Mini-Europa

Kristof Smeyers las Steven van Schuppens bijdrage aan de Nederlandse Boekengids 2017#2 over België als proeflab voor een beter functionerend Europa. In zijn reactie plaatst hij de nodige kanttekeningen bij de Belgische compromissenfabriek. Is België een model van hoe Europese samenwerking beter kan, of juist een voorbeeld hoe het niet moet?

‘Sire, il n’y a pas de Belges,’ klaagde de Waalse socialist Jules Destrée in zijn fameuze open brief van 15 augustus 1912 aan de Belgische koning Albert I. Voor Destrée was die vaststelling een ‘grote en verschrikkelijke waarheid’: de kloof die gaapte tussen Walen – ‘levendig, wispelturig’ – en Vlamingen – ‘traag, koppig’ – (Brusselaars ontsnapten trouwens evenmin aan stereotypering: zij stelden zich volgens Destrée tevreden met ‘de comfortabele mediocriteit’) moest volgens hem worden gedicht met compromissen tussen Noord en Zuid. Dan kwam de Eerste Wereldoorlog: in 1918 stonden Vlaanderen en Wallonië verder van elkaar af dan in 1912 en, belangrijker, bleef van de geglobaliseerde, economische grootmacht België niets meer over. In de daaropvolgende eeuw werd België dichtgeplamuurd met compromissen.

Eendracht maakt macht

In ‘Europa’s gemankeerd laboratorium’ (de Nederlandse Boekengids, 2017#2) pleit Steven van Schuppen voor een Europa naar Belgisch model. Wat hij daarmee bedoelt, wordt in zijn essay niet geheel duidelijk: een federale superstaat? Een lappendeken, een ‘Europa van de regio’s’, zoals Vlaams-nationalisten het graag horen? Een Europa van twee (of meer) snelheden? Of, naar beste Belgische gewoonte, van alles een beetje?

De Europese crisis, een cluster van economische malaise, financiële onrechtvaardigheid en een democratisch deficiet dat op het nationale niveau heeft geleid tot een politiek spel van regeringen en opposities (zoals in het Verenigd Koninkrijk), komt Belgen inderdaad bekend voor. In het Belgische laboratorium is het altijd al moeilijk samenleven geweest. Al vóór zijn conceptie in 1830 was ‘België’ een Europese aangelegenheid, een soort mini-Europa waar de belangen van de grootmachten in een compromis werden gegoten. De Belgische positie, geprangd tussen die grootmachten, was daarbij een bepalende factor. Voor Napoleon was de Antwerpse haven het ‘geladen pistool gericht op het hart van Engeland’; na Waterloo was de oprichting van de Belgische staat voor Engeland een instrument voor een Europese balance of power. Na 1830 betekende die geografische ligging een economisch voordeel van jewelste, maar zij betekende ook dat België voor de Europese grootmachten een strategische rol bleef spelen. Of zoals IMF-topman Alan Greenspan in 1996 tegen Alfons Verplaetse, de gouverneur van de Nationale Bank van België, zei: ‘What an idea to put your country between France and Germany!’ Van Schuppen wijst erop hoe België een kruispuntland is in Europa, maar dat volstaat volgens hem niet. België kan volgens hem een heus gidsland zijn op de weg uit de aanslepende Europacrisis.

België werd in 1830 dus al een microklimaat voor een modern Europa. Van Schuppen noemt daarbij terecht de constitutionele monarchie als staatsvorm, de liberale grondwet en het industriële patrimonium. Samenleven in die Belgische staat was slechts mogelijk door een sterke centraliserende kracht: de monarchie, het leger, de instellingen, de taal en een cultuurproject dat een ‘nationale identiteit’ moest construeren. De noodzakelijk geachte eensgezindheid prijkt zelfs op het wapenschild: ‘Eendracht maakt macht’ (eigenlijk slechts in het Frans: ‘L’union fait la force’). Als Europa, zoals Van Schuppen betoogt, opnieuw de blik op België moet richten als proeftuin voor een nieuw elan ‘van onderop’, kan die centralistische voorgeschiedenis niet worden genegeerd. Met andere woorden: als Europa via grensoverschrijdende ‘euregio’s’ een nieuwe dynamiek met een draagvlak bij de Europese bevolking wil creëren, is een Europese politieke infrastructuur onontbeerlijk – dat is een belangrijke Belgische les. En daar knelt het schoentje.

Wafelenbak

Als Van Schuppen de positie van België bepleit als een Europese proeftuin voor grensoverschrijdende samenwerking, kan dat allen maar als ook de politieke situatie in rekening wordt gebracht. Dan krijgt de Belgische proeftuin al snel een Borgiaans karakter; labyrintisch en overwoekerd:

België liet in de twintigste eeuw zijn centralisme los, daarin voortgestuwd door de economische ‘onderstroom’. In de jaren dertig pleitten Waalse stemmen al voor een verdeelsleutel die de Waalse industrie zou kunnen behoeden voor verder onheil. In de golden sixties trokken zowel Vlamingen als Walen de straat op voor een federaal België. Het ‘wafelijzer’, dat symbool van het Belgische compromis, was ondertussen een automatisch mechanisme van politiek en sociaaleconomisch beleid geworden. De groeiende sociale, politieke en economische conflicten werden ingedamd in een steeds complexer geharrewar van overlegorganen, belangengroepen, lobby’s en comités om toch maar ‘de lieve vrede’ te bewaren. ‘Hoe kan het kleine België zich in dat krachtenveld [van liberalisering, globalisering en europeanisering] met succes staande houden’, vraag Van Schuppen zich af. Het antwoord is in die institutionele wildgroei te lezen, die de grootste internationale schokken voor België heeft gedempt. De politieke immobiliteit en instabiliteit van België (met  een regeringsformatie in 2010 die 541 dagen duurde nog steeds met stip op één in de wereldranking) behoedden het land bijvoorbeeld voor de uitwassen van de wereldwijde austerity in de nasleep van de Grote Recessie van 2008.

Tegelijkertijd heeft die wildgroei de proeftuin drooggelegd, waardoor België steeds achter de feiten van een geglobaliseerde en snel veranderende wereldeconomie aanholt. Van Schuppen haalt bijvoorbeeld de digitale revolutie aan als een manier waarop België de toekomst tegemoet kan gaan, maar België heeft de boot van de e-commerce net door die houding grotendeels gemist. Ruimtelijke ordening heeft in België een gelijkaardige geschiedenis van non-beleid. De ‘betonstop’, die zoals Van Schuppen zegt bebouwing in open ruimte moet stilleggen, zal (misschien) pas in 2040 in werking treden. Peter De Keyzer schertste enkele maanden geleden in De Tijd dat Elon Musk ‘allicht sneller woningen op Mars bouwt dan Vlaanderen zijn ruimtelijke rommel aanpakt’. Nog recenter werd het bosplan van Vlaams minister Joke Schauvliege onderuitgehaald door haar eigen Vlaamse minister-president en meteen ook door de Vlaamse kamer van koophandel (Voka), die zonder zweem van ironie tweette: ‘Goed zo! Deze boskaart gaf voorrang aan grillen van moeder natuur [sic] in plaats van aan ambitieus ondernemerschap.’ Sociale, fiscale en ecologische grendels worden al snel gezien als belemmeringen voor het ‘ondernemerschap’, zowel in België als in Europa.

De Belgische stolling is, net als de openheid en geografische positie van het land, zowel een zegen als een vloek. Het wafelijzer is een ‘wafelenbak’ geworden, waarbij iedereen aan tafel zit in gezellige, inefficiënte chaos terwijl elders de wereld voortraast.

Mini-Europa

Recent werd in Rome de zestigste verjaardag van het Verdrag van Rome gevierd. In 1957 bereikte het ‘Europa van de Zes’ (België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, West-Duitsland en Italië) een consensus over de oprichting van een Europese Economische Gemeenschap, het startschot voor een eengemaakte markt: handelstarieven werden bijvoorbeeld op elkaar afgestemd, tolbarrières uitgevaagd zodat een vrij verkeer van arbeiders, goederen en kapitaal mogelijk werd. Het voorbeeld van een ouder instituut was daarbij nuttig gebleken. De Benelux trad in werking in 1944 met dezelfde doelstellingen en vulde deze concreet en kordaat in. Samenwerking tussen de drie lidstaten was pragmatisch; de Benelux leek in niets op het Romeinse spiegelpaleis van 1957, maar had de allure van een middle-managementkantoor. Het trauma van twee wereldoorlogen had ertoe geleid dat België samen met Nederland en Luxemburg in de voorhoede van een Europees project stond. Het is een goed voorbeeld van een samenwerkingsverband ‘van onderop’, waarop Van Schuppen in zijn essay inzet. De Benelux werd opgericht als een concreet verbond dat de grenzen van zijn drie leden overschrijdt en tegelijkertijd zijn efficiëntie put uit de klassieke, intergouvernementele samenwerking. ‘Van onderop’ werkt als daarvoor de politieke instellingen bestaan om zulke dynamieken te coördineren. Dat hoeft daarom nog niet te betekenen dat alle lidstaten aan dezelfde snelheid werken; wél dat zij bepaalde Europese basiswaarden onderschrijven – het idee van een liberale democratie, bijvoorbeeld, maar net zo goed een gezamenlijk tarief voor vennootschapsbelasting.

Om Van Schuppens vraag (‘Hoe kan België zich staande houden?’) te beantwoorden: België houdt zich al veertig jaar wankelend staande door halfslachtig een globaliserende agenda te volgen, die eerst nog werd uitgezet door de Bundesbank en tegenwoordig door de Europese Centrale Bank (wat eigenlijk zowat op hetzelfde neerkomt). Die realiteit gebiedt dat België niet langer de instrumenten te hand heeft om een economisch beleid te voeren. Regeringen kunnen zo de verantwoordelijkheid afschuiven op de EU, net zoals in de jaren tachtig en negentig de druk van Maastricht en het vooruitzicht van een muntunie werden aangewend om een saneringsbeleid aan de Belgen op te leggen. Tegelijkertijd zien we EU-lidstaten elke poging van de Unie om een politieke macht uit te bouwen, tegenwerken – niet geheel onbegrijpelijk, overigens: de manier waarop de EU het economische zeil naar zich heeft toegetrokken, heeft veel kwaad bloed gezet. De Economische en Monetaire Unie is steeds in de eerste plaats een monetaire unie gebleken, en te weinig een economische unie, laat staan een politiek project. Dat voorbehoud heeft logische historische wortels: na de Tweede Wereldoorlog werd economische samenwerking net in het leven geroepen om de politieke lont uit het kruitvat te halen en de banden aan te halen via geld, grondstoffen en arbeidskrachten – economie als olijftak. Maar zonder politieke component creëer je een discrepantie tussen Europa als eenheidsmarkt en Europa als democratische entiteit.

Een gedecentraliseerd Europa naar Belgisch model – federaal, of in de toekomst misschien confederaal – is dan maar mogelijk als er een centrum is dat kan worden ontmanteld. Als Europa daarbij wil leren van zijn Belgische proeftuin, mag het niet vergeten dat zowel het continent als het land experimenten in volle uitvoering zijn. De onderzoeksresultaten zijn nog niet geanalyseerd. Een inhoudelijk, politiek Europa dus, dat in de plaats van een wansmakelijke race to the bottom tussen de lidstaten, zowel op fiscaal, sociaal als ecologisch vlak, een gecoördineerd beleid kan uitstippelen. Een cultuurproject ook, dat een draagvlak kan creëren dat wordt bestendigd in politieke instellingen en budgetten, zodat Euroambtenaren niet langer slechts bevoegd zijn voor bananencurves en de dikte van hoofdkussens. Europa’s democratische deficit bestrijd je niet boven de hoofden van de mensen. In april 2016, twee weken na de terreuraanslagen, schreef Ian Buruma in de New York Review of Bookswaarvan hij sinds kort de nieuwe hoofdredacteur is, ‘In the capital of Europe’. Hij toont de Europese wijk in Brussel – een amalgaam van glanzende, megalomane maar karakterloze gebouwen – als de architecturale weerslag van de Europese ziekte. (Is Europa tegenwoordig zijn eigen zieke man?) Buruma omschrijft de Belgische én Europese hoofdstad als ‘a capital in search of an empire, or a federal state’. Het is die notie, van een unie die een gezamenlijk veiligheids-, vluchtelingen- en klimaatbeleid kan uitstippelen, die een conditio sine qua non is voor het Europa waar Van Schuppen van spreekt. Binnen zo’n kader kan samenwerking ‘op een lager schaalniveau’ aan daadkracht en momentum winnen en moet binnenkort niemand zeggen: ‘Eurocommissaris, er zijn geen Europeanen.’