Advertentie
Banner

Kleine auteurs, grote verhalen?

Lodewijk Verduin leest en vergelijkt de zoektochten van drie biografen naar schrijvers van wie de namen de gemiddelde literatuurliefhebber misschien niet veel zeggen. ‘Binnen het raamwerk van een levensloop springt de hedendaagse literaire biograaf van het persoonlijke naar het politieke, en brengt hij grote en kleine geschiedenissen met elkaar in contact.’

Besproken boeken

Was het een paar decennia terug nog bon ton om te zeggen dat Nederland geen ‘biografieëncultuur’ had, aangezien er hier vergeleken met andere landen wel erg weinig professionele aandacht werd besteed aan de levens van belangwekkende individuen, nu is dergelijk gemopper volstrekt ongeloofwaardig geworden. Loop een willekeurige bibliotheek of boekwinkel binnen en je stuit binnen de minuut op forse pillen over Nederlandse politici, voetballers, koninginnen, criminelen en kunstenaars. Klaarblijkelijk bevindt die biografieëncultuur zich al geruime tijd in een weldadig warme omgeving, met een explosieve groei tot gevolg.

Op het vlak van de literatuur werd die inhaalslag halverwege de jaren tachtig ingezet, toen de eerste academische schrijversbiografieën begonnen te verschijnen. Nadat Wam de Moor in 1982 promoveerde op het leven van J. van Oudshoorn, volgden ze elkaar in rap tempo op: doorwrochte en omvangrijke boeken over klassieke auteurs als Lodewijk van Deyssel, Louis Couperus, Frederik van Eeden, Menno ter Braak en E. du Perron, opzienbarende levensbeschrijvingen van Henriette Roland Holst, Herman Heijermans en Annie Romein-Verschoor. In de eenentwintigste eeuw kregen de naoorlogse helden eenzelfde behandeling: er kwamen twee dikke delen over Willem Frederik Hermans, drie over Gerard Reve en veelbesproken bestsellers over Hella S. Haasse, Lucebert en Jan Wolkers – het monument voor Harry Mulisch laat nog op zich wachten, maar schijnt nu toch echt in aanbouw te zijn.

Dit is natuurlijk goed nieuws voor lezers en de letteren in het algemeen: eindelijk kunnen we zien hoe grote literatuur tot stand is gekomen of, als dat je niet interesseert, wat de producenten ervan zoal tot zich namen en in de slaapkamer uitspookten. Voor aanstormende biografen is het echter ook een onrustbarende constatering: wat staat hun nog te doen, nu alle prominente onderwerpen vergeven zijn?

Juist wanneer auteurs niet alleen maar succesvol waren en er dus een leven buiten de kunst moest zijn, kunnen hun biografieën nieuwe perspectieven op hun tijd bieden.

In het Engelse taalgebied kennen ze twee manieren om deze impasse te omzeilen. Daar verschijnen iedere paar jaar gewoon weer nieuwe biografieën van canonieke schrijvers als William Faulkner, Sylvia Plath of Fjodor Dostojevski, die deze figuren in een nieuw licht zetten en hun nalatenschap afstemmen op het heden. Tegelijkertijd is er herwaardering voor (vrouwelijke) critici, smaakmakers en experimentele auteurs – denk aan Susan Sontag, Elizabeth Hardwick, Kathy Acker en Angela Carter – die middels levensbeschrijvingen worden bijgezet in het literaire pantheon.

Maar in Nederland lijkt de biografische aandacht juist op te schuiven naar obscuurdere kunstenaars, soms zelfs naar auteurs die zich bij leven al in de marge bevonden. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet, aangezien anderen de potentie van deze benadering reeds hebben bewezen. Zo liet Hans Renders met zijn biografie van Jan Hanlo zien dat het leven van een cultschrijver als basis kan dienen van een fascinerend verhaal, waarin literatuurgeschiedenis, cultuurhistorische ontwikkelingen en uitzonderlijke ervaringen samenkomen. Juist wanneer auteurs niet alleen maar succesvol waren en er dus een leven buiten de kunst moest zijn, kunnen hun biografieën nieuwe perspectieven op hun tijd bieden. Binnen het raamwerk van een levensloop springt de hedendaagse literaire biograaf van het persoonlijke naar het politieke, en brengt hij grote en kleine geschiedenissen met elkaar in contact.

Afgelopen jaar werden er drie boeken gepubliceerd over schrijvers van wie de namen de gemiddelde literatuurliefhebber waarschijnlijk niet veel zeggen, laat staan dat ze in diens boekenkast zullen prijken: L. Th. Lehmann, Ida Simons en Jan Eijkelboom. Desondanks blijken hun levensbeschrijvingen spraakmakend. Reden dus om deze biografieën onder de loep te nemen en te peilen welke verhouding zij aanbrengen tussen literatuur, leven en geschiedenis. Leidden deze minor writers terugblikkend toch major lives?

Een ‘overlevende’ schrijft

Van de drie is Ida Simons (1911-1960) degene die nog het minste is weggezakt in de literaire vergetelheid. Haar roman Een dwaze maagd (1959) werd in de decennia na haar dood al door verschillende uitgeverijen herdrukt. Toen het kleine uitgevershuis Cossee het boek in 2014 presenteerde als een ‘literaire ontdekking’ werd het ook nog een verkoopsucces: binnen een jaar gingen tienduizend exemplaren over de toonbank, wat waarschijnlijk meer te maken had met het publicitaire inspelen op de internationale Stoner-hype van een jaar eerder dan met pure literaire kwaliteit. Deze sympathieke korte roman over een bijdehand meisje dat in de jaren twintig opgroeit in de joodse gemeenschap van Antwerpen werd toen en nu gewaardeerd om het tijdsbeeld en de onmiskenbare persoonlijke kern: Simons blijft zeer dicht bij haar eigen ervaringen, zozeer dat je op sommige vlakken misschien eerder van autobiografie dan van fictie kunt spreken.

Begrijpelijk dus dat de roman een grote rol speelt in de Simons-biografie van oud-docent Nederlands en dichter Mieke Tillema (1944). Hoewel in de inleiding omzichtig verklaard wordt dat literatuur en werkelijkheid niet door elkaar zullen worden gehaald, volgt daarop praktisch het hele boek in blokcitaten en parafrases. Een aangename reprise voor de liefhebber, maar Tillema doet dit niet alleen uit waardering: door een gebrek aan biografisch bronmateriaal moet zij zwaarder steunen op het literaire werk.

Aangevuld met wat archiefstukken blijkt dat gelukkig voldoende om de basale feiten op een rij te krijgen. Ida Rosenheimer heeft Duitse en Nederlandse ouders en werd geboren in Antwerpen; ze was een kind van de joodse diaspora. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moest het gezin vluchten, niet alleen vanwege hun joodse identiteit, maar ook omdat het Duits staatsburgerschap van de vader hen tot vijanden van de Belgische autoriteiten maakte. Via Engeland kwamen ze in Den Haag terecht, waar de jonge Ida enige naamsbekendheid kreeg als pianist. In 1933 trouwde ze met de jurist Dagobert (David) Simons (1904-1998), die carrière maakte als advocaat en hoogleraar werd in Rotterdam. Tot zijn dood bleef hij een spil in de Haagse joodse gemeenschap.

De eerste dertig jaar van Simons’ leven flitsen voorbij in evenzoveel bladzijden; veel nieuws over de persoonlijke ontwikkelingen of het innerlijk leven van de vrouw in wording heeft Tillema niet kunnen vinden. Om daar toch iets voor in de plaats te stellen, noteert ze haar uitgebreide speculaties naar aanleiding van poesiealbums en foto’s in plakboeken, wat onmachtig en enigszins frivool aandoet. Veel beter is dit probleem opgelost in de hoofdstukken over de meest bepalende periode van Simons’ leven: de deportatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan de hand van dagboeken van lotgenoten als Philip Mechanicus en Etty Hillesum geeft Tillema eerst een levendig beeld van het reilen en zeilen van de in een kasteel ondergebrachte Barneveldgroep, om vervolgens uiterst beklemmend de gang naar Westerbork en Theresienstadt te beschrijven. Het echtpaar Simons wist door een uitruil met krijgsgevangenen (het mysterieuze Zwitserlandtransport) aan de gaskamers te ontkomen, maar Ida was permanent beschadigd: fysieke en psychische klachten zouden haar de rest van haar leven blijven plagen.

Vanuit een vergelijkbare onderzoeksgrondigheid laat Tillema weinig heel van de romantische kunstenaarsmythe. Citerend uit soms vernietigende recensies stelt ze voorzichtig vast dat Simons weliswaar kleine succesjes had, vaak in eigen kring, maar nooit als een echt muzikaal talent heeft gegolden. Vervolgens laat ze zien dat Simons’ schrijverschap direct uit het kapseizen van haar pianocarrière voortkwam. Toen ze na de oorlog geen optredens meer kreeg, probeerde Simons zich creatief opnieuw uit te vinden: ze begon te schilderen, te dichten en verhalen te pennen. Omdat haar man garant stond voor een fors inkomen en ze als schrijver ogenschijnlijk maar wat deed – Tillema wist onder andere cabaretteksten en mislukte Engelstalige misdaadverhalen terug te vinden –, krijgt Simons in deze biografie iets van een fröbelende huisvrouw, die pas wat noemenswaardigs wist te maken vond toen ze op aanraden van vrienden haar eigen ervaringen op papier zette. Het geslaagde experiment kreeg echter geen vervolg: Simons stierf in 1960, waarschijnlijk door de hand aan zichzelf te slaan, en bleef zo de schrijver van één boek.

Naar de psychologische drijfveren van Simons is het gissen, en ook over haar intieme leven kan Tillema weinig vertellen. Liever biedt zij een goed gedocumenteerde kroniek van een periode, waarin de ervaringen van één ‘overlevende’ als brokstukje van de grotere geschiedenis worden gepresenteerd. Die voorzichtigheid is gerechtvaardigd, maar op verschillende plaatsen had ze verbanden moeten expliciteren.

Zo ontmoette Simons op een gegeven moment de toen redelijk bekende maar inmiddels vrijwel vergeten Vlaamse diplomaat en veelschrijver Marnix Gijsen (pseudoniem van Jan-Albert Goris, 1899-1984). Na een (mislukte?) versierpoging van zijn kant bleven ze bevriend. Waarom precies, weten we niet: Gijsen, die zoals blijkt uit zijn nu eens slijmerige en paternalistische, dan weer stikjaloerse of vreselijk onzekere epistels een behoorlijke ploert was, heeft haar brieven – geheel in stijl – niet bewaard. Wel is het overduidelijk dat Simons op literair vlak veel aan hem te danken had: Gijsen wierp zich op als ‘gids’, las en becommentarieerde haar eerste verhalen, moedigde de beginnende schrijver aan en stelde haar voor aan verschillende invloedrijke literaire figuren, waaronder zijn redacteur bij uitgeverij Stols. Dat haar debuut even daarna in hetzelfde fonds verscheen, lijkt me bepaald geen toeval, al wijdt Tillema er geen woorden aan. Hetzelfde geldt voor de ontvangst van het boek: bijna trots maakt Tillema gewag van de eerste gloedvolle recensies, geschreven door Adriaan van der Veen, J. Greshoff en Clare Lennart. Aan het feit dat zij alle drie goede vrienden van Gijsen waren, die door hem doelbewust met Simons in contact waren gebracht, verbindt ze vreemd genoeg geen verdere conclusies.

Het is enigszins ongemakkelijk om hierbij stil te staan in een tijd waarin er juist weer oog is voor de eigen verdiensten van twintigste-eeuwse schrijfsters – Tillema’s project ligt wat dat betreft in lijn van dat van Fixdit, het feministisch canoniseringscollectief dat aandacht vraagt voor auteurs als Mary Dorna en Anna Blaman –, maar een schrijversbiografie moet ook inzicht bieden in de literaire infrastructuren van weleer, en laten zien dat individuele schrijvers altijd in een netwerk staan. Talent en originaliteit worden zo eclectisch verdeeld als blikseminslagen, en laten zich als gevolg moeilijk ontbinden in maatschappelijke factoren, maar de wegen naar het kunstenaarschap zijn altijd sociaal en historisch bepaald – het is de verantwoordelijkheid van de biograaf om ons daar steeds weer bewust van te maken.

Nuchtere kijk op een drinkende dichter

Een tweede schrijversleven dat getekend werd door oorlog, maar dan weer op een totaal andere manier, is dat van J. (Jan) Eijkelboom (1926-2008). De opkomst van het Derde Rijk betekende het einde van zijn rustige jeugd in Dordrecht: als tiener werd hij door een oudere buurtgenoot geronseld voor het verzet, waarvoor hij per roeiboot voedsel naar onderduikers in de Biesbosch bracht. Hij deed eindexamen en moest zich vervolgens verschuilen op de zolder van zijn grootouders om daar het laatste oorlogsjaar uit te zitten. Tijdens de bevrijding, toen zijn leeftijdsgenoten feestvierden of uitkeken naar studeren en een kamer voor zichzelf, deed Eijkelboom iets onbegrijpelijks: hij meldde zich direct aan als ‘oorlogsvrijwilliger’, alsof hij nog niet genoeg had van het krijgsgewoel.

Ondanks een aanzienlijke hoeveelheid persoonlijk materiaal koos Van ’t Hof voor een feitelijke biografie, waarin vooral aandacht wordt besteed aan literaire kringen en contacten.

Na een training in Engeland werd hij in 1947 uitgezonden naar Java, waar hij als KNIL-sergeant deelnam aan wat later misleidend de ‘politionele acties’ zouden worden genoemd. Het extreme geweld dat nu door het NIOD-onderzoek officieel uit de doofpot is gehaald, zag Eijkelboom van dichtbij: in brieven beschrijft hij hoe onschuldige Javanen door militairen mishandeld en vermoord werden. Drie mannen uit zijn peloton stierven, twee verloren hun zicht en/of ledematen, en hoewel hij alleen licht gewond raakte, kwam hij begrijpelijkerwijs terug met ‘wat later een posttraumatisch stresssyndroom zou worden genoemd’, aldus zijn biograaf Kees van ’t Hof (1935), net als Tillema voormalig leraar Nederlands.

Daarmee is de centrale wond van Eijkelbooms schrijverschap aan het licht gebracht, maar een diepgravende analyse ervan blijft uit: Van ’t Hof plakt er simpelweg een label op en gaat verder. Ook hij psychologiseert amper, maar in dit geval is er geen beperking vanuit het archief: ondanks een aanzienlijke hoeveelheid persoonlijk materiaal koos Van ’t Hof voor een feitelijke biografie, waarin vooral aandacht wordt besteed aan literaire kringen en contacten.

De jonge Eijkelboom bleek dan ook vaak op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Hij was een schoolvriend van de dichter en kunsthistoricus Jan Emmens (1924-1971), die Forum (1932-1935) las, het invloedrijke tijdschrift van Ter Braak, Du Perron en de Vlaamse schrijver Maurice Roelants, en zijn klasgenoten aan boeken van Nietzsche hielp. Later financierde Emmens’ vader het literaire tijdschrift Libertinage, dat het gedachtegoed van Ter Braak en Du Perron in leven moest houden; dit aandeelhouderschap creëerde weer vroege publicatiemogelijkheden voor de twee jongens met schrijfambities. Als student Engels schreef Eijkelboom voor het studentenblad Propria Cures, samen met bekende figuren als Joop Goudsblom, Pierre Vinken, Rutger van Zeijst en Renate Rubinstein. Vervolgens was hij opnieuw deel van een legendarische redactie, namelijk die van de eerste jaargang van het literaire tijdschrift Tirade, waar naast Emmens, Vinken en Goudsblom ook J.W. Smit en Rob Nieuwenhuys in zaten. Tel daar vriendschappen met Peter Vos, Theo Sontrop en Hugo Brandt Corstius bij op, en je hebt alle bestanddelen voor een kleurrijk portret van de naoorlogse culturele wereld.

Door de nuchtere kijk van de biograaf blijft hier echter weinig van over. De bevriende studenten waren meer bezig met boeken lezen en rondhangen dan met het schrijven van ambitieuze stukken, en de rommelige, slepende opstart van Tirade, die werd getekend door vertwijfeling en kleine meningsverschillen, ademt bepaald geen literaire romantiek. Andere potentieel boeiende gebeurtenissen worden door Van ’t Hof bewust of onbewust klein gehouden. Over Renate Rubinstein wordt weinig meer gezegd dan dat iedereen haar knap vond, en een affaire met Fritzi Harmsen van Beek blijft slechts een randzaak. Twee geweldige bijpersonages kreeg de biograaf in zijn schoot geworpen, maar de uniciteit van deze schrijvende vrouwen gaat verloren door het nogal opsommerige karakter van dit boek.

Maar als leesbaarheid het streven was, dan is Van ’t Hof zeker in zijn missie geslaagd: Nooit het hele hart is een compacte, uiterst toegankelijke schrijversbiografie, die je doodmoe, afgeleid of licht beneveld in een paar uur kunt lezen zonder een moment de draad kwijt te raken. Daarmee is het misschien wel een boek in de geest van Eijkelboom zelf. Als jongeman was hij er altijd bij, publiceerde hij hier en daar eens een gedicht, maar na zijn studententijd voelde hij zich voorbijgestreefd door vrienden die wel wetenschappelijke of literaire carrière maakten. Via zijn contacten kon hij aan de slag als journalist en eindredacteur, eerst bij Vrij Nederland, later bij Het Vrije Volk en De Dordtenaar, maar als schrijver voelde hij zich mislukt. Van de weeromstuit begon Eijkelboom maar alvast te leven als een stereotiepe dichter: hij dronk een fles sterkedrank per dag, tot hij er epileptische aanvallen van kreeg en nog verder, en werd bemoederd door veel jongere en enigszins kwetsbare vrouwen. Dat hij jaren zo door kon blijven leven, had vooral te maken met de goede wil van vrienden en hun vertrouwen in het literaire talent dat zich ergens diep in de alcoholistische Eijkelboom moest ophouden.

En ten slotte kwam het eruit. Een paar jaar therapie deed de schrijver Eijkelboom ontwaken: in 1979 debuteerde hij, drieënvijftig jaar oud, met een dichtbundel. Er zouden er nog een stuk of zes volgen, die waardering oogstten bij liefhebbers van klassiekere poëzie en af en toe bekroond werden met een literaire prijs. Niets wat Van ’t Hof citeert is echter dusdanig sterk dat ik de drang voelde om een dichtbundel op te zoeken: het is allemaal zeer degelijk, maar het weet zijn tijd niet te ontstijgen. Dat heeft Eijkelboom zelf ook moeten merken. Toen hij zijn verhalen over het koloniale geweld op Java, waar hij sinds zijn studententijd aan werkte, in 2000 eindelijk in druk liet verschijnen, bleef de verwachte reuring en waardering uit: inmiddels waren zijn traumatische ervaringen oud nieuws geworden.

Het leven van Eijkelboom bevat genoeg klein en groot drama om er een meeslepende biografie uit te destilleren. Toch voelt Nooit het hele hart eerder aan als een chronologische verzameling van losse literaire en persoonlijke feiten. Dat is niet alleen omdat Van ’t Hof weinig ruimte inlast voor de verbindende historische achtergrondinformatie, maar vooral omdat hij praktisch onzichtbaar blijft als verteller. Eijkelbooms naïeve uitspraak dat hij als KNIL-soldaat ‘Slauerhoff achterna’ ging krijgt geen tegengas, over zijn diepkoloniale, pijnlijk-ongemakkelijke verhouding met een Javaanse vrouw wordt alleen droogweg medegedeeld dat hij haar ‘voor zover bekend, niet zwanger maakte’. Nergens is er een oordeel over Eijkelboom te vinden, en ook blijken van waardering zijn zeldzaam. Uit het notenapparaat is op te maken dat Van ’t Hof decennia terug al met Eijkelboom in gesprek was en jaren aan deze biografie heeft gewerkt. Waarom ging zijn sympathie en langdurige belangstelling uit naar deze schrijver die, zoals Goudsblom treffend dichtte, slechts ‘begaafd op kleine schaal’ was? Ik had het graag willen weten, maar vrees dat de biograaf het antwoord, net als Eijkelboom dat met zijn diepste gevoelens en drijfveren deed, voor zichzelf zal houden.

Wonderkind tegen wil en dank

De literaire ontwikkeling van L. Th. (Louis) Lehmann (1920-2012) verliep diametraal tegenovergesteld aan die van Simons en Eijkelboom: zijn bekendste werk schreef hij niet op middelbare leeftijd, maar toen hij nog maar een puber was. Aan het eind van de jaren dertig produceerde Lehmann honderden verzen op zijn jongenskamer, die via Adriaan van der Veen (daar is hij weer), een neef van een schoolvriend, bij het tijdschrift Groot Nederland terechtkwamen. Daar was men blijkbaar razend enthousiast, want ze publiceerden wel vijftig van die gedichten in één jaargang. Ze kregen al gauw bijval van de belangrijkste literaire figuren van toen: Greshoff, Ter Braak, Nico Donkersloot en Ed. Hoornik prezen het werk van de jonge Lehmann uitvoerig. Op eenentwintigjarige leeftijd had hij drie bundels op zijn naam, die sterk genoeg waren om zijn reputatie te vestigen en literaire bewonderaars te kweken. Maar toen viel hij stil – het schrijversbestaan dat hem praktisch was komen aanwaaien, bleek toch niet naar zijn gading.

Een uiterst merkwaardig en kronkelig levenspad ontrolde zich vervolgens. Lehmann keerde de Amsterdamse literaire wereld de rug toe om rechten te gaan studeren in Leiden, al was hij daar vooral actief als corpsbal. Bij het traditionele Minerva had de voormalige dichter het behoorlijk naar zijn zin: hij was deel van een studentenorkest en leerde er paardrijden. Halverwege de jaren vijftig leverde hij een scriptie in over de heksenjacht en plakte hij er een studie klassieke talen achteraan. Lehmann werd vervolgens actief als amateurarcheoloog, nam deel aan verschillende opgravingen, en promoveerde in 1995, praktisch bejaard, nog op polyremen (een bepaald type oud-Griekse militaire roeischepen). Hoewel er zo nu en dan nog publicaties van hem verschenen, beweerde Lehmann stellig dat het altijd om oud jeugdwerk ging of dat hij schreef om zijn studies te bekostigen. Op zijn bestverkochte publicatie, een geschiedenisboek over galeien, identificeerde hij zich alleen nog maar als scheepsarcheoloog: levenslang probeerde hij aan de status van ‘literair wonderkind’ te ontkomen.

Tien jaar na zijn dood lijkt dat hem gelukt te zijn: er zullen vandaag de dag nog maar weinig poëzielezers, jong of oud, actief op zoek zijn naar het vroege werk van Lehmann. Niet zo gek, stelt Jaap van der Bent (1948), voormalig universitair docent Amerikaanse letterkunde, die veel over de beatgeneration publiceerde, en nu ook biograaf. Die gerenommeerde gedichten zijn volgens hem ‘helemaal niet zo bijzonder en eigenlijk alleen interessant voor wie zich voor Lehmanns latere ontwikkeling interesseert’. Waarom dan toch dit forse boek? Lehmanns oeuvre heeft niet de prioriteit in deze biografie. De ondertitel mag dan ‘leven en werk’ zijn, in de essayistische proloog schrijft Van der Bent dat hij ‘geen literaire kritiek’ wil bedrijven. Het gaat hem om het uitzonderlijke leven van Lehmann, en de vele citaten uit brieven, verhalen en gedichten worden kundig gebruikt om daar kleur en vorm aan te geven.

Lehmann was levenslang werkloos en was daar zeer verbolgen over, maar een niet onaardige baan als reclameman bij Unilever verspeelde hij door dagenlang alleen maar paperclips uit het raam te schieten.

Na lezing van deze biografie begrijp je waarom. Lehmann trok de wereld over en leidde een wervelend en onconventioneel schrijversleven. Hij sprak ooit met Jorge Luis Borges over ‘oud-IJslandse sagen’ en raakte bevriend met de zwarte beatdichter Ted Joans. Daarnaast ontmoette hij meerdere mensen die lijken te zijn weggelopen uit een roman van Thomas Pynchon: erg smakelijk portretteert Van der Bent ene Mal Dean, ooit verkozen tot ‘third best trumpeter in the world’, die zich toelegde op een ‘serie levensgrote schilderijen van vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog’ en metselaar moest worden om de kost te verdienen.

Maar verreweg het meest memorabele personage is Lehmann zelf. Na een jeugd te hebben geschetst die menigeen met een joekel van een oedipuscomplex zou hebben opgezadeld, kondigt ook deze biograaf aan dat hij het handelen van zijn onderwerp niet psychologisch wil verklaren. In dit geval zorgt dat er effectief voor dat je Lehmann vooral kunt beschouwen als een metamorfoserende en grillige romanfiguur. Ik heb vaak hardop moeten lachen om zijn diepgewortelde wereldvreemdheid: Lehmann was levenslang werkloos en was daar zeer verbolgen over, maar een niet onaardige baan als reclameman bij Unilever verspeelde hij door dagenlang alleen maar paperclips uit het raam te schieten. Toen hij als veertigjarige student op een kamertje van tien bij tien terecht was gekomen, ging hij in intensieve psychoanalyse (vijf keer per week!), om na een decennium te concluderen dat de therapie ‘mislukt’ was, mede omdat hij moeilijke vragen slechts in betekenisloze fantasietaal wilde beantwoorden. Op andere momenten is het zijn absolute vrijgeestigheid die bewondering afdwingt. Lehmann bleef een ‘perfecte amateur’, aldus zijn weduwe: hij componeerde muziek, schreef libretto’s en toneel, allemaal zonder succes, en maakte op hoge leeftijd een comeback als jazzdichter. Ondanks zijn gebrekkige ritmegevoel nam hij tot zijn tachtigste deel aan de improvisatiesessies van danseres Pauline de Groot. Hij publiceerde in het literaire tijdschrift Barbarber en de punkzines van Diana Ozon en trad op in het kunstenaarsdorp Ruigoord – niet omdat hij zo graag ergens bij wilde horen, maar omdat hij als sociale eenling ging waar hem ruimte geboden werd.

John Updike schreef ooit in The New York Review of Books dat biografieën welbeschouwd ‘novels with indexes’ zijn, en deze kwalificatie is op de best mogelijke manier van toepassing op de schitterend vormgegeven biografie van Van der Bent, die van de levenswandel van zijn held een waar avontuur heeft weten te maken. De titel ervan (De dichter die het niet wilde zijn) past uitstekend bij de tendens waar alle drie deze boeken deel van uitmaken: stelde de begin dit jaar overleden biograaf en essayist Jan Fontijn in zijn studie De Nederlandse schrijversbiografie (1992) nog dat het ‘literaire oeuvre’ de voornaamste ‘reden (is) waarom we belangstelling voor de persoonlijkheid en het leven van de auteur hebben’, voor deze nieuwe biografen is dat oeuvre bijzaak geworden. Hen gaat het in de eerste plaats om het unieke leven en de geschiedenis die daarachter liggen, en om het grotere verhaal dat ze naar aanleiding daarvan kunnen vertellen. Emancipeert de biograaf zich daarmee als schrijver? Misschien, maar dan zal men zich in de eerste plaats moeten toeleggen op de beheersing van het instrumentarium van de klassieke romancier, waarmee de sprong van letterkundig naslagwerk naar meeslepend levensverhaal gewaagd kan worden.