Advertentie
De metamorfose van de wereld

Liefde, gemeenschap, begrip: over geloof in poëzie

Poëzie doet er niet toe. Het wordt nauwelijks verkocht, er wordt weinig onderzoek naar gedaan en bijna niemand waagt zich nog aan een zorgvuldige close reading. Bertram Mourits bespreekt vijf pleidooien voor de poëzie en het nauwkeurig lezen. Slagen ze erin het beeld te kantelen en lezers te enthousiasmeren?

Besproken boeken

Bijna dertig jaar geleden stelde een Amerikaanse marketingman in het tijdschrift The Atlantic de vraag ‘Can Poetry Matter?’ De auteur van het stuk, Dana Gioia, werkte bij General Foods en schreef ook poëzie. Hij had een dichtbundel op zijn naam en verbaasde zich over hoe marginaal zijn nevenactiviteit werd gevonden. Hij beschouwde het als een teken des tijds: ‘Poetry has vanished as a cultural force in America.’ Het artikel maakte zoveel reacties los dat Gioia een jaar later zijn baan kon opzeggen; hij was nu fulltime dichter en schrijver. Zijn leven was weliswaar grondig veranderd door de dichtkunst, maar de vraag vond niet voor niets zoveel weerklank: wat is de rol van poëzie in de wereld?

De vraag is sindsdien niet verstomd. Hoewel er geen serieuze literaire uitgever is zonder poëziefonds, zijn de grote uitgeverijen wel minder dichtbundels gaan uitgeven, en de aandacht voor poëzie in de dag- of weekbladpers is afgenomen. Zelfs vanuit de universiteit, de plek die van oudsher veilig werd gewaand voor de literatuur, doemen de bedreigingen op. In de literatuurwetenschap zijn niet-hermeneutische benaderingen al een tijd in opkomst, van ontwikkeling van empirisch lezersonderzoek tot digital humanities, waarbij ‘distant reading’ de methode is om teksten te benaderen: tekstanalyse met behulp van algoritmen. Overigens wordt dit soort methodologie in onderzoek over poëzie niet toegepast; mogelijkerwijs omdat de meeste gedichten te weinig woorden en misschien ook te weinig lezers hebben om tot statistisch significante resultaten te komen.

Daar komt voor ons taalgebied nog bij dat de neerlandistiek als vanzelfsprekende context voor poëzie onder druk staat. Er zijn steeds minder studenten, en pogingen om de studie Nederlands relevant te maken, doen vaak een beroep op het cultuurhistorisch besef van de potentiële student; het vak zoekt aansluiting bij geschiedenis.

opkomst van poëzie die zich buiten de grenzen van het papier manifesteert – spoken word, poetryslams, poëzie in de publieke ruimte – is een mogelijke en productieve reactie, waarbij poëzie een heel direct communicatiemiddel is. Het Nederlands taalgebied heeft minstens één Dichter des Vaderlands, en elke middelgrote gemeente heeft wel een ‘Stadsdichter’. Poëzie is dus niet kapot te krijgen – Kila van der Starre laat dit in haar onderzoek naar ‘poëzie buiten het boek’ duidelijk zien. Maar hoe staat het met het ouderwetse, grondige lezen van gedichten?

De Netflix-lezer

De advocaten van poëzie roeren zich: de afgelopen jaren zijn er meerdere boeken verschenen met uitdagende titels die suggereren dat het zelfvertrouwen sinds Dana Gioa wel degelijk is toegenomen. Critica Stephanie Burt noemt haar recente boek over het lezen van gedichten Don’t Read Poetry (2019), de Amerikaanse dichter en romancier Ben Lerner heeft het over The Hatred of Poetry (2016), en in Nederland brengt Ellen Deckwitz de liefde voor poëzie over onder de titel Olijven moet je leren lezen (2016). Drie auteurs die allen gebruikmaken van een soort omgekeerde psychologie: eerst de aandacht trekken met een uitdagende negatieve associatie, om daarna de lezer van het omgekeerde te overtuigen.

Er is geen gereedschapskist om ‘poëzie’ te waarderen. Je kunt geen ‘poëzie’ lezen.

Burt legt haar titel al binnen tien bladzijden uit, en het is een beetje een anticlimax omdat het zo’n voor de hand liggende observatie is: je kunt geen ‘poëzie’ lezen, evenmin als zeggen dat je naar ‘muziek’ luistert. Je leest gedichten, en je moet daarbij niet doen alsof alles hetzelfde is. Er is geen gereedschapskist om ‘poëzie’ te waarderen; er kunnen wel verschillende redenen zijn om gedichten te lezen. Nou goed.

Ze heeft haar boek opgedeeld in zes van die mogelijke redenen: feelings, character, form, difficulty, wisdom en community. Een onorthodoxe indeling die met vorm noch geschiedenis van poëzie iets te maken heeft, en die al evenmin valt te koppelen aan structuur of genre. Het is ook niet de bedoeling, want dit boek wil nadrukkelijk geen lesboek zijn. Burt mikt op de kijkers van Mad Men – waarin Frank O’Hara werd geciteerd – of Breaking Bad – waarin Percy Shelley voorkwam. Ze probeert de Netflix-generatie binnen te hengelen door te laten zien dat gedichten in het echte leven net zoveel indruk kunnen maken als op tv.

Burt wil niet wegpoetsen dat gedichten moeilijk kunnen zijn, nee, die moeilijkheid kan vervreemding en ontregeling teweegbrengen, en heeft dus zin.

De nadruk ligt dan ook sterk op een identificerende manier van lezen. Burt benadert poëzie in eerste instantie vanuit de ‘gevoelens’ van de lezer – de eenvoudigste sleutel waarmee een gedicht gelezen wordt vanuit een romantische literatuuropvatting waarin de dichter emoties overbrengt. En omdat die universeel en tijdloos zijn, vormt poëzie in deze visie ook een manier om de kloof tussen lezer en dichter te overbruggen: en dat kan ook een brug in de tijd zijn. De vraag of een vijfhonderd jaar oud gedicht nu hetzelfde betekent als toen, wordt van harte bevestigend beantwoord: ‘I have been mixing old poems with very new ones because I like them both, but also to make a point: to read lyric poetry is to discover commonalities of human feeling (…) across time and space.’ Ook is poëzie volgens Burt in staat de lezer te laten kennismaken met ‘characters’ (personages, of personae).

Ze heeft niet alleen oog voor de inhoud. In een hoofdstuk staat ‘vorm’ centraal, waarbij het gaat om taal en techniek: rijm, woordspel, et cetera. Burt wil niet wegpoetsen dat gedichten moeilijk kunnen zijn, nee, die moeilijkheid kan vervreemding en ontregeling teweegbrengen, en heeft dus zin. Hier ligt de grootste uitdaging om de dichtkunst naar de lezer toe te trekken, en ze gebruikt weer een romantisch argument: gevoelens zijn ingewikkeld, dus gedichten mogen dat ook zijn. De kracht van het betoog zit hier ook in de geestige manier waarop ze voorbeelden kiest. Over de liefdespoëzie van Gertrude Stein: ‘It’s like a sex manual sent back and forth through Google Translate a few times and then read out loud at a special kind of party.’

Poëzie leidt tot empathie, begrip, nadenken, beter kijken, brengt mensen bij elkaar, hoopt Burt.

Poëzie is ook een mogelijke bron van wijsheid – het gevolg van contact met andere plaatsen en tijden, en de beloning van het doorgronden van moeilijke gedichten. Burt behandelt weer van alles naast elkaar: het achttiende-eeuwse gedicht dat uitlegt dat alles vergankelijk is (‘The power of glory leads but to the grave’) en het twintigste-eeuwse advies aan de Afro-Amerikaanse gemeenschap in de VS om geduld te hebben: ‘Freedom / Is just frosting / On somebody else’s / Cake – / And so must be / Till we / Learn how to / Bake.’ Die uiteenlopende bronnen maken dit hoofdstuk wat vrijblijvender, ook al omdat de meeste moderne dichters ontkennen dat poëzie een boodschap heeft.

Aan het slot komen al deze leeswijzen samen, onder de noemer ‘gemeenschap’. Poëzie leidt tot empathie, begrip, nadenken, beter kijken, brengt mensen bij elkaar, hoopt Burt. De functie van complexiteit, vooral ambiguïteit, is dat die het mogelijk maakt gedichten in meerdere tijden en contexten meerdere dingen te laten betekenen: grensoverschrijdende gemeenschappelijkheid. Burt concludeert dat het doel van poëzie het bouwen van een gemeenschap is (de politieke ontwikkelingen in Amerika worden op de laatste pagina dan ook kort, en met teleurstelling, genoemd).

Olijven

Burt is een geestverwant van Ellen Deckwitz. In Olijven moet je leren lezen legt Deckwitz ook sterk de nadruk op poëzie als middel om je tot een ander te verhouden: tot de dichter, maar ook tot iemand met wie je een gedicht kan delen. Aangezien de columns die aan het boek ten grondslag liggen grotendeels intact zijn gelaten, is er geen thematische indeling. Deckwitz behandelt dichters en gedichten op een lichte en inlevende manier. De titel geeft aan dat je enige moeite moet doen voor de dichtkunst, immers, niemand vindt olijven meteen lekker. Dit is, aldus de ondertitel, Een cursus genieten van poëzie.

De pleidooien vasn Burt en Deckwitz zijn geschreven vanuit de opvatting dat een goed gedicht de lezer op een of andere manier persoonlijk kan raken, en dat geraakt worden door een gedicht betekent dat je jezelf erin herkent.

Ook Deckwitz gebruikt populaire cultuur en geestige beeldspraak om zaken uit te leggen (‘enjambementen zijn een soort cliffhangers’) en legt veel nadruk op het feit dat je aan poëzie iets hebt voor je leven. Poëzie ‘is een instrument waarmee je je blik op de wereld scherp kunt stellen’, citeert ze Anne Vegter met instemming, maar ook ‘Poëzie is bij uitstek geschikt om iemand er eens flink van langs te geven’ (naar aanleiding van Gerrit Komrij). Met meer humor dan Burt maar net zo serieus legt Deckwitz uit dat je van poëzie beter leert lezen en luisteren. Dat poëzie ‘verdriet bestaansrecht (kan) geven’, ook met een verwijzing naar Anne Vegter, die als Dichter des Vaderlands nadrukkelijk bezig was met de vraag waarom mensen poëzie zouden moeten lezen.

Op de vraag ‘Wat hebben we nou eigenlijk aan poëzie?’ geeft Deckwitz in het slothoofdstuk het antwoord: ‘Je leert je te openen, via taal, voor iets buiten jezelf. Je traint je vermogen tot begrijpen, waardoor je een betere lezer maar ook een betere gesprekspartner wordt.’ Dit ligt niet ver van het idee dat je dankzij poëzie deel gaat uitmaken van een gemeenschap; ook Deckwitz ziet poëzie als middel tot grotere empathie.

Lerner wil in elk geval niet dat poëzie ongevaarlijk is.

Deze pleidooien voor poëzie zijn geschreven vanuit de opvatting dat een goed gedicht de lezer op een of andere manier persoonlijk kan raken, en dat geraakt worden door een gedicht betekent dat je jezelf erin herkent. Het antwoord op de vraag van Dana Gioia is: ja, poëzie kan ertoe doen. Beide boeken anticiperen op het idee dat poëzie iets moeilijks is, iets dat je geneigd bent op afstand te houden. Burt en Deckwitz schrijven beiden vanuit het besef dat de vanzelfsprekendheid ontbreekt om poëzie te lezen. In hun enthousiasme proberen ze als het ware een gemeenschap van gelijkgestemden te creëren: een samenzwering tussen lezers en dichters die elkaar verstaan.

Voor Ben Lerner schuilt in die gemeenschapsvorming juist een mogelijk gevaar – hetzelfde dat door Gioia werd gezien toen hij schreef: ‘Not long ago, “only poets read poetry” was meant as damning criticism. Now it is a proven marketing strategy.’ De saamhorigheid van een gemeenschap waarbinnen men weet wat goed is, creëert elitarisme en afzondering. En Lerner wil in elk geval niet dat poëzie ongevaarlijk is.

Zijn essay The Hatred of Poetry laat zich lezen als een scherp antwoord op Gioia. Elk gedicht is in de eerste plaats ‘het verslag van een mislukking’. De haat uit de titel is betrekkelijk, maar wordt veroorzaakt bij zowel de lezer (omdat die nooit helemaal kan begrijpen wat een dichter wil) als bij de dichter (omdat een gedicht altijd een afgeleide is van het oorspronkelijke idee). Er blijft altijd ‘ruimte tussen mijn aspiraties en mijn mogelijkheden’. Vanaf daar ben je al snel bij Plato aanbeland – en met grote stappen gaat Lerner door de geschiedenis van de poëzie waarbij de verdediging een terugkerend element is. Want ‘poëzie’ als geheel valt wel te verdedigen, maar ‘Het fatale probleem met poëzie: gedichten.’ Lerner laat dan van enkele (soms goede, soms ook heel slechte) gedichten zien waar ze mislukken. Op die manier haalt hij de gedichten via een omweg toch dichter bij de lezer. Hij vertelt bijvoorbeeld over ongepubliceerde gedichten van gedetineerden, waarnaar hij verwijst ‘als voorbeeld van de kracht van het impliciete verband tussen poëzie en de maatschappelijke erkenning van de menselijkheid van de dichter.’

Zo komen de blijmoedigheid van Burt, het enthousiasme van Deckwitz en het aanvankelijke cynisme van Lerner uit bij een sterk vergelijkbare conclusie. Marianne Moore parafraserend eindigt Lerner met de hoop dat gedichten de minachting van poëziehaters ‘uiteindelijk misschien, door een ruimte te creëren voor potentialiteit en aanwezige afwezigheden (als melodieën die niet te horen zijn) op liefde zal lijken’.

Ideale lezer

Liefde of gemeenschap: onder het vernis van relativeringsvermogen schuilt voor Burt, Deckwitz en Lerner een ideaal van wat poëzie teweeg kan brengen. Dat ideaal wordt door meer traditioneel opererende poëzielezers met minder reserve over het voetlicht gebracht. Door Helen Vendler bijvoorbeeld, een letterkundige van Harvard University wier essays in 2015 werden verzameld in The Ocean, the Bird, and the Scholar.

Een mens zonder kunst leeft niet volwaardig: ‘we are only half ourselves without it’.

Het titelessay heeft als ondertitel ‘How the Arts Help Us to Live’ – ‘hoe’ dus, niet ‘of’. Vendler schrijft over Amerikaanse poëzie omdat de dichters hun eigen cultuur vormgeven en zo bijdragen aan de identiteit van het land, maar ook omdat de kunst volgens haar meer zegt over het verleden dan bijvoorbeeld filosofische of historische teksten: ‘it is by their arts that cultures are principally remembered.’

Na het lezen van Shakespeare realiseert Vendler zich dat gedichten het vermogen kunnen hebben om ‘the truth about one’s inner being’ te laten zien. Een mens zonder kunst leeft niet volwaardig: ‘Just as art is only half itself without us – its audience, its analysts, its scholars – so we are only half ourselves without it.’ Vendler ziet voor zichzelf een rol om die samenhang tot stand te brengen. Ze schrijft in de overtuiging dat ‘poetry belongs to all, but that its audience often needs – as I do still – paths into its inexhaustible precincts’. Dat ‘as I do still’ is geen valse bescheidenheid: ze is niet alleen op zoek naar wat gedichten haar te zeggen hebben, maar ook naar de beste manier om die boodschap te achterhalen.

Dat was ook de leidraad voor Piet Gerbrandy, die in De gong en de rookberg (2011) een boek lang zijn best doet om de ideale lezer te worden van twee dichtbundels, van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink. In dit boek, zijn proefschrift, probeert hij die bundels tot in de allerkleinste details te interpreteren, met als uitgangspunt de vragen: waarom is poëzie moeilijk, hoe ver moet je als lezer gaan? En ook: hoeveel van de betekenis zit louter en alleen in de lezer?

Het antwoord op die laatste vraag is ontnuchterend: vrijwel alles zit in de lezer. Pogingen om neutrale formele kenmerken aan te wijzen stranden: vorm betekent niets zonder inhoud. Het is de lezer, beter gezegd, het is Gerbrandy, die vindt dat het zin heeft moeite te doen voor dit werk. En op bijna zelfdestructieve wijze laat hij zien hoe toevallig zijn vondsten soms zijn. Het is ook een retorische truc: hij heeft ondertussen overtuigend laten zien dat het niet eenvoudig zal zijn om tot afwijkende conclusies te komen.

Dan die andere vraag: waarom zijn sommige dichtbundels zo moeilijk? Vooral de obscure verwijzingen die Gerbrandy soms louter per toeval weet te plaatsen, verbazen hem: waarom de lezer zo moedwillig op afstand houden? Misschien wil de dichter ‘de lezer ertoe (…) aanzetten een extra inspanning te leveren’. Of misschien is het een test: in hoeverre moet je je als lezer laten frustreren? In elk geval moet de lezer moeite doen, en dat is goed, aldus Gerbrandy. En hij weet dat dit antwoord ‘normatief’, sterker nog, ‘moreel geladen’ is. Wie verwijzingen mist, zowel wat de interne structuur betreft als wanneer het gaat om intertekstualiteit, doet ‘niet alleen het gedicht maar ook zichzelf tekort’ – zegt Gerbrandy op twee plekken in het boek.

Allen laten ze zien hoeveel kanten poëtische taal op kan, en hoe gedichten die mogelijkheden in praktijk brengen.

Het gedicht heeft iets te zeggen, en dat is de moeite waard omdat het grenzen van land en tijd overschrijdt. Iets wat Gerbrandy in de praktijk laat zien door zijn leeswijze – geïnformeerd door twintigste-eeuwse literatuurwetenschappers als Michael Riffaterre, Stanley Fish en Jonathan Culler – te formuleren aan de hand van Aristoteles. Wat Riffaterre, Culler en Fish schreven over de rol van de lezer en de onmogelijkheid van een neutrale lezing, was eigenlijk al te vinden bij wat Aristoteles schreef over ‘de realisering van het gedicht’. Diens inzichten zijn zo’n vierentwintig eeuwen later nog steeds zinvol; die handreiking mag je niet weigeren.

Daar is weer de gemeenschap van gedichten, die lezers en dichters uit verre landen en tijdperken met elkaar verbindt. Die verbinding is waardevol, en spreekt daarom niet vanzelf: ‘Schoonheid en zin krijg je niet cadeau. Je moet ervoor vechten.’ Hoe groot hij het belang van dat gevecht acht, werd duidelijk uit zijn warme pleidooi voor interpretatief lezen als kernactiviteit van de neerlandistiek in 2019 in dit blad: ‘Wat we nodig hebben, is stoffige filologie, close reading en eruditie.’ (Ook hij daagt dus uit met een negatief woord als ‘stoffig’.)

Hoewel Gerbrandy en Vendler geen moeite doen om de lezer voor het werk van de behandelde dichters te winnen – ze schrijven voor de liefhebbers –, hebben ze in feite hetzelfde doel als Burt en Deckwitz: ze laten zien hoeveel kanten poëtische taal op kan, en hoe gedichten die mogelijkheden in praktijk brengen. Een voor een geven ze antwoord op de vraag van Dana Gioia: ja, poëzie kan ertoe doen. En of dat nu is vanuit een populair perspectief op de pagina’s van de krant, of vanuit de traditionele hermeneutiek: ze geven dat antwoord vol overtuiging. Het vertrouwen van poëzielezers dat gedichten ertoe doen is nog nooit zo groot geweest.