Een filosoof aan de wandel: onderzoek naar het alledaagse
🖋 Jan Willem Duyvendak


Zijn de dingen die we ‘gewoon’ vinden wel zo gewoon, hoe kunnen we het alledaagse filosofisch bevragen, en wat hebben we daar eigenlijk aan? Jan Willem Duyvendak bespreekt Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse van Pieter Hoexum en onderzoekt wat er zo gewoon en tegelijkertijd zo bijzonder is aan thuisgevoel.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Het alledaagse is populair, heel populair. Een verwijzing naar de ‘gewone man’ doet het in de politiek en in de media goed. Eindeloos veel journaals worden gevuld met meningen van ‘gewone mensen’, daarnaar gevraagd op een ‘gewone plek’ (meestal is dat de markt). Veel journalisten hebben daar zelf ook een broertje dood aan (een ‘vox-popje doen’, noemen ze dat) want het is geen nieuwsgaring maar clichévermenigvuldiging: wat de journalist denkt dat de ‘gewone man’ vindt, krijgen we nogmaals te horen. In populistische tijden telt de stem van de ‘gewone man’ zwaarder dan ooit.[1]

Pieter Hoexum, Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse (Atlas Contact 2019), 224 blz.

Niet alleen gewone mensen zijn populair, gewone dingen zijn dat ook, evenals gewone situaties. Pieter Hoexums nieuwe boek Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse past in deze waardering voor het alledaagse. Het gaat hem om gewone, alledaagse situaties en emoties: om huiselijke taferelen en om het gevoel ergens thuis te zijn. Hij doet dit overigens niet omdat hij de ‘gewone man’ bijzonder vindt en in wil zetten tegen ‘de elite’, zoals de populisten doen. Nee, Hoexum is geïnteresseerd in alledaagsheid omdat iedereen daarmee te maken heeft, daarvan ‘leeft’.

Maar hij maakt het zichzelf niet gemakkelijk, want om ‘thuis voelen’ in al zijn alledaagsheid te onderzoeken, gaat hij naar een voor hem aanvankelijk onbekende plek: het Adriaan Roland Holsthuis in Bergen, waar hij als schrijver vier keer een periode van ongeveer een maand mag doorbrengen. Hij verblijft met opzet in een voor hem vreemd huis, want het alledaagse laat zich naar zijn idee moeilijk direct kennen, juist vanwege zijn alledaagsheid. Hij plaatst zich daarbij op de schouders van Wittgenstein, die dit als volgt verwoordde: ‘De aspecten van de dingen die voor ons het belangrijkste zijn blijven voor ons door hun eenvoud en alledaagsheid verborgen.’ Hoexums zoektocht naar thuisgevoel op een onbekende plek is dus een bewuste omweg om greep te krijgen op de betekenis van alledaagsheid, iets wat hem naar zijn eigen idee nog onvoldoende is gelukt in zijn vorige (prachtige!) boek Kleine filosofie van het rijtjeshuis (2014) over het o zo gewone rijtjeshuis dat hij met zijn gezin in Purmerend bewoont.

Geblinddoekt filosoferen
Hoexum komt veel te weten over thuis voelen en over hoe voorwerpen thuisgevoel bewerkstelligen. In korte essays verkent hij het huis, van dak tot deur, via de trap tot de open keuken. Hij ontdekt allerlei aspecten van het huis, dat allengs vertrouwder wordt: ‘Als je ergens thuis wilt raken, loop je er net zo lang rond, tot je de weg er blind kan vinden en je de omgeving helemaal niet meer opmerkt.’ Dat is dus precies wat Hoexum in het Roland Holsthuis ging doen: er eindeloos in rondlopen totdat het huis zo vertrouwd werd dat hij de omgeving niet meer opmerkte, en vanaf dat moment begon hij zich er steeds meer thuis te voelen. Maar had hij dan niet net zo goed in zijn rijtjeshuis kunnen blijven? Want nu ook dit nieuwe huis vanzelfsprekend is geworden, herhaalt het probleem zich: hij ziet de dingen niet meer die voor thuisgevoel zorgen. Dus verzint Hoexum een list: hij gaat letterlijk als een blindeman door het huis lopen om zich van iedere plek opnieuw bewust te zijn, om de dingen op de tast op te merken, om te snappen waarom hij zich er thuis voelt. Alledaagsheid verblindt en alleen blindemannen kunnen daarom het belang van het alledaagse zien, zo zou ik Hoexums filosofie willen samenvatten.

Maar klopt het uitgangspunt dat het belangrijkste in het leven verborgen blijft door eenvoud en alledaagsheid? En geldt dat voor het leven in het algemeen? Of voor thuis voelen in het bijzonder? ‘Je merkt het niet op – omdat je het altijd voor ogen hebt; het zijn geloof ik precies de alledaagse en onopvallende maar o zo belangrijke aspecten die van een huis een thuis maken.’ Elders schrijft Hoexum al even wittgensteiniaans: ‘De keuken staat (…) vol dingen die we dagelijks gebruiken maar nauwelijks meer opmerken en meestal maar voor lief nemen, terwijl het, als we erover nadenken, de zaken zijn die de grootste gevoelswaarde en betekenis hebben.’ Met andere woorden: door hun alledaagsheid vergeten we het echte belang van dingen en plekken – en pas als we erover nadenken, zo claimt Hoexum, komen we hun grote betekenis op het spoor. Dat klinkt, met alle respect, nogal filosofistisch: pas door na te denken kunnen we voelen, kunnen we ervaren hoe belangrijk deze dingen voor ons zijn. Zo maakt Hoexum-de-filosoof zichzelf onmisbaar: we hebben blijkbaar bij uitstek filosofische verkenningen nodig voor het alledaagse, voor het vanzelfsprekende, want anders ontgaat ons hun betekenis.

Er is daarnaast sprake van een tweede claim: de dingen die we niet (meer) waarnemen, de alledaagse dingen, hebben zelfs de grootste betekenis voor ons leven. Gelukkig dus dat er filosofen zijn die ons de betekenis van de alledaagsheid kunnen laten zien, want gewone mensen zien het belang van gewone dingen blijkbaar over het hoofd, terwijl die nu juist het belangrijkste zijn.

Wittgenstein en Hoexums dubbele claim over het alledaagse – het alledaagse karakter van dingen ontneemt ons het zicht op ‘het belangrijkste’ terwijl ‘het belangrijkste’ nu precies in de alledaagse dingen schuilt – is aantrekkelijk voor filosofen, maar snijdt-ie ook empirisch hout? Schuilt voor iedereen ‘het belangrijkste’ in het alledaagse? Dat lijkt me nog wel een discussie waard. En klopt hun claim dat we alledaagse dingen, non-reflectief, voor lief of voor waar aannemen en daarom hun immense belang niet meer onderkennen? In mijn eigen onderzoek naar thuisgevoel kwam ik er inderdaad achter dat mensen het moeilijk vonden om precies onder woorden te brengen wat thuisgevoel voor hen is, maar ze wisten ook heel goed dat het belangrijkste voor hen in alledaagse dingen schuilt, in de vertrouwdheid van mensen en goederen, van geuren en smaken, en in alles wat verder nog bijdraagt aan thuisgevoel. Daar hadden ze geen filosoof (of socioloog) voor nodig. En ik ken ook maar heel weinig mensen die het belang van thuisgevoel – en van alledaagsheid als voorwaarde daarvoor – niet onderkennen, behalve enkele vrienden die met kosmopolitische overdrijving claimen zich overal thuis te voelen en daarmee eigenlijk aangeven dat ze niet weten waar echt thuis voelen om draait.

De sociologische blik
Hoexum twijfelt zelf in de loop van zijn boek ook steeds meer aan zijn strategie van ‘nadenken’ over de alledaagse dingen om hun alledaagsheid te doorbreken. Te veel focussen maakt dingen niet per se zichtbaarder: ‘De Belgische filosoof Erik Oger beschrijft het wonderlijke verschijnsel dat sommige zaken onzichtbaar worden juist als je je erop focust, maar weer verschijnen zodra ze uit de focus verdwijnen.’ Maar hoe moet het dan wel? Eerst claimt Hoexum dat het alledaagse onzichtbaar is omdat we er niet op focussen, dat we het voor lief nemen omdat we er geen gerichte aandacht aangeven; maar nu verdwijnt betekenis ook als we er wel aandacht aan geven… Zijn oplossing is uiteindelijk om niet meer na te denken over thuis maar om thuis te doen: hij gaat eindeloos schoonmaken, lummelen en koken om zo de betekenis van ‘thuis’ op de staart te trappen. Filosofische verkenningen worden dan dus wandelingen – en filosofie wordt in dit boek een vorm van empirische filosofie, in de traditie van Annemarie Mol en het filosofisch tijdschrift Krisis, waarbij filosofisch onderzoek al langer inductief van aard is.

Het zijn de afgelopen jaren vooral antropologen, sociaal geografen en sociologen geweest die onderzoek naar thuis hebben gedaan. Dat onderzoek richt zich vaak op migranten en diasporagemeenschappen (alleen al omdat gebrek aan thuisgevoel daar opvallend nijpend is), maar de aandacht gaat ook steeds vaker uit naar het thuisgevoel van ‘gevestigden’, laten we zeggen ‘gewone mensen’. Daarmee wil ik geenszins suggereren dat filosofen niets hebben bij te dragen aan onderzoek naar het alledaagse. Maar zoals Hoexum in zijn boek ontdekt: daar is de filosofie niet per se direct goed op toegerust. Of preciezer: vooral een empirisch-filosofische benadering heeft hier iets te bieden. Hoexum moet afscheid nemen van De Grote Denkers – die hebben maar weinig te melden over de alledaagse ervaring van thuis voelen.

Het is niet de alledaagsheid die zich moeilijk laat onderzoeken, zoals Hoexum aanvankelijk abusievelijk meent, het is de academische filosofie die veel te weinig aandacht heeft (gehad) voor het alledaagse en zich er daarom geen raad mee weet. Te veel filosofen hebben zich te lang gericht op de grote vragen en de grote denkers, op ‘de canon’; het alledaagse was laag-bij-de-gronds. Hoexums wending naar het alledaagse is daarom zeer te verwelkomen, ook al gaat die nog enigszins op de tast.

Je zou wensen dat meer filosofen deze empirische turn zouden maken om zo sociologie en filosofie ook dichter bij elkaar te brengen. Helaas stelde filosoof Maarten Doorman in De Gids recentelijk voor om de grenzen tussen beide disciplines juist strakker te trekken. Zijn frontale aanval op ‘de sociologische blik’, die dominant zou zijn in veel geesteswetenschappelijk onderzoek in Nederland, riep ook in de Nederlandse Boekengids reacties op. Waar Hoexum uit de filosofische ivoren toren stapt, de alledaagse wereld tegemoet, bekritiseert Doorman op hoge toon de aandacht die wordt gegeven aan de sociologische context in het onderzoek naar onder andere ‘de canon’. Hij meent dat in ‘de sociologische blik’ louter de vraag centraal staat welke groepen ‘door cultuuruitingen werden vertegenwoordigd: knecht of meester, uitsluiters of uitgeslotenen, goeden of slechten. (…) De sociologische blik ruilde zo de autonomie van de kunsten en van wetenschappelijke kennis in voor sociaal-politieke opvattingen.’[2] Het is een treurigstemmende polemiek: eerst maakt Doorman een karikatuur van de sociologie om daar vervolgens op af te geven. Hij pleit voor afstand tussen enerzijds sociale en anderzijds geesteswetenschappen, juist op een moment dat de grenzen tussen beide steeds diffuser worden. Daarvan is het boek van Hoexum een prachtig voorbeeld. Hij laat niet alleen zien dat de alledaagse emotie van thuisgevoel filosofische aandacht verdient, hij illustreert ook fraai dat disciplinaire grenzen niet lopen via het onderscheid tussen wie- en wat-vragen, zoals Doorman claimt. Hoexum onderstreept het belang van ‘hoe-vragen’: hoe doen mensen dat, zich ergens thuis gaan voelen? In plaats van de essentie te willen benoemen, gaat hij op zoek naar de ervaring van thuisgevoel en de situaties waarin die ervaring optreedt. Het is niet metafysisch, eerder superfysisch: Hoexum geeft de dingen een plek, een belangrijke plek omdat ze die in al hun alledaagsheid inderdaad verdienen.

Noten
[1] Full disclosure: Samen met Menno Hurenkamp rond ik op dit moment een boek af over de alomtegenwoordigheid van het gewone – in het publieke en politieke debat, maar ook in de wetenschap – en daarin laten we zien dat het ‘gewone’ en zijn razende populariteit niet alleen verklaard kan worden uit, of weggezet als, het populisme. Zie ook ons artikel ‘De lokroep van de kantine. Herover de gewoonheid’, De Groene Amsterdammer, 12 december 2018.
[2] Maarten Doorman, ‘Twee hoeden op de grond’, De Gids 2018 (6).