Gastvrijheid, gelijkheid en intimiteit in een unheimische wereld
Lisa Doeland

Rebecca Tamás, Strangers: Essays on the Human and the Nonhuman (Makina Books 2020), 114 blz.


Als iets het moderne denken kenmerkt, dan is het wel een verlangen naar zuiverheid. Dat streven is echter een illusie – zo’n oorspronkelijke zuivere staat van zijn heeft nooit bestaan – en bovendien uitsluitend: het is veelal de (witte, mannelijke westerse) mens die bepaalt welk leven als ‘zuiver’ geldt. In het tijdperk van het antropoceen zullen we moeten leven in en met een beschadigde, unheimische wereld en ons open moeten stellen voor het onwelkome, onwelgevallige en vreemde, betoogt Lisa Doeland aan de hand van Rebecca Tamás’ Strangers.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Alexis Shotwell, Against Purity: Living Ethically in Compromised Times (University of Minnesota Press 2016), 264 blz.
Rebecca Tamás, Strangers: Essays on the Human and the Nonhuman (Makina Books 2020), 114 blz.
Rebecca Tamás, Strangers: Essays on the Human and the Nonhuman (Makina Books 2020), 114 blz.

‘Born plastic free’, lees ik op de verpakking van de doekjes waarmee ik de billen van mijn dreumes afveeg. Ik zie een plaatje van een lachende baby die de aarde omarmt, met daaronder de belofte dat de doekjes zich in zestig dagen laten composteren en dat de verpakking zelf 100 procent recyclebaar is. Kan het nog duurzamer, onschuldiger, puurder? Dat iets recyclebaar is, betekent alleen niet dat het ook gerecycled wordt. En mijn zoontje mag dan betrekkelijk nieuw zijn in onze wereld, onbevlekt is hij toch zeker niet. Noch plasticvrij. Al toen hij nog veilig in mijn baarmoeder geborgen zat, baanden zich al microscopisch kleine deeltjes plastic een weg door de placenta naar zijn lichaampje in wording. Daar helpt geen lieve moer aan, in het antropoceen. En als we een aantal recent verschenen boeken mogen geloven over het ‘tijdperk van de mens’, dan hoeft dat ook helemaal niet. Onze eindeloze pogingen om onze omgeving op onze wensen te laten aansluiten en alles wat ons niet bevalt buiten de deur te houden, zijn juist het probleem. We moeten leren ons gastvrijer op te stellen en te leren leven met het onwelkome, het onwelgevallige, het vreemde.

Vervreemd verleden

Rebecca Tamás’ essaybundel Strangers: Essays on the Human and the Nonhuman (2021) kwam dit voorjaar prachtig verpakt mijn huis binnen. Het boek was zorgvuldig gevouwen in ongebleekt papier, met daarop in stemmig zwart-wit de twee bladeren met ogen afgedrukt, die ons ook vanaf de kaft van het boek aanstaren. Dit zal de vreemdeling zijn die mij iets te vertellen heeft, die een aanspraak op mij maakt en om een gastvrij onthaal vraagt. Maar voor ik de kaft openvouw en Támas’ essays induik, wil ik even stil blijven staan bij de verpakking zelf, want die zit mij niet helemaal lekker. Wordt mij hier niet net zo goed zuiverheid verkocht? Hoe onderscheid je greenwashing van een oprechte poging om dingen anders te doen? Wat is er mis met iets zo mooi mogelijk te willen verpakken?

Onze eindeloze pogingen om onze omgeving op onze wensen te laten aansluiten en alles wat ons niet bevalt buiten de deur te houden, zijn het probleem. We moeten leren ons gastvrijer op te stellen en te leren leven met het onwelkome, het onwelgevallige, het vreemde.
In Against Purity: Living Ethically in Compromised Times (2016) beschrijft de Canadese filosoof Alexis Shotwell hoe ze op de terugvlucht van een conferentie over het antropoceen haar handen wast met een zeepje van het merk philosophy. ‘philosophy: with clean hands we find our grace. we realize the slate can be as clean as we allow it to be,’ leest ze op de website van het bedrijf. Waar halen we toch het idee vandaan dat we kunnen leven zonder vuile handen te maken? Het is dit ethos, zo suggereert Shotwell, dat het begin markeert van wat tegenwoordig het antropoceen wordt genoemd. Ze vat het antropoceen dus niet op als een nieuw geologisch tijdvak, maar als een mens- en wereldbeeld, dat ruwweg overeenkomt met wat we al kennen als de moderniteit. Want als iets het moderne denken kenmerkt, zo hebben onder meer Bruno Latour, Graham Harvey en Val Plumwood laten zien, dan is het wel een verlangen naar (conceptuele) zuiverheid.

Het ethos van het antropoceen wortelt volgens Shotwell in de aanname dat er zoiets bestaat als een schone lei, een oorspronkelijke, zuivere staat van zijn (van de mens, van de natuur, et cetera), die gevonden of hervonden moet worden. Punt is dat de lei nooit schoon is geweest – in den beginne was er niet zoiets als ‘zuiverheid’. De ideologische, theoretische, lichamelijke en materiële zuiverheid die de antropos nastreeft, beneemt hem (man, wit, westers) zodoende het zicht op onze fundamentele verknooptheid en afhankelijkheid, kortom: onze onzuiverheid. Het is niet alleen onmogelijk onze lichamen volledig tegen vreemde indringers zoals microplastics te beschermen, we kunnen ons ook niet ontdoen van de geschiedenissen waarvan we deel uitmaken en die ons gevormd hebben. Kolonialisme, racisme en seksisme, het zijn onuitwisbare geschiedenissen die we op ons moeten nemen en in het oog moeten houden. Misschien dat er een betere wereld mogelijk is, maar die zal opgetrokken moeten worden uit de resten van de wereld die we hebben. Dat vraagt erom dat we stilstaan bij hoe de huidige tot stand is gekomen.

Tamás neemt ons daarom mee naar het Engeland van 1649, naar St. George’s Hill in Surrey, waar de ‘Diggers’ toentertijd in opstand kwamen tegen de privatisering van de commons (gemeenschappelijk beheerde gronden) en een proto-communistische kolonie stichtten. Daar waar zich tegenwoordig een gated community bevindt – merk op dat de hedendaagse ‘communities’ nogal uitsluitend zijn, in tegenstelling tot de ‘commons’ van weleer – vinden we onder de grond nog restjes aarde waar de Diggers ooit op liepen – sluimerend, wachtend. Tamás citeert Gerrard Winstanley, de leider en oprichter van de Diggers:

Is de aarde gemaakt om ervoor te zorgen dat een paar begerige, trotse mannen comfortabel kunnen leven, die schatten van de aarde weghouden van anderen en ze zodoende veroordelen te bedelen en te verhongeren in een vruchtbaar land; of was de aarde gemaakt om al haar kinderen te onderhouden?

Deze vraag blijft onverminderd actueel. Wie maakt aanspraak op de aarde? En hoe wordt dat vergoelijkt? De Diggers-gemeenschap was weliswaar geen lang leven beschoren – al na vier maanden werden ze op verzoek van de landeigenaar door militairen verdreven – maar hun bezetting is volgens Tamás niet voor niets geweest, omdat ze ‘de parameters van het denkbare’ hebben veranderd. In het huidige debat over politiek en de klimaatcrisis weerklinkt, hoe zacht ook, de echo van hun geschiedenis, die ons leert dat er een andere wereld denkbaar en mogelijk is. Emancipatoire politiek, vervolgt ze, komt er steeds op neer het geloof in een ‘natuurlijke orde’ te doorbreken en te zien dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn. Of anders hadden kunnen lopen – er is wel degelijk een alternatief.

Emancipatoire politiek komt er steeds op neer het geloof in een ‘natuurlijke orde’ te doorbreken en te zien dat de dingen ook anders zouden kunnen zijn. Of anders hadden kunnen lopen – er is wel degelijk een alternatief.
Voor we ingaan op de vraag hoe dat alternatief eruit zou moeten zien, wil ik nog even blijven hangen bij het belang van denkbaarheid. We zijn geneigd ons in het anders denken der dingen op de toekomst te richten – een typische kwaal van de moderniteit – maar Tamás laat ons zien dat we juist in het verleden moeten graven. Ze grijpt daarvoor terug op het essay ‘Over het begrip van de geschiedenis’ van de Duitse filosoof Walter Benjamin, die stelde dat leren van de geschiedenis niet draait om erachter te komen ‘hoe het precies was’, maar om een bepaalde herinnering te grijpen, die zichtbaar wordt ‘op een moment van gevaar’. Benjamin schrijft dat ‘de enige historicus die de gave heeft om hoop in het verleden te vinden, degene is die ervan overtuigd is dat zelfs de doden niet veilig zullen zijn van de vijand, als deze overwint. En deze vijand heeft tot nu toe altijd overwonnen.’ Die vijand, dat zijn de overwinnaars van de geschiedenis, die suggereren dat hun overwinning onontkoombaar is, door ons te wijs te maken dat de huidige situatie niet de uitzondering maar de regel is. Om te zien dat het anders kan, moeten dus we het verleden nieuw leven inblazen, omdat het ooit (bijna) anders was.

Een verbrokkeld universum

Hannah Arendt & Susan Sontag, Walter Benjamin: in het teken van Saturnus (vert. Dirk De Schutter & Remi Peeters, Octavo 2021), 160 blz.
Kathryn Yusoff, A Billion Black Anthropocenes or None (University of Minnesota Press 2018), 115 blz.

Hannah Arendt vergeleek Walter Benjamin met een parelduiker. In de onlangs opnieuw in het Nederlands uitgeven vertaling van haar essay ‘Walter Benjamin: 1892-1940’ schrijft ze dat Benjamins denken een dichterlijk denken is, dat met denkbrokstukken werkt. Geen gehelen dus, maar stukjes, die van het verleden gered moeten worden omdat ze ons nog iets te vertellen hebben:

Zoals de parelduiker, die naar de bodem van de zee afdaalt, niet om die uit te graven en naar het daglicht te brengen, maar om in de diepte het rijke en zeldzame, de parels en de koralen, los te wrikken en als fragmenten naar boven te brengen en te redden, zo duikt het denken in de diepte van het verleden, maar niet om het te beleven zoals het was, noch om voorbije tijden te laten herleven. Dit denken wordt geleid door de overtuiging dat wat leeft weliswaar aan de ruïne van de tijd onderhevig is, maar dat dit aftakelingsproces tegelijkertijd een kristallisatieproces is.

Het komt erop aan die fragmenten te vinden en naar boven te halen. Ze stellen ons namelijk in staat om – en hier keer ik weer terug naar Tamás – in te zien dat de noodtoestand waarin we ons bevinden niet van de ene op de andere dag tot stand is gekomen. Bovendien wijzen deze denkbrokstukken ons op de gemene deler: ongelijkheid. Tamás’ alternatief is daarom: radicale gelijkheid, zowel tussen mensen onderling, als tussen mensen en niet-mensen (non-humans). Medelijden is niet genoeg, stelt ze, wanneer de rechten van andere levende wezens geschonden worden. Als we niet-mensen als gelijkwaardig voor kunnen stellen omdat zij, net als wij, kunnen lijden en handelingsvermogen (agency) hebben, dan verdienen zij ook gelijke rechten.

Er is niet één antropoceen dat ons allemaal bindt, er zijn er onbevattelijk veel.
Hoewel ik haar koppeling van die radicale gelijkheid aan gelijke rechten problematisch vind – zijn rechten niet bij uitstek mensendingen, waarmee we onmogelijk recht kunnen doen aan niet-mensen? – is de manier waarop Tamás het probleem van die ongelijkheid verbindt met het verworden van mensen, dieren en dingen tot bezit (property) en bezitter van bepaalde kenmerken (properties) verfrissend. Tamás volgt hierin geograaf Kathryn Yusoff, die in A Billion Black Anthropocenes or None (2018) beargumenteert dat de opkomst van de geologie (als discipline) en het kolonialisme (als praktijk) innig met elkaar verbonden zijn. Het antropoceen markeert volgens Yusoff niet zozeer het begin van een nieuw geologisch tijdvak, als wel van het gelijktijdige ontstaan van zowel ‘de mens’ als de ‘on-mens’ (inhuman), van zowel de witte kolonisator als de gekoloniseerde zwarte Ander. Met ‘zwart’ doelt ze overigens niet alleen op de zwarte mens, maar ook op het zwart van de aarde en het zwart van de olie. Ze definieert Zwartheid (Blackness) als ‘verplaatsbaar bezit’, dat verbonden is met objectivering en verschillende vormen van slavernij, en Witheid (Whiteness) als het recht om plek in te nemen, de globe te bereizen en zich dingen toe te eigenen, kortom: vrijheid. Het idee dat we op alle mensen doelen wanneer we over de mensheid spreken, is volgens Yusoff dan ook een misvatting. Veeleer is ‘de mensheid’ (humanity) een uitsluitend construct: de witte mens geldt als universeel en voldoet aan een bepaald ideaalbeeld, de zwarte mens (nog) niet – die zal zich moeten ‘ontwikkelen’. En dat is een niet onbelangrijk besef in een tijd waarin voortdurend verwezen wordt naar de mensheid die vanwege de ecologische crisis in gevaar is. Deze verwijzing beneemt ons het zicht op de oneerlijke verdeling van de gevolgen van klimaatopwarming en op het feit dat daar al lang en breed onder geleden wordt.


Lees ook Lisa Doelands uitgebreidere bespreking van het oeuvre van Timothy Morton, die door sommigen wordt beschreven als ‘filosoof-profeet van het antropoceen’, maar zichzelf eerder als verkoper van ideeën ziet.


Het ontstaan van objectiveerbare, koloniseerbare en ‘ontginbare’ Zwartheid koppelt Yusoff aan het ontstaan van de geologie als discipline. Ze definieert geologie als een regime dat tegelijkertijd actieve subjecten en passieve objecten voortbrengt, en dat niet alleen mineralen, maar ook personen tot ontginbaar bezit reduceert. Geologie en geopolitiek zijn, kortom, niet los van elkaar te zien. In zoverre het antropoceen verteld wordt als een verhaal over hoe ‘we’ in deze planetaire hachelijke situatie terechtgekomen zijn, wordt deze duistere geschiedenis aan het oog onttrokken. Het ‘we’ ontkent bovendien alle verantwoordelijkheid voor de manier waarop ‘onze’ rijkdom vergaard is (en wordt) over de ruggen van tot slaaf gemaakte mensen (en, zo zou ik daaraan toe willen voegen, tot slaaf gemaakte dieren) en tot delf- en grondstof gereduceerde mineralen, planten, et cetera. Ik schrijf hier overigens niet ‘et cetera’ omdat we allemaal wel begrijpen wat tot de rest van deze opsomming behoort. Er is immers altijd iets wat niet gezegd wordt, iets wat dreigt te worden uitgesloten, en wat we alsnog proberen te omvatten met het ‘et cetera’. In die lijn moet ook Yusoffs ‘schaduwgeologie’ begrepen worden, de ‘miljard zwarte antropocenen’ uit de ondertitel. Er is niet één antropoceen dat ons allemaal bindt, er zijn er onbevattelijk veel.

Yusoff legt in haar definitie van het antropoceen weliswaar een ander accent dan Shotwell, maar hun definities zijn zonder meer verwant. Beiden onderzoeken de uitsluitingsmechanismen die gepaard gaan met de aanspraak op universaliteit en (conceptuele) zuiverheid, die ons bovendien blind maken voor het feit dat wij op geen enkele manier op onszelf staan. Er is niet zoiets als een ground zero waar het relaties betreft, aldus Yusoff. We worden bepaald door onze omgeving, onze afkomst, onze geschiedenis, en moeten zodoende waken voor oorsprongsverhalen, die doorgaans meer verbloemen dan ze aan het licht brengen. We beginnen altijd in medias res en kunnen, schrijft Shotwell, niet ontkomen aan medeplichtigheid (complicity) en zullen eindeloos moeten schipperen (compromise). Zuiverheid is geen optie, we kunnen het nooit helemaal goed doen.

Al te (on)menselijk

Timothy Morton, Humankind: Solidarity with Non-Human People (Verso 2017), 224 blz.
Timothy Morton & Dominic Boyer, Hyposubjects: On Becoming Human (Open Humanities Press 2021), 94 blz.

Maar wie zijn nou precies die vreemden uit de titel van Tamás essaybundel? Zijn wij dat niet – ook – zelf? Wat brengt ons het onderscheid tussen de mens en de niet-mens uit Tamás’ ondertitel? Hoe verhouden die figuren zich dan weer tot bijvoorbeeld Yusoffs on-mens? En wat te denken van al die andere mensachtigen die vandaag de dag het denken over het antropoceen domineren, zoals de posthuman, de more-than-human en de anti-human? Het interessante is volgens mij vooral dat aan al die termen restjes ‘mens’ kleven. We kunnen de problematische erfenis van ‘de mens’ niet verbannen of verdringen, maar moeten die juist opnemen en de dialoog ermee aangaan. Daarom is het van belang dat er iemand overblijft – een subject – om dat te doen.

Zoals Timothy Morton opmerkt in zijn onlangs verschenen Hyposubjects: On Becoming Human (2021), komt het erop aan ons narcisme zo ver uit te breiden dat het al die mensachtigen omvat, want ‘als je de narcistische relatie kapotmaakt, maak je bij voorbaat ook de relatie met de ander kapot.’ Daar lijkt Tamás, die in haar essay over gastvrijheid voortborduurt op eerder werk van Morton, zich zeer van bewust. Morton schreef eerder in Being Ecological (2019) dat het betrekkelijk eenvoudig is om van de natuur te houden als een ontzagwekkende, open ruimte, maar het een stuk ingewikkelder wordt wanneer we ons richten op de verontrustende, afschrikwekkende wezens met een minder menselijk gezicht die haar eveneens bevolken. Denk bijvoorbeeld aan kernafval (dat lekt), PFAS (dat rondspookt), olie (die wordt opgepompt) en mondkapjes (die daarvan gemaakt worden). De taak van de ecologische denker, zo stelt Morton, is om uit te zoeken hoe we ook daar ruimte voor kunnen maken – en er zelfs van kunnen leren houden. Maar zou het niet beter zijn geweest als die wezens er domweg niet waren geweest? Voor die pijnlijke waarheid lijkt weinig ruimte in onze door techno-optimistische, (eco)modernistische idealen gedomineerde wereld. Liever dan afval als een probleem te zien, om maar een voorbeeld te noemen, dopen we het om tot grondstof. Hup, probleem weg (en we kunnen rustig verder produceren en consumeren). Optimistisch en oplossingsgericht, dat is het devies. Ik kan daar persoonlijk nogal moedeloos van worden, wanhopig zelfs, want ondertussen gaat de afbraak rustig door.

Liever dan afval als een probleem te zien, om maar een voorbeeld te noemen, dopen we het om tot grondstof. Hup, probleem weg (en we kunnen rustig verder produceren en consumeren). Optimistisch en oplossingsgericht, dat is het devies.

Tamás zou me op het hart drukken te waken voor wanhoop. In haar essay over rouw schrijft ze dat wat tegenwoordig ‘eco grief’ heet – een gevoel van rouw om verlies van ecosystemen door toedoen van de mens – meer wegheeft van ‘eco despair’. Met die termen grijpt ze terug op het onderscheid dat Sigmund Freud maakte tussen rouw en melancholie. Waar rouw gericht is op iets concreets, zoals iemand die is overleden, op iets wat verloren is gegaan waardoor de wereld (tijdelijk) verarmd en leeg lijkt, is er in geval van melancholie geen sprake van een concreet verlies. Het ego zelf is verarmd en leeg geworden. En zoals Morton ook al benadrukt, is enige vorm van narcisme van belang – zonder narcisme geen ego. Wie aan melancholie lijdt, keert zich tegen zichzelf en vervalt in gevoelens van waardeloosheid, machteloosheid en zelfhaat. En daar worden we, merkt Tamás fijntjes op, niet daadkrachtiger van. Niet heel handig in tijden van ecologische crisis, waarin toch enige vorm van actie vereist is. Tamás heeft alle begrip voor de melancholicus – ze leed zelf ooit aan een diepe depressie – maar zoekt een manier om voorbij de zelfgerichtheid van de wanhoop te komen en ruimte te maken voor de rouw, die in essentie over de ander gaat en niet over de rouwende zelf. Met ecoloog Aldo Leopold concludeert ze dat rouwen om het milieu erom vraagt dat we leren leven in een wereld vol wonden. Er is geen terugkeer mogelijk naar een oorspronkelijke, ongerepte wereld (want die was er überhaupt al nooit). We zullen moeten leren leven in en met een beschadigde, unheimische wereld.

Hoe dat te doen? Het antwoord dat Tamás, Shotwell en Morton daarop geven (en Yusoff indirect ook) is dat we onze uitsluitingsneigingen moeten bedwingen en ons gastvrijer op moeten stellen. Tamás brengt ons in herinnering dat philoxenia (‘vriend van het vreemde’) een centrale rol speelde in het klassieke Griekenland, omdat het idee leefde dat goden zich soms als vreemdeling voordeden aan de mens. En goden wil je natuurlijk te vriend houden. Daar staat tegenover dat een vreemdeling ook geen God kan zijn, maar een onguur type. Gastvrijheid is, kortom, niet zonder gevaar. Toch is de openheid voor het vreemde volgens Tamás cruciaal en doen we er goed aan onze individuele angsten terzijde schuiven. Ze pleit voor intimiteit met vreemden, de niet-mens (non-human) incluis, waarbinnen plaats is voor het potentieel gevaarlijke en afschrikwekkende. De radicale intimiteit die zij voorstaan stemt tot nederigheid en confronteert ons bovendien met wat Tamás karakteriseert als de onuitspreekbare doelloosheid van het bestaan, waarvoor menselijke ideeën over doelmatigheid en vooruitgang niet meer dan omhulsels zijn. We bestaan voort, zeker, maar dat voortbestaan gaat nergens heen en doen we bovendien niet alleen. We zijn afhankelijk van vreemden, waarmee we op de meest vreemdsoortige manieren verknoopt zijn.

Gast, host, vriend, vijand

Het Latijnse hospes kan zowel ‘gast’ of ‘vreemde’ als ‘host’ betekenen en wijst ons zodoende op de noodzaak van radicale intimiteit. Wie is de host en wie komt te gast?
Ik wil tot slot nog graag stilstaan bij de Latijnse wortels van hospitality en hostility, iets wat Tamás zelf curieus genoeg niet doet, omdat ik denk dat deze begrippen niet alleen inzicht bieden in de radicale intimiteit die ze voorstaat – de ontologische kant van de zaak – maar ook ruimte bieden aan de radicale gelijkheid die ze beoogt – de ethische en politieke kant. Het Latijnse hospes kan zowel ‘gast’ of ‘vreemde’ als ‘host’ betekenen en wijst ons zodoende op de noodzaak van radicale intimiteit. Wie is de host en wie komt te gast? Morton speelt overigens wel expliciet met deze verwarring in de inleiding tot Humankind (2017). ‘Ben ik niets meer dan een voertuig voor de talloze bacteriën die mijn microbioom bewonen? Of ben ik bij hen te gast? Wie is de host en wie is de parasiet?’, vraagt hij, om daaraan toe te voegen: ‘De term “host” stamt af van het Latijnse hostis, een woord dat zowel “vriend” als “vijand” kan betekenen.’ We mogen bij hostility dan meteen aan vijandschap denken, maar de hostis zou dus net zo goed een vriend kunnen zijn. De vraag is steeds: voor wie? Wat goedgezind of gevaarlijk is voor de een, is dat niet per se voor de ander. Wanneer we streven naar radicale gelijkheid, zullen we het nooit iedereen naar de zin kunnen maken, maar het is in ieder geval wel duidelijk dat de belangen van alle betrokkenen ertoe doen, en niet slechts die van een select gezelschap.

Terug naar de luierverpakking waar ik mee begon en naar de lachende baby daarop die de aarde omarmt. Ik word daar toch vooral intens verdrietig van. Wat voor wereld laten we onze kinderen na? Een unheimische en in toenemende mate onleefbare wereld. Laten we dus vooral ophouden hen en onszelf te verkopen dat dat niet zo is en ons vastklampen aan de hoop dat we uiteindelijk wel een weg terug naar ‘normaal’ zullen weten te vinden. Nee, dan liever het motto dat Tamás haar bundel meegeeft: ‘Child be strange, dark, true, impure and dissonant. Cherish our flame.’