Advertentie
ad

‘Disappearing (l)ink’: vergeten vrouwen binnen de analytische filosofie

‘Grace Chisholm Young, Susan Stebbing, Ruth Barcan Marcus. Nog nooit van gehoord? En wel van Russell, Quine en Kripke? Dat is weinig verrassend, maar het duidt op een diepliggend probleem.’ Voor de NIAS-Wesselingreeks gaat Lukas M. Verburgt in gesprek met prominente historici om erachter te komen welke rol de geschiedenis speelt in het heden. In de vierde bijdrage voor de reeks: Frederique Janssen-Lauret over de onzichtbare vrouwen binnen de logica en analytische filosofie. 

Besproken boeken

Lukas M. Verburgt (1989) is filosoof en wetenschapshistoricus en verbonden aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS), aan wiens voormalige directeur – Henk Wesseling – deze reeks haar naam dankt.

Frederique Janssen-Lauret (1985) is verbonden aan de Afdeling Filosofie van de Universiteit van Manchester. Ze is gespecialiseerd in de filosofie van de logica en de geschiedenis van de analytische filosofie en is co-redacteur van o.a. The Significance of the New Logic. William Van Orman Quine (Cambridge University Press 2020) en Philosophical Manuscripts, David Lewis (Oxford University Press 2023).

De afgelopen jaren is er binnen de filosofie steeds meer aandacht voor kritische reflectie op de filosofische canon en wordt er hard gewerkt aan nieuwe geschiedenissen van de discipline. Een doel hiervan is om een einde te maken aan de structurele marginalisering van bepaalde groepen, waaronder vrouwen, en tradities. Een ander belangrijk doel is om zo fundamentele kwesties op de agenda te zetten en een historische dimensie te geven. Het gaat dan bijvoorbeeld om veranderende ideeën over wie geldt als filosoof, wat wordt gezien als een bijdrage aan de filosofie en waar – dat wil zeggen, via welke kanalen en media – filosofisch debat plaatsvindt.

De heersende definitie van de analytische filosofie is niet meer dan één mogelijk narratief. Er zijn alternatieven. En wat mij betreft is het belangrijk dat we nieuwe narratieven creëren die wel ruimte maken voor vrouwen en andere genegeerde groepen.

Tot nu toe is veel van dit werk gericht geweest op de metafysica, ethiek en politieke en sociale filosofie in de periode tussen de zeventiende en achttiende eeuw. Margaret Cavendish en Emilie du Châtelet hebben inmiddels hun plaats gevonden tussen centrale figuren als Descartes, Leibniz, Spinoza, Locke, Berkeley, Hume en Kant. Samen met enkele collega’s neemt Frederique Janssen-Lauret sinds enkele jaren het voortouw om te laten zien dat iets soortgelijks hard nodig is voor de negentiende en twintigste eeuw, en dan met name als het gaat om vrouwen die werkzaam waren binnen de logica en de grondslagen van de wiskunde: Grace Chisholm Young, Susan Stebbing, Ruth Barcan Marcus en vele anderen. Nog nooit van gehoord? En wel van Russell, Quine en Kripke? Dat is weinig verrassend, maar het duidt op een diepliggend probleem.

[Lukas M. Verburgt] Je bent een specialist op het gebied van de geschiedenis van de analytische filosofie. Kun je kort uitleggen waar je je dan precies mee bezighoudt?

[Frederique Janssen-Lauret] De analytische filosofie is een filosofische stroming die aan het eind van de negentiende eeuw is ontstaan en die als traditie op veel plekken nog steeds dominant is. Het is, interessant genoeg, helemaal niet gemakkelijk om er een definitie van te geven. Of, beter gezegd: de definitie die er vaak van wordt gegeven is in wezen een zeer problematisch, gendered narratief over de analytische filosofie dat doet alsof het geen narratief is maar een neutrale beschrijving. Kort gezegd stelt het dat de analytische filosofie het werk is van (de volgelingen van) Gottlob Frege, Bertrand Russell, G.E. Moore en Ludwig Wittgenstein, die de wetenschap zagen als basis van alle kennis en de logica als leidraad voor de filosofie. Veelzeggend genoeg geldt Frege als de ‘grootvader’ en Russell als de ‘vader’ van deze stroming. Deze ‘vier mannen’-definitie is beter dan de term ‘Anglo-Amerikaanse filosofie’, die zelfs canonieke figuren als Frege (een Duitser) en Wittgenstein (een Oostenrijker) marginaliseert. Het punt is echter dat deze standaarddefinitie helemaal geen definitie is. Het laat namelijk allerlei zaken buiten beschouwing die toch echt tot de analytische filosofie behoren. Bijvoorbeeld het werk van anderen, en dan vooral van vrouwelijke filosofen, die zich in diezelfde tijd bezighielden met vergelijkbare thema’s, maar op een andere manier dan iemand als Russell. En ook de bijdragen van (opnieuw, vooral vrouwelijke leden van) de Weense Kring en de Warschau-Lviv School. Met andere woorden: de heersende definitie van de analytische filosofie is niet meer dan één mogelijk narratief. Er zijn alternatieven. En wat mij betreft is het belangrijk dat we nieuwe narratieven creëren die wel ruimte maken voor vrouwen en andere genegeerde groepen.

[LV] Er wordt sinds ongeveer tien jaar ontzettend veel gepubliceerd over de geschiedenis van de analytische filosofie. Wat ergens opmerkelijk is, omdat de analytische filosofie zelf bekendstaat als een stroming die weinig ophad met geschiedenis, laat staan met de geschiedenis van de filosofie. Hoe kijk jij hiernaar? Wat gaat er goed en wat kan er beter?

[FJL] Het traditionele narratief waar we het net over hadden is tot nu toe dominant. Omdat Frege als de voorvader wordt gezien en Russell, samen met Moore, als de grondlegger, ligt de nadruk sterk op de vroege periode, zo rond de eerste jaren van de twintigste eeuw. Dit betekent dat er veel wordt geschreven over de strijd die Russell en Moore aan Cambridge voerden tegen hun leermeesters, de Britse idealisten J.M.E. McTaggart en F.H. Bradley, die grofweg stelden dat de werkelijkheid één spiritueel en tijdloos geheel is. Het heersende idee is namelijk dat uit Russell en Moore’s anti-idealisme de analytische filosofie ontstond. Hun pleidooi voor realisme en hun ‘fundamentalisme’ – het idee dat we directe, onbetwijfelbare kennis kunnen hebben van de empirische werkelijkheid – was inderdaad belangrijk en interessant. Wanneer we ons hiertoe beperken, is het echter ontzettend moeilijk, zo niet onmogelijk, om te begrijpen hoe de analytische filosofie zich in de decennia na Russell en Moore heeft ontwikkeld. Of, beter gezegd: in welke zin deze ontwikkelingen óók tot de analytische filosofie behoren. Het is namelijk zo dat filosofen tijdens de middelste en late periode van de analytische filosofie, dus tussen de jaren twintig en vijftig van de twintigste eeuw, er heel andere standpunten op na hielden. Willard Van Orman Quine, bijvoorbeeld, was een holist als het gaat om menselijke kennis.

Dit alles heeft ertoe geleid dat er eigenlijk pas sinds enkele jaren, en nog steeds mondjesmaat, wordt gekeken naar de geschiedenis van de analytische filosofie in deze periodes. Quine wordt dan bijvoorbeeld een belangrijk figuur – hij stond in contact met Russell, maar was het vaak met hem oneens. En ook iemand als Ruth Barcan Marcus, een ontzettend interessante Amerikaanse formele logicus die vanaf de jaren veertig veel publiceerde. Zij was het dan weer vaak oneens met zowel Russell als Quine!

Barcan Marcus heeft originele bijdragen geleverd aan het debat over waar namen naar verwijzen. Ook deze zijn door latere commentatoren ten onrechte toegeschreven aan mannelijke collega’s.

[LV] En wat gebeurt er dan precies als je deze middelste en late periode ook in beschouwing neemt? Hoe verandert het onze blik op de geschiedenis van de analytische filosofie?

[FJL] Het verschijnt in een heel ander licht. Opeens zien we dat niet alleen anti-idealisme vormend was voor de analytische filosofie, maar bijvoorbeeld ook de zoektocht naar een nieuw soort filosofie die overeenstemt met de meest recente wetenschappelijke inzichten. Anders dan Moore, die nogal common sense was, hielden andere vroege analytische filosofen zich bezig met de wiskunde, logica, natuurkunde, evolutionaire biologie, et cetera. Ze beseften zich dat zoiets als de niet-euclidische meetkunde, en dan met name de toepassing van dit soort formele systemen binnen de natuurkunde, allerlei filosofische zekerheden omverwierp. Ze namen het serieus en vroegen zich af hoe zo’n nieuwe filosofie eruit zou moeten zien. Wanneer we hier rekenschap van geven, verschijnen er plotseling allerlei andere figuren op de radar. De Britse filosoof Susan Stebbing is hier een goed voorbeeld van. Moore was van heel belangrijke invloed op haar, maar ze kon zich niet vinden in zijn – in haar ogen wat al te simplistische, weinig wetenschappelijk-geïnformeerde – weerlegging van het idealisme.

Als het gaat om filosofen die nadachten over de betekenis voor de filosofie van formele systemen is Barcan Marcus ontzettend interessant. Ze is tot nu toe gemarginaliseerd gebleven, grotendeels omdat ze een vrouw was. Wat mij betreft is ze een centraal figuur binnen de analytische filosofie. Ze vond de ‘gekwantificeerde modale logica’ uit, die vaak wordt toegeschreven aan Saul Kripke. Wanneer we vanuit haar perspectief naar een canoniek figuur als Quine kijken, krijgen we een beter en rijker begrip van continuïteiten in de geschiedenis van de analytische filosofie. Quine had weinig op met Barcan Marcus’ kijk op de modale logica – een uitbreiding van de klassieke logica, waarin het niet gaat om ‘waar’ en ‘onwaar’ maar ook om ‘mogelijk’ en ‘noodzakelijk’. Telkens haalde ze zijn argumenten onderuit. En terwijl Quine steeds verder van Russell weg bewoog, keerde Barcan Marcus juist terug naar centrale thema’s uit Russells vroege werk. Ze heeft originele bijdragen geleverd aan het debat over waar namen naar verwijzen. Ook deze zijn door latere commentatoren ten onrechte toegeschreven aan mannelijke collega’s. (1)

[LV] Anders dan veel vroege analytische filosofen, maak jij in je filosofische werk veel gebruik van historische inzichten. Waarom doe jij dat? En op welke manier?

[FJL] Voor mij zijn filosofie en geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden. De reden dat veel analytische filosofen hier anders over dachten, is dat zij een ahistorisch beeld van de filosofie hadden. Dit betekende onder andere dat zij vonden dat met ideeën uit het verleden moest worden omgegaan alsof ze hedendaags zijn. Dat werkt niet. Bovendien is het zo dat historische kennis filosofisch relevant kan zijn. Denk aan het onderbouwen van argumenten of het opdoen van inzichten. Stebbing is opnieuw een mooi voorbeeld. Zij wist veel over de negentiende-eeuwse wetenschap, bijvoorbeeld over debatten rondom het atomistische model van materie. Het idee was dat atomen een soort harde balletjes waren. Dus toen er voor het eerst een atoom werd gespleten, concludeerden sommige mensen dat zoiets als een tafel geen vast object was. Maar zeggen dat iets op microniveau grotendeels lege ruimte is, betekent niet dat een macro-object niet vast is. Stebbing gebruikte dit inzicht om Moore’s beroemde artikel ‘The Refutation of Idealism’ uit 1903 te bekritiseren. Moore maakte hierin namelijk eenzelfde soort denkfout, door ervan uit te gaan dat wat voor de delen geldt ook voor het geheel geldt. Stebbings historische kennis hielp haar dus om een filosofisch punt te maken. 

Het gaat me om het verbreden van het narratief, van de historische blik waarmee we de geschiedenis van de analytische filosofie bestuderen.

Nu wil ik mezelf absoluut niet vergelijken met Stebbing, maar ik maak in mijn eigen filosofische werk ook gebruik van de geschiedenis. En niet alleen de geschiedenis van de wetenschap maar ook van andere religieuze en filosofische tradities. Zo is mijn anti-essentialisme – bijvoorbeeld mijn argumenten tegen het idee dat iemand zijn of haar DNA ‘is’ – deels gebaseerd op voorbeelden uit antieke Indiase teksten. Ik denk dat een meer historisch geïnformeerde filosofie ook per definitie een meer cultureel diverse filosofie is. Daarnaast doe ik voor mijn werk over vrouwen in de geschiedenis van de analytische filosofie natuurlijk historisch onderzoek naar allerlei soorten primaire bronnen, van correspondenties tot notities en opnames van ongepubliceerde lezingen. In sommige gevallen leidt dat weer tot filosofische inzichten. Op basis van de onlangs geredigeerde brieven van de Amerikaanse David Lewis konden mijn collega’s en ik bijvoorbeeld een bepaalde interpretatie van zijn positie ontkrachten.

[LV] Ik ben ook benieuwd naar de bredere ambitie achter jouw publicaties over vrouwen binnen de analytische filosofie. Wat staat er precies op het spel?

[FJL] Het gaat me om het verbreden van het narratief, van de historische blik waarmee we de geschiedenis van de analytische filosofie bestuderen. Daarnaast gaat het me om historische bewustwording, vooral over het feit dat er binnen de logica veel baanbrekend werk is verzet door vrouwen. Dit is om twee redenen belangrijk. Ten eerste omdat we zo een einde kunnen maken aan de hardnekkige misvatting dat vrouwen ‘van nature’ beter zouden zijn in ethiek of sociale en politieke filosofie. Het is niet alleen foutief, maar ook anachronistisch. Neem victoriaans en edwardiaans Engeland. Daar mochten vrouwen zich juist alleen maar in logica en wiskunde verdiepen. Deels omdat het in de privésfeer kon worden gedaan (de publieke sfeer was voorbehouden aan mannen), en deels omdat het abstract was en het ze dus niet op wereldse ideeën zou kunnen brengen. Wanneer je naar de late negentiende eeuw kijkt, dan zie dat de vrouwen die aan een universiteit werkten vaak alleen of ook zuivere wiskunde en logica onderwezen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan Christine Ladd-Franklin en Grace Chisholm Jones. 

Hoewel ik niet geloof in zoiets als een ‘feminiene stijl’ was het ooit wel zo dat vrouwelijke analytische filosofen op een duidelijk andere manier filosofie bedreven dan hun mannelijke collega’s.

[LV] Wat jij zegt heeft raakvlakken met wat David Wengrow, James Poskett en Jo Guldi in eerdere interviews vertelden over de ambities achter hun nieuwe geschiedenissen. Ik had het met hen in deze context ook over een ander vraagstuk: hoe kun je ervoor zorgen dat een herziening van de geschiedenis zich vertaalt naar een verandering van de huidige stand van zaken?

[FJL] Wat mij betreft is onderwijs cruciaal. Mijn vrouwelijke studenten vinden het geweldig om te horen dat er vrouwen waren die technisch werk deden binnen de logica. Het worden hun rolmodellen. Ze voelen zich erdoor gesteund, net als ikzelf. Het geeft een gevoel van vrijheid om te weten dat vele vrouwen ze voorgingen – dat er al decennialang vrouwelijke filosofen zijn die zich met onderwerpen bezighouden die ‘typisch mannelijk’ zouden zijn. Het is echter niet genoeg om vrouwen als Stebbing en Barcan Marcus alleen maar te noemen en het curriculum verder te houden zoals het is. We moeten ze expliciet opnemen in tentamens, in essayvragen. Vergelijk Stebbings en Russells ideeën over logische constructie. Vergelijk Barcun Marcus met Quine als het gaat over modale logica. Deze vrouwen moeten weer levende filosofen worden en niet slechts historische figuren.

Daarnaast moeten we ook nadenken over hedendaagse academische praktijken. Hoewel ik niet geloof in zoiets als een ‘feminiene stijl’ was het ooit wel zo dat vrouwelijke analytische filosofen op een duidelijk andere manier filosofie bedreven dan hun mannelijke collega’s. Ze waren in sommige gevallen minstens zo formalistisch, daar gaat het niet om. Ik doel bijvoorbeeld op het soort voorbeelden dat ze gebruikten. Ladd-Franklin legde bepaalde ongeldige syllogistische gevolgtrekkingen uit met verwijzing naar een situatie met de dochter van een vriendin. Het meisje at soep met een vork, waarop haar moeder zei: ‘Niemand eet soep met een vork.’ En het meisje antwoordde: ‘Nou, ik wel, en ik ben toch iemand?’ Tegenwoordig is het door blind peer review zo dat niemand de lezer een idee wil geven van wie hij of zij is. Het resultaat hiervan is niet neutraliteit. Want het zijn de van oorsprong ‘typisch mannelijke’ voorbeelden waarin het altijd weer gaat over Caesar en Brutus, die de norm zijn geworden.

[LV] Jij houdt je nu enkele jaren bezig met dit pionierswerk. Wat heb je zien veranderen? Zijn er in het heden al tekenen dat het werk bijna is voltooid of is er voor een betere toekomst een lange adem nodig?

[FJL] Ik heb gelukkig inmiddels een hoop bondgenoten. Maar het gaat zeker niet vanzelf en het zal om de nodige inspanning blijven vragen. Er is namelijk nog steeds ontzettend veel weerstand. Die is in bijna alle gevallen ingegeven door vooroordelen en komt in de praktijk neer op gatekeeping. Voorheen was het mogelijk om een denker uit het verleden te vergeten omdat zijn of haar werk niet of moeilijk beschikbaar was. Dat geldt in sommige gevallen nog steeds voor bijvoorbeeld vroegmoderne filosofen. Maar voor laat-negentiende en twintigste-eeuwse filosofen is dit geen excuus. Nu er grote databases als JSTOR zijn is er geen sprake meer van disappearing ink. (2) Het werk van de vrouwelijke filosofen waar ik over schrijf is er gewoon te vinden. En ze publiceerden vaak veel en in de meest toonaangevende vaktijdschriften. Toch weigeren de gatekeepers het te lezen. Ze doen alsof het er niet is. Of ze denken het te kunnen negeren omdat het geen filosofie of ‘slechte’ filosofie zou zijn. Er zijn echt mensen die me dat na afloop van een lezing tegenwerpen. Ik kan dat moeilijk serieus nemen. Zo iemand als Stebbing bijvoorbeeld publiceerde nota bene in Mind en de Proceedings of the Aristotelian Society. Als wanhopige laatste poging zeggen sommigen dan dat we die vrouwen niet meer lezen, omdat hun werk minder goed was dan dat van mannen. Dat is gewoon niet waar. Het is ook geen serieuze kritiek. Het is een verwoede poging om de status quo te bewaken. En dat is waarom we nieuwe narratieven nodig hebben. Om te laten zien dat de status quo, dat ‘hoe de dingen nu eenmaal zijn’, binnen de filosofie gebaseerd is op een onjuist en onvolledig beeld van de geschiedenis.

Noten

  1. Zie Stephen Neal, ‘No Plagiarism Here’, Times Literary Supplement 9 (2001), 12-13.
  2. Zie Eileen O’Neill, ‘Disappearing Ink: Early Modern Women Philosophers and Their Fate in History’, in: Philosophy in a Feminist Voice: Critiques and Reconstructions, red. J. Kourany (Princeton University Press 1998), 17–62.