Not really making it
Fien Veldman

Joost Zwagerman Essayprijs 2020



* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit essay verscheen in dNBg 2021#6

In het voorjaar van 2002 staat Valérie huilend op het schoolplein van de Menno van Coehoornschool in Leeuwarden. Je zou Valérie het tegenovergestelde van een schoolpleinmoeder kunnen noemen: ze komt zelden naar de school van haar dochter, dus haar aanwezigheid valt onmiddellijk op. Ze draagt een leren broek, ook al schijnt een felle lentezon. De waarnemend directeur van de school, Joop, vangt haar op en probeert te begrijpen wat Valérie, volkomen overstuur, wil zeggen. Haar Nederlands is niet goed, ze is Braziliaans en nog geen drie jaar in Nederland. Na een tijdje wordt het Joop duidelijk: Valéries twaalfjarige dochter, Barbara, leerling in groep acht, is vermist.

Barbara is een meisje met glanzend, donkerrood haar bij wie je, als ze lacht, veel tandvlees ziet. Ze haalt ‘de’ en ‘het’ vrijwel altijd door elkaar en wil nooit zeggen waar ze woont. Ze heeft altijd geld bij zich, af en toe een stapel munten in een papieren rol, zoals winkeliers die voor hun kassa gebruiken. Ze geeft haar vrienden cadeautjes: potloden, stickers, Mister Bubble-aardbeilollies. Soms een euro.

Ten tijde van Barbara’s vermissing is groep acht toe aan de zevende invaldocent. Deze docent, meester Jaap, is een grijze man met een baard en geliefd bij zijn achtstegroepers, omdat hij ze laat doen waar ze zin in hebben.
De Menno van Coehoornschool staat in de Vlietzone, een gebied ten oosten van het stadscentrum van Leeuwarden, waar ook de Zeeheldenbuurt deel van uitmaakt. In die volksbuurt, waar veel kinderen uit de klas wonen, komt een klein jaar eerder, in de zomer van 2001, een grote zedenzaak aan het licht. Tien kinderen, tussen de twee en vijftien jaar oud, zijn seksueel misbruikt en mishandeld door twee stellen uit de buurt. De gezinnen van de slachtoffers verhuizen bijna allemaal. De daders worden veroordeeld tot celstraffen variërend van anderhalf tot zes jaar met tbs en dwangverpleging. In 2002 staan daarom negen van de 78 huizen in de buurt leeg. Eén huis is beklad met het woord ‘pedo’ in gele verf.

De school wordt in de gaten gehouden door de Onderwijsinspectie, maar niet heel regelmatig. Ten tijde van Barbara’s vermissing is groep acht toe aan de zevende invaldocent. Deze docent, meester Jaap, is een grijze man met een baard en geliefd bij zijn achtstegroepers, omdat hij ze laat doen waar ze zin in hebben. Meestal is dat op de schoolcomputer chatten met vreemde mensen op Chatpoint, ruziemaken, of voetballen op het grasveld naast het schoolplein. Deze docent doet zelf ook waar hij zin in heeft: op diezelfde schoolcomputer, die in de ruime hal van de school staat, zichtbaar voor iedereen die langskomt, bekijkt hij samen met een jongen uit groep zeven een pornosite. Meester Jaap wijst de naakte vrouwen aan die hij het lekkerst vindt.

Groep acht bestaat aan het begin van het jaar uit 18 leerlingen, aan het eind uit 15. Barbara is dit schooljaar het derde meisje dat niet meer naar school terugkeert. De eerste twee zijn Wendy en haar beste vriendin Priscilla. Wendy’s stem is altijd schor en ze moet eigenlijk een bril dragen om het bord te kunnen lezen, maar dat vindt ze lelijk. Ze is dit jaar begonnen met roken. Priscilla is verlegen. Ze tekent soms met pen ‘E.V.E.’, een afkorting voor eigen volk eerst, op haar arm. Ze kerft ook een keer met een scheermesje een hakenkruis in haar been en wrijft er vervolgens inkt over. Haar vader spuit pepperspray in Priscilla’s ogen als hij boos op haar is. Priscilla lacht erbij als ze dat vertelt.

Wendy is een paar weken geleden van school gestuurd. Er is iets gebeurd met Priscilla’s zestienjarige broer, ’s avonds laat, in het speeltuintje naast het schoolplein. Priscilla komt als gevolg van dit incident ook niet meer naar school. Er is overigens ook weinig reden toe: de Citotoets is al geweest en een eindmusical zit er voor deze klas niet in. Groep acht wordt als onhandelbaar gezien.

Ik zit in deze klas en woon in deze buurt. Het huis met ‘pedo’ erop geklad staat op de hoek van mijn straat. Een tijdje voor Barbara’s vermissing, voordat Wendy en Priscilla van school zijn, als de klas nog intact is, probeert de tijdelijke directeur de uitslag van de Citotoets uit te leggen. Er zijn maar weinig kinderen in de klas die weten wat welk schoolniveau inhoudt. Hij houdt een uitslagenformulier bij wijze van voorbeeld omhoog, zijn vinger over de naam van de leerling, de score zichtbaar. Als die vinger een beetje verschuift, ziet een jongen uit de klas dat het mijn score is. Ik kan op basis van die score naar het gymnasium, maar ik krijg het advies om naar een school te gaan waar mijn vrienden ook naartoe gaan, een school waar ik me meer op mijn plek zal voelen.

Ik kan op basis van die score naar het gymnasium, maar ik krijg het advies om naar een school te gaan waar mijn vrienden ook naartoe gaan, een school waar ik me meer op mijn plek zal voelen.

Mijn vrienden, dat zijn Samantha en Jurjen. Samantha en ik zijn bevriend vanaf groep één, Jurjen komt er een paar jaar later bij. Samantha heeft aan het begin van groep acht alle rekenboeken uit terwijl de rest van de klas nog op het niveau van groep vijf en zes rekent.

Alle meisjes uit de klas willen verkering met Jurjen. De jongens uit de klas noemen hem, in de kleedkamer voor de gymles, een manwijf. Eigenlijk hoort Barbara ook bij ons groepje, we hebben onze tafels in de klas tegen elkaar aangeschoven in een kwartet, maar sinds haar verdwijning heb ik het idee dat we geen vriendinnen meer zijn. Tijdens het definitieve schooladviesgesprek, aan het eind van het jaar, zegt de directeur er expliciet bij dat het niet alleen leuker, maar ook beter voor mij zou zijn om samen met mijn vrienden naar de middelbare school te gaan. Om niet alleen te gaan.

***

In het najaar van 2002, een paar weken na de start van het schooljaar, belt een bezorgde vader van een meisje uit klas 1b van het Piter Jelles Gymnasium in Leeuwarden de moeder van de twaalfjarige Birgit, die in dezelfde klas zit. Het gymnasium is een categoriaal gymnasium, opgericht in 1856, met een schoollied in het Latijn en op het moment van dit telefoontje ongeveer 550 leerlingen. Deze vader belt omdat hij gehoord heeft dat Birgit een nieuwe vriendin heeft gemaakt en hij maakt zich zorgen. Die vriendin, dat ben ik. Birgit en ik gaan vaak samen naar de stad, of we bakken brownies met een Dr. Oetker-browniemix waarbij je alleen water hoeft toe te voegen. We kijken films en tv-series, lezen Fancy, en eten popcorn uit de magnetron. De bezorgde vader waarschuwt Birgits moeder. Hij zegt dat het beter zou zijn als Birgit niet meer met mij omgaat; het zou eerlijk gezegd nog beter voor haar zijn om in plaats van met mij, met zijn dochter om te gaan.

Deze vader belt omdat hij gehoord heeft dat Birgit een nieuwe vriendin heeft gemaakt en hij maakt zich zorgen. Die vriendin, dat ben ik.

In diezelfde periode realiseer ik mij dat mijn T-shirts te kort zijn. Andere meisjes uit de klas dragen een hemd onder hun kleren: alleen mijn buik is zichtbaar. Ik ben hierop gewezen door de docent Nederlands, meneer S., een man die ik haat vanaf het moment dat hij aan de onderkant van mijn shirt trekt en zegt dat ik niet zo bloot in de klas moet zitten.

Meneer S. geeft ook aardrijkskunde. Wanneer we het onderwerp stadsindeling behandelen, bespreekt hij de stadsdelen en de sociaaleconomische klasse van hun bewoners. Als het gaat over welgestelde buitenwijken, klinkt het meer dan eens: ‘Daar woon ik!’ Als hij op de kaart mijn buurt aanwijst, blijft het stil. Mijn klasgenoot, Barend, doorbreekt die stilte en zegt: ‘Hé Fien, daar woon jij toch?’ Mijn moeder schrijft er later dat jaar een Sinterklaasgedicht over met de strofe: ‘en al wist je het misschien nog niet / jij woont in een achterstandsgebied.’

Iets later, in hetzelfde schooljaar, hang ik rond in een speeltuintje met mijn klasgenoten Robin en Barend, met wie ik inmiddels beste vrienden ben geworden. Robin is een van de weinige van mijn klasgenoten die, net als ik, alleen met zijn moeder woont. Ik zit op een schommel. Barend zegt tegen ons: ‘Jullie zijn de armste mensen die ik ken.’ Ik weet niet hoe kapitaalkrachtig Robin en zijn moeder zijn, maar ik ga er op dat moment vanuit dat ze bij hem thuis armer zijn dan bij mij. Ik vind ons helemaal niet arm, ik ken veel armere mensen. Dat neemt niet weg dat Robin en ik de armste mensen zijn die Barend kent.

***

Economisch onderzoeksbureau SEO publiceerde afgelopen jaar de Kansenatlas: een kaart van Nederland waarop de kansenongelijkheid per postcodegebied te zien is. De Erasmus School of Economics publiceerde de soortgelijke Kansenkaart. Hoe roder de kaart kleurt, hoe sterker de toekomst van een kind afhankelijk is van het inkomen van diens ouder(s). Oftewel: hoe moeilijker het is je sociaaleconomische milieu te ontgroeien.

Voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen is deze afhankelijkheid een probleem. Zij hebben bijvoorbeeld significant meer kans om een te laag schooladvies te krijgen, later in hun leven weinig te verdienen, in de bijstand te raken en eerder gezondheidsproblemen te krijgen. Een laag schooladvies zorgt namelijk vaak voor een laag opleidingsniveau, en dat opleidingsniveau leidt vervolgens tot een laag welvaartsniveau. De directeur van SEO, Bas ter Weel, noemt het onderwijs daarom ‘de grootste motor van de ongelijkheid’.

Deze verschillen tekenen zich al bij elf- en twaalfjarigen af, omdat docenten in groep acht te vaak schooladvies naar milieu geven, en niet naar competentie. In sommige regio’s gebeurt dat vaker dan in andere. Op de Kansenkaart zie je precies waar kinderen het vaakst een te laag advies krijgen: vooral de Biblebelt en Noord-Nederland, met name Friesland, kleuren rood. In sommige gemeenten in Noordoost-Friesland wordt een meerderheid van de kinderen ondergeadviseerd.

Deze verschillen tekenen zich al bij elf- en twaalfjarigen af, omdat docenten in groep acht te vaak schooladvies naar milieu geven, en niet naar competentie. In sommige regio’s gebeurt dat vaker dan in andere.
Door deze kansenongelijkheid neemt de sociale mobiliteit in Nederland af. Sociaaleconomische verschillen worden groter in plaats van kleiner, en het wordt steeds moeilijker om van de ene sociaaleconomische positie naar de andere te klimmen. Kansenongelijkheid ontstaat niet alleen door onderadvisering en de gevolgen ervan, maar ook door onder andere een kleiner wordend sociaal vangnet en de flexibilisering van de woning- en arbeidsmarkt. Die flexibilisering pakt namelijk in het vergaande voordeel uit van huizenbezitters, mensen met een vast contract, en mensen met (toegang tot) kapitaal. Daarnaast levert, door het huidige belastingstelsel, vermogen meer op dan arbeid: hoe hard je ook werkt, je zal een vermogende ander niet in kunnen halen. NRC noemt dit gebrek aan sociale mobiliteit in een redactioneel commentaar ‘de rot in onze maatschappelijke ladder’.

In maart 2019 controleer ik het hout van alle raamkozijnen van het oude gebouw waarin ik woon. Van buiten zie ik alleen kleine scheurtjes in de witte verf, maar als ik die verf van het hout krab en vervolgens met een schroevendraaier in de zachte plekken wroet, blijkt het hele kozijn verrot.

***

Opwaartse sociale mobiliteit gaat gepaard met doen alsof: met suggereren dat je tot een bepaalde klasse behoort waar je eigenlijk niet toe behoort. Fake it ‘til you make it. Die uitspraak schijnt zijn oorsprong te vinden in een liedje van Simon & Garfunkel met de titel ‘Fakin’ it’. Paul Simon schreef het in de zomer van 1967, ‘during some hashish reverie’. Ze zingen: ‘I’ve just been faking it / Not really making it.’

***

Samantha’s dagboek uit 2002 is leeg, op één pagina na. Ze schrijft het na de dood van de zesde invaldocent van groep acht. Deze man, meester Jan, is in tegenstelling tot zijn opvolger Jaap niet populair in de klas. Hij bepaalt dat de leerlingen niet meer in groepjes mogen zitten. Ieder bureau moet apart staan. In de hoek van het klaslokaal is een mintgroene deur waarachter een trap zit die niemand gebruikt, met een overloop waar de Sinterklaasspullen worden bewaard en waarnaast precies ruimte is voor een tafel en een stoel. Daar stuurt meester Jan leerlingen naartoe die vervelend zijn. Er hangt ook een dartbord: iemand heeft er een tekening van meester Jan op geprikt, in de roos. Een meisje uit groep zeven zegt dat meester Jan haar een keer, in dat halletje, in haar bil heeft geknepen. Samantha schrijft:

Meester Jan is na 3 maanden gelukkig weg. Nou hebben we Meester Jaap. Die is heel erg leuk. En die wil ik houden tot volgend jaar. Meester Jan is ook overleden eerst kreeg hij een zware Epilepsieaanval op straat en in het ziekenhuis kreeg hij een hartaanval. Ze wisten toen niet wie hij was en gingen met de foto van hem langs de deuren. Barbara is van school. Ze is op een vrijdagavond uit het raam gesprongen en is naar de vegelingenbuurt gegaan en heeft tot maandag bij 3 jongens geslapen.

(…)

Toen heeft de politie haar gevonden onder een bed.

(…)

Ze heeft een gebroken enkel en pols (Daar zit nu een pen in) en dat kwam omdat ze uit het raam was gesprongen.

***

Op de avond van 11 september 2001, we zitten net in groep acht, gaan Jurjen en ik naar onze wekelijkse jiujitsules. Onze band is wit, net als ons pak. Wat we al hebben geleerd: jiujitsu is geen vechtsport, het is een zelfverdedigingskunst. Elke les start met een begroetingsritueel: alle leerlingen moeten op een rij staan aan de rand van de mat. De sensei, Frank, staat tegenover ons. Wanneer hij een teken geeft, knielen we – linkerknie eerst – en sluiten we onze ogen om, zoals sensei Frank het zegt, ‘onze geest leeg te maken’. Hij buigt en wij plaatsen beide handen gelijktijdig op de mat en buigen ook. We passen de snelheid van de buiging aan op die van sensei Frank. Daarna mogen we weer staan, rechtervoet eerst. We groeten sensei Frank en elkaar door onze handen op onze bovenbenen te leggen en staande een buiging te maken.

Jurjen en ik zijn niet erg goed in jiujitsu. We beschouwen de verdedigingstechnieken meer als choreografie: we doen alsof we jiujitsu doen.

Na deze openingsplechtigheid oefenen we wat te doen als iemand je van achter om je middel vastgrijpt: heel hard met je knokkels over de bovenkant van zijn hand gaan. Hoe harder, hoe beter: dat is zo pijnlijk dat hij vanzelf los zal laten. Als iemand je van voren probeert aan te vallen, kun je hem met de zijkant van je vlakke hand, met grote kracht, schuin onder zijn neus raken. Als je dat hard genoeg doet, schiet er een stukje kraakbeen in zijn hersens en is hij op slag dood.

Jurjen en ik zijn niet erg goed in jiujitsu. We beschouwen de verdedigingstechnieken meer als choreografie: we doen alsof we jiujitsu doen. We mogen daarnaast als enige twee leerlingen geen koprollen maken, omdat Jurjen zijn haar zwart heeft geverfd en ik dat van mij roze, en de haarverf af zou kunnen geven op de grijze mat in de dojo. Na de les zien we op het tv’tje in de hal van Sportschool de Leeuw hoe de torens van het World Trade Center steeds opnieuw instorten terwijl we wachten op Jurjens moeder, die ons op komt halen.

***

Barbara’s adres is aan het einde van groep acht geen geheim meer. In het voorjaar fiets ik er een keer toevallig langs en zie ik haar buiten staan, naast een vreemde man die haar fiets, een groen met paarse Piet Pelle, naar binnen tilt. Zijn gouden kettinkje glinstert in de zon.

Barbara woont in de rosse buurt van Leeuwarden, die bestaat uit één straat: een kade aan de rand van het stadscentrum. Haar huis staat tussen de Moulin Rouge, Tom’s Bar en Eroscentrum Love ’n Joy in. Het woord bordeel ken ik nog niet. Het duurt een tijdje voordat ik Barbara durf te vertellen dat ik weet waar ze woont.

Barbara woont in de rosse buurt van Leeuwarden, die bestaat uit één straat: een kade aan de rand van het stadscentrum.
De eerste keer dat Jurjen, Samantha en ik voor de deur staan, doet Barbara de deur open in een grijze joggingbroek. Achter de deur begint de trap meteen. Boven staan haar moeder en de man met het gouden kettinkje in de keuken, Valérie bakt patat. In de met rood tapijt bedekte woonkamer staan twee zalmroze leren banken en flikkert het licht van een grote tv waar niemand naar kijkt. Links van de tv wordt de hele wand in beslag genomen door een massief houten bar. Er hangen flessen sterke drank ondersteboven in flessenhouders die boven de toog zijn gemonteerd. We eten patat en msn’en in de slaapkamer van Barbara’s moeder. Het raam van waaruit Barbara later zal springen, zit aan de voorkant van het huis, naast het uithangbord met ‘Kamers te huur’.

Aan het begin van de zomervakantie, nadat ze gevonden is, besluiten Jurjen, Samantha en ik Barbara op te zoeken. We gaan eerst naar het huis van haar moeder. Valérie geeft ons een zorgvuldig geschreven briefje met Barbara’s nieuwe telefoonnummer. Ze woont tijdelijk bij haar oom en tante in een dorp op een half uur fietsen van Leeuwarden. Als we er aankomen krijgen we een zakje bolognesechips. Er hangt een enorme Braziliaanse vlag boven de bank, Brazilië wint een paar dagen later het WK. Barbara’s oom en tante hebben een groot huis en een nest puppy’s. Barbara’s arm zit nog in een mitella.

***

Joop spreekt over het afgelopen jaar, over de moeilijkheden die sommige leerlingen hebben moeten doorstaan, en over de volgende stap: we ruilen onze bekende omgeving in voor een nieuwe school, nieuwe vrienden, een nieuwe wereld.
Op de laatste schooldag voor de zomervakantie wordt in plaats van een schoolmusical een afscheidsavond voor groep acht georganiseerd. We zitten in de hal van de school. Ouders zijn ook welkom. De klas is verre van compleet. Theo, mijn klasgenoot en overbuurjongen, is er ook. Theo is een ielige, grappige jongen, die zich vanwege zijn vele blauwe plekken nooit hoeft om te kleden bij gym. Hij komt soms met piekerige plukken haar op school: dan heeft zijn vader hem de avond van tevoren, in beschonken staat, kaalgeschoren. Op de schoolfoto van groep acht trekt Theo een gek gezicht en steekt hij zijn tong uit. Zijn moeder, Anita, wordt in het Algemeen Dagblad van 4 augustus 2001 geïnterviewd. De zedenzaak is net geopenbaard, de daders zijn opgepakt. Er staat:

‘Zelfs als ze worden vrijgelaten, zal ik ze van mijn leven niet meer vertrouwen. Nooit, maar dan ook nooit wil ik ze nog zien,’ zegt buurtbewoonster Anita (38). ‘De kinderen die hiermee te maken hebben gehad zijn getekend voor het leven.’ Haar zoon (12) kwam wel eens over de vloer bij een van de verdachten, P. D. ‘Een enkele keer ook zonder mij. De schrik sloeg me om het hart toen ik het hoorde. We hebben onze zoon meteen langdurig uitgehoord. Godzijdank is er niets gebeurd’, verzucht ze.

Op de afscheidsavond gebeurt er niet veel, behalve dat de waarnemend directeur, Joop, een toespraak houdt. Hij spreekt over het afgelopen jaar, over de moeilijkheden die sommige leerlingen hebben moeten doorstaan, en over de volgende stap: we ruilen onze bekende omgeving in voor een nieuwe school, nieuwe vrienden, een nieuwe wereld. De achtstegroepers horen de toespraak gedwee aan. Anita is als enige ontroostbaar.

In 2006 fuseert de Menno van Coehoornschool met twee andere scholen in de buurt. Vier jaar later heeft de school nog vijfenveertig leerlingen. De exploitatie van het gebouw wordt daarom te duur. In april 2010 besluit het bestuur van het openbare basisonderwijs in Leeuwarden de Menno van Coehoornschool te sluiten.