Ad fontes! De neerlandistiek moet terugkeren naar haar wortels
🖋 Piet Gerbrandy


Het aantal studenten dat zich jaarlijks aan een studie Nederlands waagt is teruggelopen, zo erg zelfs dat de bacheloropleiding aan de VU inmiddels is opgeheven. En dat terwijl er in de huidige Nederlandse samenleving de nodige problemen spelen waaraan juist door de neerlandistiek het hoofd kan worden geboden. In een reeks essays over de urgentie van de neerlandistiek identificeren verschillende specialisten de problemen en stippelen ze de koers uit die het vakgebied zou moeten varen om die problemen te adresseren. Na Frans-Willem Korsten, Saskia Pieterse en Marc van Oostendorp is het nu de beurt aan Piet Gerbrandy, classicus aan de Universiteit van Amsterdam, maar ook criticus, essayist, dichter en redacteur bij De Gids. Daarnaast was hij lange tijd leraar Klassieke Talen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#3

Wie niet zaait heeft niets te oogsten. Deze simpele waarheid speelt door mijn hoofd bij het lezen van al die stukken over de teloorgang van de neerlandistiek die de laatste tijd in diverse media verschijnen. Het symptoom, de leegloop van de opleidingen, is evident, maar over de diagnose bestaat minder eenstemmigheid en het paniekerig zoeken naar remedies getuigt van verregaande hulpeloosheid. Dat verergert de kwaal alleen maar, want wie wil er nu gaan studeren bij een instantie die ziek is? Vanzelfsprekend ben ik begaan met het lot van de patiënt. Ik vermoed echter dat de enige kans op genezing niet daar ligt waar de betrokkenen haar zoeken. Als het niet al te laat is.

Laat ik beginnen met een persoonlijke terugblik. In januari 1974 richtten enkele vierdeklassers van het Stedelijk Gymnasium in Arnhem het genootschap Demosthenes op, met als oogmerk wekelijks op vrijdagmiddag de Nederlandse literatuur te bestuderen, gedichten voor te dragen en, zoals dat gaat, sigaren rokend slap te ouwehoeren over alles wat gulzige jongelieden bezighoudt. Het gezelschap, dat uiteindelijk uit zeven leden zou bestaan, hield deze bijeenkomsten met ijzeren regelmaat vol totdat de meesten van ons in juni 1976 eindexamen deden en uitvlogen naar verschillende universiteitssteden om uiteenlopende vakken te gaan studeren, van vliegtuigbouw tot notariaat. Toen ik mijn studie Klassieke Talen begon, beschikte ik over een tamelijk compleet overzicht van wat de Nederlandse literatuur te bieden had.

Nu wil ik best toegeven dat deze ervaring niet representatief is, maar het gaat me om de didactische en culturele inbedding van ons pedante clubje. We groeiden op in een atmosfeer waarin zorgvuldig taalgebruik en intellectuele nieuwsgierigheid werden gestimuleerd en waarin het belang van literatuur volstrekt vanzelfsprekend was. Misschien moet dit stuk ook een ode zijn aan de man die vijf jaar lang mijn leraar Nederlands was, Rob Danz, van wiens lessen ik me vooral herinner dat we open met elkaar praatten, week in, week uit, over taal, literatuur en de wereld. Ja, er werd wel eens een proefwerk gemaakt, maar dat deed er eigenlijk niet toe. En over het Centraal Examen maakte al helemaal niemand zich druk. Grondig lezen, helder nadenken, je smaak ontwikkelen, zorgvuldig formuleren, dat was wat we meekregen, niet alleen bij Nederlands, maar toch met name daar.

Het verval
In de eerste twaalf jaar van mijn eigen leraarschap had ik collega’s Nederlands – maar dit geldt zeker ook voor de andere moderne talen – die met hartstocht en kennis van zaken zelfs de meest lamlendige leerlingen aan het lezen wisten te krijgen, precies zoals ik het zelf als gymnasiast had meegemaakt. Maar aan het begin van de jaren negentig ging het mis, goed mis, en in een verbijsterend tempo werd een traditie van pakweg anderhalve eeuw afgebroken. De basisvorming werd ingevoerd, vervolgens de tweede fase met studiehuis; deskundige leraren maakten plaats voor vlotte juffen en meesters zonder intellectuele bagage, en zogenaamde vaardigheden verdrongen, zoals Marc van Oostendorp in zijn bijdrage aan onderhavige essayreeks al opmerkte, het aloude verwerven van kennis en inzicht. Digitalisering werd heiligverklaard. Ja, ik chargeer misschien een beetje, maar dit was de trend. Hoe heeft het kunnen gebeuren? En hoe reageerde de neerlandistiek?

De eerste factor is opvoedkundig van aard. Veel Nederlandse kinderen groeien op met de comfortabele gedachte dat ze evenveel recht van spreken hebben als hun ouders en dat hun persoonlijke authenticiteit en vermeende creativiteit op geen enkele manier gefnuikt mag worden. In het onderwijs uit zich dat in de visie dat men aansluiting zou moeten vinden bij de ‘belevingswereld van het kind’, dat zo min mogelijk lastiggevallen zou moeten worden met bezigheden die niet ‘leuk’ zijn. Dat een kind niet alleen geprikkeld, maar soms ook gedwongen kan worden om boven zijn eigen niveau uit te stijgen, hetgeen nu eenmaal discipline en het incasseren van teleurstellingen impliceert, is geen populaire gedachte. Misschien ben je als vijftienjarige te jong om Shakespeare, Plato of Martinus Nijhoff te doorgronden, maar dat betekent niet dat je er niet aan blootgesteld kunt worden teneinde jezelf te ontwikkelen.

Economisch denken vormt de tweede factor. Welk rapport over onderwijshervorming je ook leest, vanaf de jaren tachtig tot nu, altijd komt het erop neer dat kinderen opgevoed moeten worden tot mondige maar coöperatieve burgers, flexibele (lees: gedweeë) werknemers en welvarende consumenten. Leerlingen wordt, al zeker dertig jaar, wijsgemaakt dat het leren van talen in dienst staat van economisch gewin, en aangezien er het meeste geld valt te verdienen in sectoren die een armzalige vorm van Engels hanteren, heeft die taal op school een buitenproportionele status verworven. Het profiel Cultuur en Maatschappij wordt op het vwo beschouwd als vangnet voor kneuzen, want wie echt iets kan, gaat natuurlijk bedrijfskunde, ICT of geneeskunde studeren. Daarvoor heb je, zo redeneert men, geen kennis van Racine, Kafka of Reve nodig. Het gouden ei van Tim Krabbé volstaat, niet zozeer omdat je aan het lezen daarvan iets hebt, als wel omdat je nu eenmaal een keer moet laten zien dat je in staat bent een tekst van maar liefst honderd pagina’s helemaal door te nemen. Van kaft tot kaft!

Parallel aan genoemde ontwikkelingen loopt een derde verschijnsel, dat ik maar even samenvat onder de noemer postmoderne ideologiekritiek. Anders dan de eerste twee factoren speelt het in de academische wereld zo fanatiek gevoerde debat hierover niet direct een rol op middelbare scholen, maar indirect valt de invloed niet te onderschatten, omdat naar aanleiding van dat debat de status van literatuur nu permanent ter discussie staat. Laten we om te beginnen constateren dat nadenken over machtsverhoudingen, impliciete waardeoordelen en de totstandkoming van de literaire canon belangrijk en heilzaam is. Bij het lezen van Hadewijch, Baudelaire of Toni Morrison is het zinvol aandacht te besteden aan de cultuurhistorische context van hun werk, hun al of niet met zoveel woorden uitgedrukte visies op seksualiteit, racisme en economische structuren, en aan de vaak ideologisch gekleurde receptie van hun teksten, waarbij de lezer zich bij voortduring moet afvragen waar zijzelf precies staat. Nuttig, zeker, al heb ik eerlijk gezegd weinig theory nodig om te begrijpen dat Luceberts regel ‘Er is een grote norse neger in mij neergedaald’ enig commentaar behoeft. Maar moeten we echt zo ver gaan te beweren dat literaire kwaliteit geheel op sociaal-politieke vooroordelen berust? Willen we serieus volhouden dat Ronald Giphart en Saskia Noort evenveel aandacht verdienen als Dante en James Joyce? Moet de sociologische focus op ‘het veld’ in de plaats komen van nauwgezet en sensitief leren lezen? En is gedegen kennis van de literaire traditie werkelijk passé?

De vierde en laatste factor die ik wil noemen, is de typisch Nederlandse schroom om trots te zijn op eigen taal en literatuur. Verdedig je het belang van scholing in ‘vaderlands’ erfgoed, dan laad je algauw het odium van rechtse chauvinist op je, en als verlichte academici iets niet willen, is het wel gerekend worden tot de groep die alles wat van buiten komt verdacht vindt. Maar waarom zou het behoeden van een literaire traditie die minstens duizend jaar teruggaat en geschreven is in een taal die ruwweg achtentwintig miljoen sprekers kent dubieus zijn? In de taalgebieden om ons heen kijkt niemand ervan op als een academicus een boek over Milton, Heine of Valéry schrijft, maar bij ons levert dat geen punten op en wordt het doorgaans overgelaten aan neerlandici extra muros of freischwebende critici. Dat er niettemin behoefte aan is, blijkt uit het succes van de boeken van Frits van Oostrom en Marita Mathijsen, de biografieën van Onno Blom (Wolkers) en Wim Hazeu (Lucebert) en de poëzielessen van Ellen Deckwitz. Maar is het niet juist de taak van de neerlandistiek, als academische discipline, om haar eigen literatuur te beheren? Als zij het niet doet, zijn onze letteren dan niet ten dode opgeschreven als object van wetenschappelijke reflectie?

Vier factoren tel ik dus, die hebben geleid tot een devaluatie van de bestudering van Nederlandse taal en literatuur: pedagogische gemakzucht, gerichtheid op economisch nut, postmodern relativisme en angst om voor benepen nationalist te worden uitgemaakt. Wat zijn de gevolgen in de praktijk? Gegeven de magere positie die literatuur inneemt binnen het officiële examenprogramma van het schoolvak Nederlands, is literatuuronderwijs op het gros van de scholen een sluitpost geworden (er zijn natuurlijk gunstige uitzonderingen, maar mijn indruk is dat die zeldzaam zijn). Je kunt van het vwo komen zonder ooit een letter Vondel, Couperus of Slauerhoff te hebben gelezen – nogmaals, zou zoiets denkbaar zijn in Duitsland of Frankrijk? Zelfs de classici die ik onder mijn hoede heb, over het algemeen toch noeste en plichtsgetrouwe lezers, kijken me glazig aan als ik Reve of Lucebert noem, laat staan wanneer ik verwijs naar Jacob Geel of Jacob van Maerlant.

Nu zou je nog kunnen volhouden dat feitenkennis en eruditie minder belangrijk zijn dan plezier in lezen en het ontwikkelen van een kritische blik, en dat de echte liefhebbers hun klassieken dan maar na hun eindexamen moeten lezen. Maar hoe kun je letterkundige competenties verwerven als het materiaal dat je aangereikt krijgt zo weinig substantie heeft?

Bovendien zit de kern van het probleem dieper. Zowel het examenprogramma, waarop het Centraal Examen is afgestemd, als de onderwijspraktijk van de meeste scholen heeft de overtuiging doen postvatten dat bestudering van taal en literatuur geen intrinsieke waarde heeft, maar uitsluitend externe doelen dient. Burgerschap en bureaucratische weerbaarheid, participatie in de democratie, jezelf kunnen verkopen, desnoods het analyseren van de manipulaties van het grootkapitaal – dat is allemaal prachtig, maar een fijn gevoel voor stijl of kennis van de hoofse liefde heb je er niet voor nodig. Zo is Nederlands een facilitair vak geworden, een vak zonder ziel, zonder geloof in zijn eigen object. Dan moet je niet vreemd opkijken als niemand het gaat studeren.

De ondergang
En wat is er aan de academie gebeurd? Laten we het nu even niet hebben over bezuinigingen op universitair onderwijs, want die hebben niet alleen neerlandistiek getroffen, niet alleen de geesteswetenschappen, maar raken ook de juristen, de psychologen en de biologen. Dat vakgroepen moeten woekeren met schaarse middelen en dat de programma’s, alle programma’s, zijn uitgekleed, staat buiten kijf, maar dat verklaart niet waarom abituriënten massaal kiezen voor communicatiewetenschappen en University College in plaats van voor Nederlands, Frans en Portugees. Leerlingen hebben immers maar een beperkt zicht op de feitelijke invulling van de curricula. Dat ze niet voor Nederlands kiezen komt, zoals gezegd, doordat ze nauwelijks weten dat er in onze taal zoiets bestaat als een literaire traditie en, voor zover ze dat weten, aannemen dat die inferieur is aan die van het Engels en bovendien irrelevant als je vooruit wilt in de wereld.

Nee, ik wil het hebben over de keuzes die door de neerlandistiek zelf zijn gemaakt, in veel gevallen waarschijnlijk om van de nood een deugd te maken, vaak misschien ook om vakinhoudelijke redenen.

Uit angst voor achterlijk versleten te worden zijn neerlandici niet alleen in het Engels gaan publiceren en doceren, ze hebben ook de postmodern-sociologische blik in onderwijs en onderzoek geïnternaliseerd; zie hierover ook recente essays van Maarten Doorman en Kees ’t Hart in De Gids (*), waarbij ik graag aansluit. Close reading en diepgaande kennis van de traditie zijn ouderwets, en dat komt goed uit, want er is toch geen tijd voor. Typerend is de Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur (2013) van Thomas Vaessens, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Het is op zichzelf een prachtig, helder geschreven boek waaruit je veel kunt leren, maar een literatuurgeschiedenis is het niet. Sterker nog, tijdens de lectuur krijg je allengs de indruk dat literaire teksten slechts illustraties zijn bij wat Vaessens ‘frames’ noemt, waarvan hij er vijf noemt: het romantische, het realistische, het avant-gardistische, het modernistische en het postmodernistische raamwerk. Leer de kenmerken van de vijf frames uit je hoofd en je bent in staat om vast te stellen welk frame het meest oplevert bij welke tekst, waarbij helaas de uitkomst van je analyse bij voorbaat vastligt. Het gebruik van deze kaders is zeker nuttig om te leren onderscheiden van welke vooronderstellingen critici en literatuurhistorici vaak onbewust uitgaan, maar een sensitieve lezer word je er niet van, en een overzicht van de Nederlandse literatuur van de afgelopen twee eeuwen krijg je al evenmin. Zo wordt lezen, ongetwijfeld onbedoeld, tot een invuloefening. Of, zoals Vaessens me ooit toevertrouwde, dat lezen moeten ze maar in hun eigen tijd doen. Is het toeval dat de auteur zich de facto uit de neerlandistiek heeft teruggetrokken door bestuurder te worden en een, overigens zeer onderhoudend, historisch-sociologisch boek te schrijven over de DAF van zijn vader? Zoals Geert Buelens, Vaessens’ vakbroeder in Utrecht, zich heeft gespecialiseerd in internationale poëzie over de Eerste Wereldoorlog en protestbewegingen in de jaren zestig? Waarom, zo vraag ik me opnieuw af, zou je gaan studeren bij docenten die blijkbaar niet in hun eigen vak geloven?

Een wedergeboorte?
Nu de neerlandistiek in zwaar weer verkeert, beginnen haar beoefenaars zich te roeren. Hun verontwaardiging is begrijpelijk, hun paniek terecht en sommige van de door hen voorgestelde oplossingen zijn creatief, maar veel van wat ze schrijven bevestigt alleen maar wat er is misgegaan. Frans-Willem Korsten, die deze reeks artikelen opende, slaagt erin te verwijzen naar dertien, overwegend Engelstalige, zo te zien onleesbare boeken over sociaal-politieke en economische onderwerpen, en niet één interessante publicatie te noemen uit het vakgebied waarover het essay gaat. En waar hij het politiek belang van poëzieanalyse wil aantonen, kiest hij niet voor een Nederlands gedicht, maar voor het Afrikaans van Antjie Krog, alsof er geen bruikbaar voorbeeld te vinden zou zijn in de oeuvres van Lucebert, Anne Vegter of Tomas Lieske. De kern van Korstens betoog is, helaas, dat de neerlandistiek geen intrinsieke waarde heeft, maar alleen zinvol beoefend kan worden als ze de emancipatie van jonge wereldburgers bevordert. Ik wil uiteraard niet beweren dat goede neerlandistiek dat effect niet indirect zou kunnen hebben; het is alleen de vraag of je datzelfde doel niet beter via andere routes kunt bereiken. Wil je politiek analist worden, dan is het misschien handiger een ander vak te gaan studeren.

Hetzelfde symptoom ontwaar ik in een reactie van Inger Leemans en Lia van Gemert, hoogleraren die zich aan respectievelijk de VU en de UvA bezighouden met historische letterkunde, in een ingezonden brief in de Volkskrant van 30 maart 2019. Met volle overtuiging laten ze zien hoe interessant het kan zijn de achttiende-eeuwse gedichten van Arnold Hoogvliet te bestuderen. Hun argumenten betreffen echter niet de poëzie zelf, maar het feit dat ze verwijst naar een zijdespinnerij in Utrecht, op een locatie waar nu de woonwijk Zijdebalen verrijst, ‘onder het motto “Dare to create your own History”!’ Zou dat nu nieuwe studenten opleveren?  

Al even somber word ik van een pleidooi van Gaston Franssen (in de Volkskrant van 24 september 2018), universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de UvA, die ervoor ijvert zijn studenten op te leiden tot ‘international Dutch expert’, een titel waarbij ik me hoegenaamd niets kan voorstellen, alleen al omdat het Engels waarschijnlijk iets anders betekent dan Franssen denkt. Ook wil hij dat zijn pupillen ‘epische taalbazen’ worden. Geen idee wat dat moet betekenen.

In onderhavige reeks pleit Saskia Pieterse, net als Korsten vanuit een sociaal-politiek perspectief, voor een meta-neerlandistiek. ‘Wat ga jij studeren?’ ‘Meta-neerlandistiek.’ ‘Wat leer je daar?’ ‘Waarom het, ondanks alles, eventueel toch nog een beetje zinvol is Nederlands te studeren.’ Meta-latinistiek: ik hoor mijn studenten al gniffelen. Zou er ooit een anglist zijn die het bestaansrecht van zijn vak ter discussie stelt? Of een slavist? Of een theoretisch natuurkundige? Met iemand die de hele tijd vermoedt dat zijn leven geen betekenis meer heeft, gaat het niet goed, die heeft pillen en therapie nodig. Natuurlijk, het kan geen kwaad je zo nu en dan de vraag te stellen in welke grote existentiële kwesties je onderzoek en onderwijs zijn ingebed, maar permanente zelfkritiek is dodelijk. Het is om moedeloos van te worden. Nee, op nog meer metadiscours zitten we absoluut niet te wachten. Wat we nodig hebben, is stoffige filologie, close reading en eruditie. Kom op, dames en heren, ad fontes! En wacht maar af, dan komt het politiek engagement vanzelf.


(*) Het essay van Maarten Doorman is gepubliceerd in 2018#6 van De Gids en is ook te lezen op de-gids.nl/2018/no6/twee-hoeden-op-de-grond. Het stuk van Kees ’t Hart verscheen in 2019#2 van datzelfde tijdschrift en is te lezen op de-gids.nl/2019/no2/lezen-met-een-zaklantaarn.