijn omgeving maximale inzet. Was die naar zijn smaak onvoldoende, dan waren sarcasme en minachting zijn antwoord. Tegelijk kon hij ook zeer loyaal zijn en zijn enorme correspondentie is getuige van langdurige en diepgekoesterde vriendschappen.

Met Van Heutsz in Atjeh

Het verraad van Teukoe Oemar in Atjeh was aanleiding voor een hardere lijn van de kant van het Nederlandse bestuur. Maar Snoucks revanche kwam twee jaar later, toen hij zich als adviseur van Van Heutsz naar het gebied liet sturen. Het gelegenheidspact tussen de gelijkhebberige wetenschapper en de gestaalde militair behoort tot de meer opmerkelijke episodes uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. De generaal en de wetenschapper trokken samen door de streek waar zich een aanzienlijk deel van het leiderschap van de Atjehse verzetsbeweging ophield – en zaaiden er dood en verderf. In de campagne, die vooral de lokale bevolking trof, werden zeker 2.900 Atjehers gedood, waaronder 1.150 vrouwen en kinderen. Het aantal Nederlandse slachtoffers bedroeg 26. De pacificatiecampagne en de gevangenneming van de leiders van de opstand leverden het gewenste resultaat: lokale hoofden onderwierpen zich nu in grote getale aan het koloniale gezag. Toen ‘het ruwe werk’ geklaard was, was het volgens Snouck zaak om deugdelijk bestuur op te zetten. Alleen op die manier kon er sprake zijn van ‘werkelijke pacificatie’. Hierin ligt ook de kiem van de latere verwijdering tussen Snouck en Van Heutsz, toen deze als gouverneur van Atjeh werd benoemd. Hij mocht dan weten hoe hij nietsontziend een opstand moest neerslaan, maar van de volgende stap, het vestigen van duurzaam bestuur, had hij geen kaas gegeten.

Het roept de vraag op hoe Snouck zelf tegenover het gebruik van geweld stond. Van den Doel schrijft dat Snouck ‘geen enkel bezwaar’ had tegen het gebruik van geweld in Atjeh, al lijkt dat mij het punt niet. Voor wie eenmaal tekent voor een koloniale veroveringsoorlog is het vermoedelijk minder de vraag of hij geweld toestaat, dan hoeveel. Snouck zag het gebruik van geweld als een uitzonderingstoestand, als iets dat op doortastende wijze moest worden ingezet, niet te lang mocht duren en door een ‘zachte en beleidvolle nabehandeling’ gevolgd moest worden. Van den Doel maakt aannemelijk dat Snouck daarbij te lichtvaardig dacht over de onrechtmatige methodes de militaire expeditie hanteerde en het daardoor veroorzaakte leed.

Fundamenteler is naar mijn mening dat Snouck het koloniale project omarmde. Het alternatief was volgens hem dat de bevolking crepeerde onder despotische en corrupte lokale heersers – alsof de westerse kolonisator louter werd gedreven door goede bedoelingen.

Fundamenteler is naar mijn mening dat Snouck het koloniale project omarmde. Het alternatief was volgens hem dat de bevolking crepeerde onder despotische en corrupte lokale heersers – alsof de westerse kolonisator louter werd gedreven door goede bedoelingen. In die zin was Snouck een exponent van wat later het ‘ethische imperialisme’ zou gaan heten. Dat de bevolking niet per se goed af was onder het juk van lokale leiders was natuurlijk waar. Maar een koloniale veroveringsoorlog slaat diepe wonden, en daar, zo merkte Van den Doel op, had Snouck geen oog voor, hoe effectief hij in Atjeh ook optrad.

Iets soortgelijks zou je kunnen zeggen van zijn pleidooi voor een volwaardig corps van inlandse bestuurders of de adviezen die hij naar de koloniale autoriteiten in Batavia stuurde. Deze adviezen waren steeds goed geïnformeerd en afgewogen en het is waarschijnlijk dat ze – indien opgevolgd – veel ondoordacht en bruusk optreden hebben weten te voorkomen. Daarmee voorkwam Snouck ongetwijfeld de nodige ellende, droeg hij bij aan beter begrip en stroomlijnde hij de verhoudingen – maar het koloniale project als zodanig stond bij hem niet ter discussie.

Terug in Nederland

Dat veranderde toen Snouck terugkeerde naar Nederland, waar hij in 1907 werd benoemd tot hoogleraar in Leiden. Hij begon zich nu te manifesteren als hoeder van de ontvoogdingsgedachte. Zoals bij wel meer intellectuelen bleek de Eerste Wereldoorlog ook voor hem een katalysator. De collectieve Europese zelfmoord maakte het lastig, zo niet onmogelijk, om de superioriteit van de westerse beschaving nog langer onbekommerd te vieren. Onderscheidde Snouck ‘het Westen’ aanvankelijk nog positief van ‘het Oosten’, in 1922 schreef hij dat ‘wanneer men intellectueel Oosterlingen eens onbevangen hunne critiek hoort uiten van de Westerse cultuur en hare effecten op allerlei gebied, dan wordt men als Europeaan ten slotte wel enigszins tot bescheidenheid gestemd.’

Aanvankelijk pleitte Snouck nog voor ‘associatie’ van de Indonesische elite aan de Nederlandse cultuur; nu ging hij een stap verder en werd de beëindiging van de koloniale overheersing het streven. Wat de islam betreft bleef Snouck tot het einde sceptisch. Islamitische samenlevingen konden zich wel degelijk ontwikkelen en moderniseren. Maar de islam bleef er een remmende, conservatieve factor zo meende hij. Het ‘ongeluk’ van deze religie was dat zij ‘gemeend heeft eens voor altijd met onfeilbaar gezag regelen te moeten geven, die alle handelingen der gelovigen tot in de geringste bijzonderheden bepaalden’.

De delicate balans tussen islam en lokale tradities en gebruiken die Snouck ooit met zoveel verve documenteerde, staat onder grote druk.
Zeker, de islam kent allerlei voorschriften waar gelovigen niet omheen kunnen, en dat maakt hervormen van binnenuit lastig. Er is altijd ruimte voor interpretatie, maar veel is cultureel en politiek bepaald. Denk maar aan Atjeh, waar tegenwoordig de sharia van kracht is, en lijfstraffen worden uitgedeeld. Elders in Indonesië (en ook elders in de islamitische wereld) rukt het wahabisme op, een dogmatische zendingsvariant van de islam die eind achttiende eeuw ontstond op het Arabisch schiereiland. De delicate balans tussen islam en lokale tradities en gebruiken die Snouck ooit met zoveel verve documenteerde, staat onder grote druk. Niet dankzij pelgrims uit Mekka, maar door Saoedi-Arabië, dat sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw naar hartenlust extremisme exporteert. Moskeeën, imamopleidingen en televisiekanalen – schier oneindige olie-inkomsten zijn er goed voor. Het is een ironie van de geschiedenis dat Snouck in de jaren dertig adviseerde over het contract tussen het Saoedische koningshuis en het Amerikaanse bedrijf Standard Oil.

Tegelijk verspreidt zich via internet de ideologie van Islamitische Staat – de zoveelste mutatie van het islamisme dat begin twintigste eeuw ontstond, en dat zich succesvol afzette tegen de door het Westen gesteunde seculier-autoritaire regimes in het Midden-Oosten. Dat heeft allemaal minder met theologie te maken, en alles met politiek.

Snouck maakte alleen het begin van deze twee ontwikkelingen mee. Van den Doels geslaagde biografie maakt onwillekeurig benieuwd naar wat hij van deze werdegang zou hebben gevonden, en wat hij zou hebben geadviseerd.