Zachte empirie: Miriam Rasch’ literaire kritiek van het internet


Het is een lastige toer, een essaybundel schrijven over leven en schrijven in het digitale tijdperk, die samensmelting van het fysieke, het geestelijke en het virtuele. En dan bovendien een bundel die daar niet alarmistisch of pessimistisch over is, maar er vooral literair-kritisch de mogelijkheden van verkent. Wat levert dat op? Door Thijs Lijster.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4


In de twaalf essays die haar boek telt, geeft Rasch daarvan talloze mooie voorbeelden. Wat betekent het voor onze herinneringen als ze niet meer louter ‘van ons’ zijn, omdat Facebook oude foto’s uit onze tijdlijn opdiept en ons vraagt ze te delen met onze vrienden? Wat betekent het voor het toeval wanneer ons handelen door de algoritmes van de data society steeds meer in een noodlot wordt getransformeerd? (Hiervoor munt Rasch de intrigerende notie van het ‘data-tragische’.) Wat is nog de relevantie van autobiografisch schrijven in het post-blogtijdperk? Kan aandacht nog bestaan in een omgeving waarin alles schreeuwt om afleiding, en wat is eigenlijk het verschil tussen beide? Bij het stellen van deze vragen maakt ze telkens handig gebruik van de unieke positie van haar (en mijn) generatie, die oud genoeg is om een wereld te kennen met vaste telefoonlijnen en zonder alomtegenwoordig internet, maar jong genoeg voor jeugdige ervaringen met sms-liefdes en de sociale ongemakken van de eerste sociale media (Hyves!), en die zich dus op het scharnierpunt van de digitale revolutie bevindt.

Rasch, die literatuurwetenschap en filosofie studeerde en werkzaam is aan het Instituut voor Netwerkcultuur van de Hogeschool van Amsterdam, bevindt zich op nog een andere manier tussen twee werelden, namelijk die tussen de ‘harde’ wereld van technologie, en de zachte wereld van de geesteswetenschappen. Ook die scharnierpositie buit ze ten volle uit: waar veel van eerdergenoemde boeken eerder een dystopisch of pamflettistisch karakter hebben, of juist neigen naar zelfhulpliteratuur (‘hoe om te gaan met…’), heeft Zwemmen in de oceaan het unieke karakter van een literaire kritiek van het internet. De criticus Jacq F. Vogelaar beschouwde zowel literatuur als literatuurkritiek als een vorm van ‘terugschrijven’: de auteur reageert bewust of onbewust altijd op zijn of haar voorgangers. Deze gedachte vertaalt Rasch naar de online wereld. Wij worden dagelijks gelezen en beschreven in een onophoudelijke datastroom; al onze stappen worden minutieus bijgehouden en geregistreerd, zodat aan de ‘achterkant’ van het web van ieder van ons een vuistdikke biografie bestaat, geschreven door een anonieme auteur. Rasch wil de rollen nu eens omdraaien: ‘kunnen we de systemen lezen zoals zij ons ook lezen?’

Met de ‘Terms of Service’ waarmee het boek begint is de toon gezet: ‘Door dit te lezen ga je akkoord met de Algemene Voorwaarden die gelden voor dit boek.’ De lezer voelt direct dat er iets niet klopt. Rasch lijkt dan ook vooral geïnteresseerd in de breuken en hiaten van de online wereld: dat wat onzichtbaar blijft als alles online (en dus vermeend zichtbaar) is. Deze aandacht voor het onzichtbare (of onbewuste, onbenoembare) levert onder andere een interessante interventie in het debat over transparantie op. Zowel herauten van de transparantie zoals Julian Assange, als de luddieten die waarschuwen voor het totalitaire karakter van dat ideaal, zoals Dave Eggers, vertrekken immers vanuit de gedachte dat zoiets als totale transparantie mogelijk zou zijn. Maar, zo vraagt Rasch, als we onszelf niet eens kunnen kennen, hoe zou iemand anders, laat staan een algoritme, dat dan kunnen?

Ze tapt daarbij veelvuldig uit het vaatje van lo- so e en literatuur. De usual suspects van auteurs die schrijven over technologie komen voorbij – Bernard Stiegler, Donna Haraway, Byung-Chul Han, De Cirkel van Dave Eggers – maar ook schrijvers die je niet direct in zo’n gezelschap verwacht, zoals Knausgård, André Breton en Marcel Proust. Haar karakterisering van de laatste groep, met wie ze haar ‘fenomenofilie’ (de liefde voor het louter waarnemen) deelt, is ronduit oorspronkelijk, en wanneer ze betoogt dat Proust liefhebber van het internet zou zijn geweest geloof je Rasch op haar woord.

Interessant zijn ook haar besprekingen van Søren Kierkegaard, Jacques Derrida, Umberto Eco en Susan Sontag: wat zij zeiden over respectievelijk geheimen, archieven, lijsten en ziekte krijgt tegen de achtergrond van het internettijdperk een andere betekenis. Rasch geeft deze auteurs als het ware een update, zodat ze op het nieuwe besturingssysteem kunnen meedraaien. Sontag schreef eind jaren zeventig het beroemde essay Illness as Metaphor, over hoe men met je omgaat als je kanker hebt, en hoe er over je ziekte wordt gepraat – alsof het een resultaat is van opgekropte woede – of juist gezwegen. Dit zet Rasch af tegen de hedendaagse trend om via sociale media de wereld van je ziektegeschiedenis op de hoogte te houden, tot ‘infuusselfies’ aan toe. Is dit een doorgeslagen vorm van exhibitionisme? Of is het een vorm van bespreekbaar maken, die juist door de façade heen breekt?

Ambivalentie

Die laatste vraag wordt niet eenduidig beantwoord, zoals maar weinig vragen door Rasch beantwoord worden. Dat lijkt ze bewust te doen. De vergelijking met Walter Benjamins beroemde essay over het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid, geschreven in de jaren dertig, drong zich tijdens het lezen soms aan me op. Benjamin vond de vraag of fotografie en film ‘echte’ kunsten waren irrelevant; hij wilde weten hoe fotografie en film onze ervaring van kunst, en van de werkelijkheid als geheel, hebben veranderd. Op diezelfde wijze vraagt Rasch zich niet af of ons online leven (liefde, vriendschap, herinnering et cetera) nog wel ‘echt’ is, maar veeleer hoe onze ervaring en ons begrip van ons eigen leven door die extra online laag veranderd is. En net als Benjamin houdt Rasch zich in het stellen van die vraag het liefst verre van nostalgie en pessimisme. Ze houdt een open blik, schort haar oordeel liever op, en ziet evenveel mogelijkheden als verlies.

Die ambivalentie of onbeslistheid werkte, ik moet eerlijk zijn, soms echter ook op mijn zenuwen. In het essay over de listicle (samentrekking van list en article, een genre dat op internet welig tiert), schrijft ze dat de lijst ‘de verbeelding vleugels’ geeft, maar even verderop zegt ze dat hij haar ‘meestal gewoon in slaap’ sust. We leven door het internet in een ‘uitdijend heden’, maar juist ook in een ‘aanhoudende herhaling van het verleden’. Het louter kijken van de fenomenofiel is ‘hard werken’, maar toch is zij ‘lui’. Een enkele keer krabbelde ik in de kantlijn: wat is het nou? Dat gold ook voor hele essays, waarbij ik me aan het einde afvroeg wat ik nu eigenlijk precies gelezen had. Wat was de pointe? Dat gevoel werd versterkt door slotzinnen als het bombastische ‘In de verte rijst ze op uit het water, glinsterend en intens, en als ze met half geloken ogen de wereld heeft aanschouwd zinkt ze weer het azuur in, voldaan.’

In een van haar meer openhartige essays vertelt Rasch hoe tijdens een literaire avond een Vlaamse psychoanalyticus de volgende, mijns inziens rake, karakterisering van haar blogs gaf: ‘elk tekstje van mevrouw Rasch eindigt met een soort, ik zeg dat en ik zeg dat en ik zeg dat, maar trek er uw plan mee met wat ik zeg’. Het strekt Rasch tot eer dat ze dit zo consequent volhoudt, het zelfs tot stijlmiddel verheft. Of zoals ze zelf even verderop schrijft: ‘Punt. Fuck. You.’ Ze laat de lezer zwemmen. En natuurlijk, het is het goed recht van de essayist om te proberen en te proeven, dat is immers de letterlijke betekenis van de term. Toch bleef ik dikwijls achter met de gedachte dat er meer in had gezeten: kom op, Rasch, durf te kiezen, spreek je uit! Van een essayist mag immers ook een stellingname verwacht worden, iets waar je je als lezer in vast kan bijten, je toe kunt verhouden, het mee eens of oneens kan zijn.

Zelfs bij Montaigne, wiens que sais-je? aan de basis lag van de traditie van het essay, is de twijfel geen eindstation, maar een kritische geste die als doel heeft de individuele ervaring gewicht en autoriteit te verlenen. ‘Gefragmenteerd schrijven, zo kun je stellen, is verzet plegen tegen een ideologie van gesteriliseerde kennis’, aldus Rasch. Dat is een diep inzicht, en mooi verwoord bovendien, maar de fragmenten die het resultaat zijn van een dergelijk schrijven zouden dan wel scherp moeten zijn, pijn moeten doen, om dat verzet daadwerkelijk te kunnen bieden. Die pijn voelde ik slechts zelden. De essays van Rasch deden me iets te vaak denken aan de dozen die zij terugvond in haar kast: min of meer willekeurige snippers en fragmenten die weliswaar allemaal iets met háár en dus met elkaar te maken hebben, maar wat moet de lezer ermee?

Daar komt nog bij dat het boek vol staat met curieuze formuleringen. Deksels van schoenendozen ‘piepen open’ en een roman wordt ‘geïnjecteerd met potentie’ (de zoektocht op Google naar deze uitdrukking levert mij sindsdien advertenties voor erectiepillen op, wat wel weer een mooi voorbeeld is van wat Rasch het ‘data-tragische’ noemt). Daarnaast komen er tal van idiosyncratische metaforen voorbij: ‘De energie balt samen als een straal in een prisma.’ (Een prisma breekt toch stralen, in plaats van ze samen te ballen?) De eerdergenoemde listicle vergelijkt Rasch met trekdrop: ‘ook zo’n kleverige substantie die aan alle kanten glinstert en steeds langer en langer uit te trekken is, tot hij halverwege zijn smaak verliest, ergens wordt achtergelaten en à la minute vergeten’. Maar anders dan kauwgom verliest trekdrop z’n smaak niet, en er bestaat dan ook geen enkele reden om die achter te laten. In een van de laatste essays maakt Rasch het wel erg bont: een spreadsheet is eerst ‘als een kantoorgebouw’, maar blijkt bij nader inzien een ‘doolhof’, dat echter ‘verandert in een volkomen onoverzichtelijk labyrint’. In dat labyrint blijf je, als je je niet oefent, ‘onder aan de ladder’, maar ‘eigenlijk zit je gevangen in het platte vlak, schuifelend langs rijen en kolommen, zoals je met je bureaustoel na een duwtje om je af te zetten over het vlekvrije tapijt rolt, op weg naar een andere stoel’.

De fenomenen

Deze metaforen noch het soms gezwollen taalgebruik helpen Rasch of de lezer verder. Integendeel, ze leiden af van waar het haar om te doen is: de fenomenen. Rasch is op haar best wanneer ze individuele fenomenen uit de online wereld van een culturele duiding voorziet – de smartphone, de listicle, het programma Excel. Het laatste is wat Rasch in het essay ‘Denkend als een spreadsheet’ een ‘grijs medium’ noemt: een medium dat gemakkelijk aan ons oog ontsnapt in tegenstelling tot massamedia als televisie), maar niettemin in hoge mate ons alledaagse leven stuurt. De Excelsheet heeft menigeen zijn of haar baan gekost, en de regelmatige fouten die erin sluipen hebben in sommige gevallen miljoenenschade tot gevolg.
Of neem ‘Een kleine biologische banaan: fonofilia in 12 scènes’, het essay waarmee ze eerder de Jan Hanlo Essayprijs Klein won en waarin ze, tegen het koor van cultuurpessimisten in, de liefde voor haar mobiele telefoon bezingt. Het zijn kleine, soms persoonlijke stukken, waarin een op het eerste gezicht onbeduidend fenomeen ineens een grote culturele of maatschappelijke zeggingskracht krijgt.

Goethe sprak ooit van een zarte Empirie, een zachte of delicate empirie, ‘die zich volledig identiek met het object maakt, en zo tot de daadwerkelijke theorie wordt’. In haar beste stukken benadert Rasch dat ideaal. Dit is meer dan wat zij ‘slechts kijken’ noemt; met die kwalificatie doet zij zichzelf eigenlijk tekort. Het zijn momenten dat ze de zwemmer grond onder de voeten geeft, misschien niet eens zozeer door het onzichtbare zichtbaar te maken, maar eerder door duidelijk te maken dat er altijd iets onzichtbaars overblijft.