Zweefmoment
Janna Reinsma

Joost Zwagerman Essayprijs 2020



* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit essay verscheen in dNBg 2021#6

Al zolang ik me kan herinneren, ritsen mijn handen zo nu en dan een mooie foto of tekening uit een krant of tijdschrift, haast onwillekeurig. Hoewel ik regelmatig zit te scheuren, doe ik verder niet veel met de plaatjes – meestal verdwijnen ze geruisloos tussen stapels papier. Als ze geluk hebben belanden ze op het prikbord. Zo is er zonder dat ik er aanvankelijk erg in had in de loop der tijd aan de muur een thematische verzameling ontstaan, een groepje foto’s dat elkaar in stilte gezelschap houdt.

In elk van de foto’s is een split-second vastgelegd van een beweging die in werkelijkheid pijlsnel voorbij ging, zo snel dat de fotograaf misschien domweg geluk heeft gehad.

Allereerst is er de grote krantenfoto van twee turnsters midden in de lucht, scherp afgetekend tegen een pikzwarte achtergrond. De ene turnster draagt een roze pakje en zit voorgoed gevangen in een flikflak achterover. De andere heeft een blauw pakje aan en gaat een salto afronden.

Ernaast hangt een foto van een keeper, op de rug gezien door de mazen van zijn goal. Hij hangt in een bijna diagonale houding stijf in de lucht en kijkt over zijn schouder, in de richting van de kijker, waar hij ziet hoe de bal nét in gaat. Op een derde foto is de hoofdrol weggelegd voor een hertje dat zich aan een kleine kudde medehertjes onttrekt door pardoes over een hek het beeld uit te springen, als een polsstokhoogspringer. Het is een foto die bizar en vrolijk aandoet, alsof een anarchistische Bambi hier even zijn ware aard laat zien.

Naast turners, voetballers en hertjes telt de verzameling op het prikbord nog veel meer springende wezens. In elk van de foto’s is een split-second vastgelegd van een beweging die in werkelijkheid pijlsnel voorbij ging, zo snel dat de fotograaf misschien domweg geluk heeft gehad. De mensen en dieren zijn stuk voor stuk gevangen in een zweefmoment, ergens tussen hemel en aarde. Of gevangen? Misschien is juist de enorme vrijheid die hun ten deel lijkt te vallen het meest overweldigende en aanstekelijke aan deze beelden; het volkomen loskomen van zwaartekracht en tijd en andere hinderlijke zaken die ons gekluisterd houden aan de grenzen van onze mogelijkheden.

Ook de duiker hierboven, die de Italiaanse fotograaf Nino Migliori zeventig jaar geleden in mid-air vastlegde, die op bescheiden ansichtformaat de kroon is op mijn prikbordverzameling, doet bijna onaards aan. Is het omdat die jongen daar zo onmogelijk bewegingloos in de lucht zweeft, netjes parallel aan de horizon, alsof hij de fotograaf graag even helpt om een mooie compositie te creëren? En uit hoffelijkheid nog wat langer blijft hangen zodat de fotograaf goed kan scherpstellen? De rust van het beeld staat in eigenaardig contrast met de luide plons die op het zweefmoment moet zijn gevolgd, die je haast dwars door het beeld heen al kunt horen.

***

Ongeveer zeventig jaar voor Migliori’s Il tuffatore (‘De duiker’) wijdde een andere fotograaf, Eadweard Muybridge (1830-1904), een periode van zijn leven aan het vastleggen van voorheen ongeziene momenten. In meer dan honderdduizend foto’s legde deze pionier met behulp van meerdere camera’s en het nieuwe technische hoogstandje van ultrakorte sluitertijd mensen en dieren in beweging vast. Eén van zijn beroemdste series toont een galopperend paard. Tot die tijd was het gissen geweest naar wat de benen van een paard precies uitspookten in galop; dankzij Muybridge werd het geheim onthuld. Hij maakte zichtbaar dat er een moment is waarop het paard alle vier de benen tegelijkertijd in de lucht heeft. Dat er werkelijk een zweefmoment bestond, daar was na het zien van deze beelden geen twijfel meer over mogelijk.

A galloping horse and rider, Eadweard Muybridge, 1887


Foto’s boven: Eadweard Muybridge

 

Behalve paarden legde Muybridge ook onder meer duiven, ezels en papegaaien vast. En heel veel mannen en vrouwen die bewogen, die bijvoorbeeld renden, sprongen of baseball speelden – bij voorkeur naakt.

Hoewel de series van Muybridge op hun eigen manier betoverend en grappig zijn (en ze uiteraard op mijn prikbord hangen), hebben ze op mij niet hetzelfde magische effect als de duiker van Migliori. Ze zijn van een andere orde. Muybridge bracht met voorbedachten rade zijn vele camera’s in stelling in een studiosetting en wist baanbrekend gedetailleerd vast te leggen hoe mensen en dieren bewegen. Hij wilde de zweefmomenten ontraadselen.

Migliori lijkt zo’n vijfenzeventig jaar na hem als het ware per ongeluk het toeval op de staart te hebben getrapt. Of eigenlijk: hij lijkt iets te hebben betrapt. Wat dan? En betrapt waarop?

Migliori heeft de rommelige werkelijkheid betrapt op het soort toverachtigheid dat weleens te ontdekken valt in het alledaagse, maar dat we lang niet altijd zien.
Ik waag een poging: hij heeft de rommelige werkelijkheid betrapt op het soort toverachtigheid dat weleens te ontdekken valt in het alledaagse, maar dat we lang niet altijd zien. Op zo’n surreëel beeld dat je nu en dan kunt waarnemen in de gewone wereld, of er dwars doorheen: iets wat deel uitmaakt van die wereld maar er ook, tegelijkertijd, een uitzondering op vormt. Een beeld dat te midden van een wereld vol toeval en willekeurigheid geladen lijkt met betekenis.

Het onder normale omstandigheden onzichtbare moment tussen twee andere momenten van de duiker lijkt ook te verbeelden hoe de mens altijd onderweg is van het ene naar het andere, zowel letterlijk als figuurlijk – het leven als één grote tussenfase. Omdat we altijd vooruitblikken en terugblikken op wat komen gaat en wat geweest is, vergeten we nogal eens dat dit hier het is, en dat het zo voorbijglipt als je even niet oplet.

***

In zijn boek Opgespoorde wonderen (2003) schreef Rudy Kousbroek een kort essay over een foto van een paard dat in vliegende galop langsraast – precies vastgelegd in het zweefmoment. Alles aan de foto ademt beweging.

Kousbroek opent zijn essay met de woorden: ‘Het voorbijgaan van de tijd, daar zijn weinig foto’s van.’ De foto in kwestie is er volgens hem één. ‘Waarheen gaat de galop? Dat is duidelijk, naar de dood.’ En hij associeert verder, op zijn Kousbroeks. Over sterfelijkheid en het verlangen en de liefde die ons voortdrijven, en hoe die twee ook zelf weer innig met de dood verbonden zijn. Toch eindigt hij uiteindelijk ergens anders dan waar hij begon:

Anthony Suau 1994, fragment, in Rudy Kousbroeks Opgespoorde wonderen (Pocket 2004)
Anthony Suau 1994, fragment uit Rudy Kousbroeks Opgespoorde wonderen (Pocket 2004)

Gelukkig is dat niet de enige interpretatie. Als ik lang naar die foto kijk en afstand doe van het tragische zie ik het ook anders: waarom loopt dat paard zo hard? Waarheen is hij op weg? Helemaal niet naar de Dood. Het is omdat er rechts buiten het beeld iemand aankomt die hij zojuist herkend heeft, iemand die haar armen naar hem uitstrekt. Daar stormt hij nu op af. Hij komt zijn oren laten aaien, en zijn neus, die duwt hij in haar hals.

Zo wordt het aanvankelijk haast abstracte paard, dat het voorbijgaan van de tijd belichaamde, in korte tijd door Kousbroek (die veel van dieren en vrouwen hield) omgeschreven tot een haast menselijk paard van vlees en bloed; een goeiig, aaibaar wezen dat uit is op het best denkbare gezelschap.

Zoals Kousbroek het naar ik vermoed best zou hebben zien zitten om een paard te zijn op weg naar de armen van een meisje, zo wil ik wel de duiker zijn. Zolang ik dat niet durf, kijk ik graag af en toe naar hem.

***

Kousbroeks essay staat zoals gezegd in een boek met de titel Opgespoorde wonderen, met wat hij ‘fotosyntheses’ noemt: korte essays bij foto’s. Misschien is mijn eigen fotojutten simpelweg het aanleggen van mijn eigen wonderenverzameling, met de duiker als voorlopig summum. Maar hoewel ik de foto heb opgesnord, krijg ik er niet helemaal vat op. Wat maakt juist deze zweeffoto zo subliem?

Wat ik erin zie, verandert met me mee.
De duikende jongen lijkt behalve de volmaakte beweging en de volmaakte stilstand nog zoveel meer tegenstellingen te symboliseren. Wat ik erin zie, verandert met me mee. Een paar jaar geleden zag ik in de duiker vooral de wens de moed te hebben ergens in te springen, iets groots aan te gaan in de nabije toekomst, versus het nog-niet-kunnen of nog- niet-durven. Iemand die in beweging wil komen en zich daar tegen verzet. En ik zag uiteraard de menselijke sterfelijkheid: elk bewegen vooruit is moeten aanvaarden dat met onszelf ook de tijd almaar voortbeweegt, dat elke sprong uiteindelijk vallen wordt.

Nu zie ik in de duiker vooral de paradoxale combinatie van het volledig opgaan in het moment, opgaan eigenlijk in niets minder dan het volle leven, en een heerlijk even niet-zijn – hetgeen natuurlijk nooit tegelijk kan. Misschien is dat laatste wel, wat ik er nu het begeerlijkst aan vind: een ogenschijnlijk vacuüm in de onuitputtelijke stroom van ervaringen, een kalm wegvallen van alle (in)druk(ken) dat er in het werkelijke leven nooit is. De duiker legt de tijd stil, ontstijgt die, doet het onmogelijke: hij wint het van de tijd. Hij is een mens die heel even pauze heeft van het leven. En van zichzelf.

***

Ook al is de foto zwart-wit en hebben de zwembroeken van de jongens een evident verouderde snit, toch doet De duiker voor mij in eerste instantie tijdloos en haast abstract aan. Maar is dat wel zo? Misschien is hij wel specifiek voor mij op deze manier betekenisvol.

Als klein meisje raakte ik op een vakantie met mijn ouders in een klein Italiaans dorpje betoverd door een iets oudere, donkere jongen die we altijd zagen als we naar het zwembad gingen. Hij droeg een knalgroene, ongewoon lange zwembroek, ongetwijfeld de plaatselijke mode, hij maakte fenomenale ‘bommetjes’ met zijn vrienden en kon zwemmen als de beste. Ik herinner me het keiharde plonzen, de explosies van water. Ik observeerde terloops alles wat hij deed. Hij zag mij nooit; ik was te klein om zijn belangstelling te wekken.

Toen ik na de vakantie met de bommetjesgod zelf op zwemles ging en voor het eerst echt leerde zwemmen, vond ik dat zo onaangenaam en eng dat ik stopte zodra het mocht, direct na mijn A-diploma. Ik vrees dat ik geen held ben, geen dappere springer, een avonturier hooguit in het diepst van mijn gedachten. Mensen die wel goed kunnen zwemmen zijn in mijn ogen dus al snel als vissen in het water van de wereld, als Italiaanse jongens.

***

In een interview met The Guardian uit 2018 vertelt fotograaf Nino Migliori, die nu vierennegentig jaar oud is, hoe hij in de zomer van 1951, dus toen hijzelf vijfentwintig was, de haven van Rimini bezocht, waar jongeren aan het zwemmen waren. De twee jongens op de foto waren broers. Omdat er op het dok maar twee of drie meter ruimte was om vaart te maken en de sprong te wagen, bukte de ene broer, zodat de ander over hem heen kon springen. Migliori deed zijn uiterste best, deed vele verschillende pogingen de duiker zo horizontaal mogelijk vast te leggen en slaagde daar wonderwel in.

Ik had altijd gedacht dat de badgast naast de duiker zomaar een jongen was, iemand die even niet oplette en het wonder miste dat zich op een armlengte afstand voltrok. Dat het in werkelijkheid zijn broer betrof die juist medeplichtig is aan het wonder, maakt het alleen maar mooier.

De duiker werd Migliori’s beroemdste werk. Zelf was hij er echter niet zo van onder de indruk. ‘Ik identificeer me niet met die foto, want hij is het gevolg van toeval,’ zei hij tientallen jaren later over zijn kunststukje.
Na afloop deed Migliori weinig met de foto. Pas jaren later ontdekte een Amerikaanse galeriehouder een afdruk, en de rest is geschiedenis. De duiker werd Migliori’s beroemdste werk. Zelf was hij er echter niet zo van onder de indruk. ‘Ik identificeer me niet met die foto, want hij is het gevolg van toeval,’ zei hij tientallen jaren later over zijn kunststukje. Een vreemde opmerking voor een fotograaf die zich enorm had ingespannen om precies dit moment vast te leggen, in deze uitsnede. Misschien bedoelde hij dat je een wonder maar beperkt kunt regisseren. Of misschien was hij de romantiek van de straatfotografie inmiddels wel spuugzat, waarbij in navolging van fotografen als Henri Cartier-Bresson werd gesproken van, en ook zeker werd gedweept met, de magie van het beslissende moment.

***

Een klein zijpad. Judith Herzberg schreef een drietal aangrijpende gedichten over De val van Icarus (uitgegeven in 1983), het beroemde schilderij van Brueghel de Oude, waarop Icarus net uit de hemel is gevallen. In een hoekje van het doek is Icarus in Herzbergs woorden ‘stilgeschilderd’, precies op het moment dat hij in zee verdwijnt. Rondom hem blijft overal het leven onverstoorbaar zijn gang gaan. (Het schilderij inspireerde eerder ook W.H. Auden in 1938 al tot een prachtig, beroemd gedicht, Musée des Beaux Arts, waar Herzberg ook op reageert).

Brueghel de Oude, De val van Icarus, 1595-1600
Brueghel de Oude, De val van Icarus, 1595-1600

Op het schilderij zijn behalve de benen van Icarus een boer met zijn ploeg, een herder en een visser te zien. Geen van drieën lijken ze iets te merken van het tragische einde van Icarus. Maar Herzberg schreef vanuit al deze personages een gedicht en gaf hun ieder een verhaal en een eigen blik op het toeslaan van het noodlot. Dit is het gedicht De boer:

Het ergste is dat alles blijft zoals het is

Ik wil en kan niet ingrijpen ik wil

naar huis, de koeien melken

en vergeten wat ik zag. Het ergste is

dat dit tumult, als op een schilderij-

dat deze val, van wat?

van nacht nu bijna al

mij in één houding vat.

Mijn ploeg loopt vast het blijft mij bij

ik schud het nooit meer af.

Het ergste is als zelfs vergaan

al stilgeschilderd is.

Ik moet vaak aan die mooie slotregels denken: ‘Het ergste is als zelfs vergaan / al stilgeschilderd is.’

Voor mij weet De duiker in eenzelfde soort stilstand misschien wel het omgekeerde te vatten van waar Herzberg en ook Auden het over hebben; dus: het negatief van de onverteerbare onverschilligheid van de wereld voor onze sterfelijkheid, voor ons noodlottige gevangen-zijn in tikkende tijd. Zoiets moet het zijn.

Ik waagde de sprong ook een kort gedicht te schrijven, over De duiker, vrij naar Herzberg:

Het mooiste is dat lijf en lijn gelijk

bevriezen in de tijd. Ik kan en wil

niet wegkijken ik zal onthouden wat ik zag

Ook als dit beeld ‘maar’ toeval was

Het blijft mij bij, de broers,

ik raak het nooit meer kwijt.

Misschien is het willen opsporen van wonderen, met een camera of een kwast of pen of desnoods door gewoon iets uit een krant te scheuren en op te hangen, wel een minuscule verzetsdaad tegen het grote onverschillige getik.

***

Een van de mooie dingen aan een wonder is dat er geen sleutel is die helemaal past, geen verhaaltje dat het raadsel definitief ontraadselt. Echt opgespoord wordt een goed wonder denk ik nooit.

In 2010, meer dan een halve eeuw nadat de foto van de duiker werd genomen, is door een krant uit Bologna een zoektocht gestart: wie waren die jongens op de foto eigenlijk?
In 2010, meer dan een halve eeuw nadat de foto van de duiker werd genomen, is door een krant uit Bologna een zoektocht gestart: wie waren die jongens op de foto eigenlijk? Migliori vertelt dat de reacties binnenstroomden: ‘Iedereen wilde iets met de foto te maken hebben, aangezien men dacht er iets aan te kunnen verdienen.’ Maar hoewel de krant volgens de fotograaf twee maanden lang elke dag berichten ontving, zijn de broers nooit meer gevonden.

Misschien hebben ze de foto nooit gezien, dat is goed mogelijk, of waren ze in 2010 niet meer onder ons. Maar het zou ook best kunnen, stel ik me voor, dat de echte tuffatore vreesde in werkelijkheid niet te kunnen tippen aan de zeggingskracht van zijn beeltenis, aan de metafoor in zwart-wit die hij geworden was.

Of… wie zal het zeggen? Misschien hangt de duiker nog altijd ergens onverstoorbaar boven het water, boven zijn broer, gestold in de tijd.