Opkomen voor onderwijs: de urgentie van de neerlandistiek
🖋 Marc van Oostendorp

  • 65
    Shares

Het aantal studenten dat zich jaarlijks aan een studie Nederlands waagt is teruggelopen, zelfs zo erg dat de studie aan de VU inmiddels is opgeheven. En dat terwijl er in de huidige Nederlandse samenleving de nodige problemen spelen die juist door de neerlandistiek het hoofd geboden kunnen worden. In een reeks essays over de urgentie van de neerlandistiek identificeren verschillende specialisten die problemen en de koers die het vakgebied zou moeten varen om ze te adresseren. Na letterkundigen Frans-Willem Korsten en Saskia Pieterse is het de beurt aan taalkundige Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische Communicatie aan de Radboud, die stelt dat de neerlandistiek haar ware taak onder ogen moet komen door zich te richten op het onderwijs.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Onlangs liet een vriendin me een brief zien van de universiteit waar ze werkt. Omdat ze de afgelopen jaren goed gepresteerd had, zo stond er in de brief, kreeg ze als beloning meer onderzoekstijd. Dat had een commissie met onderzoeksdirecteuren en andere leidinggevenden besloten aan de hand van objectieve criteria, die vermeld stonden op een bijgesloten lijst. Blijkens die lijst had de vriendin in kwestie genoeg artikelen gepubliceerd in de juiste tijdschriften.

Toen ik hoorde van die brief, bedacht ik me dat daarin alles, hetzij impliciet, is samengebald: de problemen waarmee we in de neerlandistiek kampen, de blokkades waartegen we aanlopen zodra we die problemen het hoofd proberen te bieden, maar ook de urgente taak van de neerlandistiek, en, wie weet, een aanzet tot de oplossing.

De problemen waarmee de neerlandistiek op het moment te maken heeft, laten zich vangen in de existentiële vragen die zich momenteel opdringen aan ons neerlandici. Waarom blijven de studenten weg? Waarom vervelen veel leerlingen zich zo bij het schoolvak? Wat moeten we inhoudelijk met de wonderlijke combinatie van vakken over literatuur, taalkunde en taalbeheersing, voortgekomen uit de negentiende-eeuwse behoefte aan een vak omtrent de intrinsieke waardevolle ‘vaderlandse’ taal? Wat hebben taal- en letterkunde inmiddels nog met elkaar te maken? Waarom zou je uitgerekend de Nederlandse taal en literatuur bestuderen als de wereld overloopt van boeiende talen en rijke literaire tradities?

‘Nut’ als boosdoener
De belangrijkste existentiële vraag – belangrijk omdat het antwoord erop, naar mijn idee, inzicht biedt in de herkomst van de meeste problemen – is waarom zo weinig neerlandici de hierboven beschreven brief ten deel valt. Het antwoord: de neerlandistiek voldoet nauwelijks aan de objectieve criteria op de bijgesloten lijst. Aan de hand van die criteria beloont de universiteit alleen degenen die nuttig werk verrichten en daaronder vallen weinig neerlandici. De vraag is echter of dat aan de neerlandici ligt of aan de ‘objectieve’ criteria.

Wanneer je met een academicus praat, gaat het al snel over onderzoek. En wanneer het over onderzoekskwaliteit gaat, gaat het al snel over methoden waarmee internationale zichtbaarheid en ver doorgevoerde specialisatie worden ‘gemeten’ – maten waarop de neerlandistiek nauwelijks kan scoren zonder haar eigen aard te verloochenen. Volgens die maten is onderzoekstijd namelijk een beloning en onderwijstijd, dus, een straf.

Impliciet merkt de universiteit onderwijs dus aan als een nutteloze zaak. En de universiteit staat daarin niet alleen: zoals Frans-Willem Korsten in zijn bijdrage aan deze essayreeks al liet zien, is het Nederlandse onderwijsbestel de afgelopen veertig jaar ontmanteld vanuit het breed gedeelde idee dat het efficiënter kon, dat er op onderwijsinstituten te veel nutteloze dingen gebeurden.

Maar de werkelijke taak van de neerlandistiek ligt wel degelijk primair bij het onderwijs, of, breder: bij de educatie van Nederlanders op alle niveaus van intellectuele ontwikkeling. Korsten, maar ook Saskia Pieterse wezen daar al op in hun bijdragen aan deze essayreeks, en het kan niet duidelijk genoeg onderstreept worden. Niet alleen moet de neerlandistiek zich, om te overleven, richten op het onderwijs, maar vooral heeft Nederland de neerlandistiek hard nodig om het onderwijs op orde te krijgen.

Zinloze vaardigheden
Dat er problemen zijn met het onderwijs Nederlands, weet iedereen die de krant ook maar vluchtig leest. Die problemen spelen op alle onderwijsniveaus. Op de havo en het vwo wordt geklaagd dat het vak ‘saai’ is, dat de lesstof uit trucjes bestaat en dat er getoetst wordt met een centraal eindexamen waar zelfs specialisten nog geen 8 voor halen. In het basisonderwijs is volgens velen te weinig aandacht voor de ontwikkeling van taalvaardigheid. Vorig jaar is op hbo-lerarenopleidingen tot schrik van velen besloten de aandacht voor literatuurgeschiedenis optioneel te maken. Op vmbo’s kampt men met leerlingen die nauwelijks lezen. En ondertussen weet eigenlijk niemand hoe we de problemen met laaggeletterdheid in de samenleving moeten aanpakken.

Terwijl neerlandici zich verwoed probeerden ‘nuttig’ te maken volgens de objectieve criteria van de universiteit, lieten zij de problemen in het middelbaar Nederlands-onderwijs over aan onderwijskundigen, didactici en toetsexperts. Sindsdien is het onderwijs exclusief op vaardigheden gericht. Het is al leestoetsen maken en dictees afnemen wat de klok slaat; kennis is nutteloos verklaard en heeft plaatsgemaakt voor vaardigheden, gedachteloze trucjes.

Dat heeft het vak buitengemeen saai gemaakt voor iedereen die eraan deelneemt. Bovendien is de focus op vaardigheden betrekkelijk zinloos. In een wereld waarin de communicatiekanalen en de bijbehorende conventies steeds veranderen – ‘stuur ons geen brief, maar maak een sollicitatievideo’ – baat het weinig om te leren hoe je je aan die conventies houdt. Eerder baat het te begrijpen wat taal is en hoe ze werkt. Vanzelfsprekend hoeven we niet van iedere scholier een studeerkamergeleerde te maken, maar wel is belangrijk dat iedereen voldoende begrip heeft van de instrumenten die tot onze beschikking staan.

Het einde van de problemen raakt echter verder uit zicht, want het leraarschap is impopulair – onderwijsuren zijn immers strafuren. Bij de universitaire programma’s Nederlands schrijven zich te weinig studenten in om het enorme lerarentekort te verhelpen. Die daling valt bij de opleidingen voor tweedegraads docenten valt nog mee, maar daar verdwijnt dan weer, zoals hierboven al vermeld, gestaag de aandacht voor essentiële onderdelen als literatuurgeschiedenis achter de horizon.

Taal wordt alsmaar belangrijker
Waarom is kennis opdoen van taal belangrijker dan vaardigheid krijgen in de gebruiksconventies ervan? Omdat de mens zonder taal een smartphone is zonder apps. Aan wat een mens in zijn eentje kan bedenken, heeft hij nog niets. Gelukkig kunnen wij mensen ‘draadloos’ allerlei ideeën van andere ‘downloaden’, om die zelf te verwerken tot nieuwe ideeën en met weer andere mensen te delen. De mens is een dier dat de mogelijkheid heeft ontdekt om niet in zijn eentje te denken, maar gebruik te maken van andermans hersenen. Die mogelijkheid noemen we taal.

Met taal maken we onze wereld. Ons sociale leven, onze fantasieën en alle industriële producten die we kopen, danken we aan taal. Zonder taal zouden we geen schoonmoeders hebben, geen klaverjassen of belastingkantoren – simpelweg omdat we die zaken niet zou kunnen benoemen. Elkaar verhalen vertellen vormt nog steeds de enige manier waarmee we de wereld structureren en duiden. Dat is gemakkelijk te negeren omdat het zo alledaags is. Maar als we op een dag allemaal afatisch wakker worden, is het met ons gedaan.

Bovendien is er geen enkele reden om te vermoeden dat de taal ooit zal verdwijnen of vervangen zal worden door iets anders. Integendeel, in onze ingewikkelde samenleving is taal belangrijker dan ooit: er wordt meer geschreven, gelezen, over steeds langere afstanden gepraat en geluisterd. In een complexe samenleving als de onze, vol evoluerende communicatiemiddelen, blijft de aloude technologie van de menselijke taal de belangrijkste. Dat dit het geval is, wordt de laatste tijd alleen maar duidelijker; laaggeletterdheid die vroeger gemakkelijk verborgen bleven – je vroeg je buurman even een formulier in te vullen omdat je je bril vergeten had – is tegenwoordig bijvoorbeeld moeilijker te verhullen omdat alles online moet.

Wat voor taal geldt, geldt net zo goed voor de literatuur. Wie geen verhalen kan begrijpen, zal niet in staat zijn structuur in zijn leven aan te brengen. En wie niet bekend is met de losgezongen taal van poëzie, mist voeling met een fundamenteel aspect van het menszijn. Daarmee bedoel ik niet dat iedereen J.C. Bloem of Radna Fabias zou moeten lezen, maar dat iedereen wel eens met gedichten in de brede zin in aanraking komt.

Meertaligheid als norm
Moet het dan per se het Nederlands zijn waar alle Nederlanders het fijne van weten? Kunnen we ons onderwijs niet beter richten op het Engels? Ja, ook. Globalisering maakt aannemelijk dat de rol van het Engels in onze samenleving alleen maar dominanter zal. Het Engels schept namelijk ruimte om dingen te doen die je in het Nederlands nooit zult kunnen: met mensen in China over hun problemen praten, gasten ontvangen uit Brazilië.

Het misverstand bestaat echter in de gedachte dat mensen ééntalige wezens zijn. In het grootste deel van de wereld beheersten mensen altijd al meer dan één taal. Taalwetenschap wijst uit dat je geen genie hoeft te zijn om meer dan één taal vloeiend te spreken en dat je er cognitief zelfs een beetje winst aan overhoudt: uit onderzoek blijkt dat meertaligen makkelijker kunnen ‘schakelen’ en bijvoorbeeld een verminderde kans hebben op geheugenproblemen. Meertaligheid is niet alleen veel voorkomend, het is zelfs altijd een kracht geweest van de Lage Landen. In het kader van werk en handel werden in zeventiende-eeuws Nederland vele talen gesproken. Het Nederlands van nu is dus ontstaan in voortdurend contact met andere talen. In de eerste plaats met het Frans, dat niet alleen in Vlaanderen een invloedrijke rol heeft gespeeld, maar ook in Nederland tot diep in de twintigste eeuw als verplichte taal gold voor wie tot de elite wilde horen. Daarnaast beheersen veel mensen in Nederland het Duits, de talen van de voormalig koloniën en zijn er nieuwkomers met allerlei moedertalen.

Die meertaligheid maakt het idee dat behoud van het Nederlands verzet vergt tegen het Engels onzinnig. Vechten tegen het Engels is strijden voor de opvatting dat we ééntalige wezens zijn. Als dat al zo was, kon het Nederlands de strijd toch nooit winnen van het Engels. Beter kunnen we dus streven naar een Nederland waarin beide talen hun plaats hebben, waarin Nederlandstaligen zich gemakkelijk in internationale kringen kunnen bewegen, maar ook op Engelstaligen voor hebben dat ze hun eigen taal hebben; een vrijplaats buiten de internationale arena.

Verzet tegen de criteria
Overigens is het Nederlands nog steeds de moedertaal van het overgrote deel van de Nederlanders. Het is de taal van de instituties, die lange wortels heeft in de steden en het land waar we wonen. Het is de taal van veel literatuur die hier geschreven is, de taal waarmee we de geschiedenis van het land beter begrijpen en het dagelijks leven. Het Nederlands door er door leren begrijpen, doe je dus niet voor de lol, maar om grip te krijgen op je eigen wereld, om je staande te houden in die van de instituties, om rechtvaardig behandeld te worden.

Hoewel deze zaken van levensbelang zijn, heeft taalonderwijs momenteel de status van een hobby. Dat moet veranderen: we moeten in Nederland weer inzien hoe belangrijk het is om grondige kennis van het Nederlands uit te breiden en te verspreiden. Zo’n verandering moet mogelijk zijn, want belangstelling voor taal en literatuur is er genoeg. Weinig auteurs verkopen beter dan Frits van Oostrom, of ze moeten Paulien Cornelisse heten. Het programma De Taalstaat trekt iedere week heel veel luisteraars en het internet bruist van de interesse voor taal. Daar kan makkelijk op worden voortgebouwd – als we onze schouders eronder zetten.

Waar te beginnen? Wij neerlandici kunnen beginnen met een collectief verzet tegen de objectieve criteria die de universiteit ons stelt. Met te erkennen dat onderwijs voor ons centraal staat. Natuurlijk maak je het jezelf niet makkelijk door niet aan de kwaliteitseisen te voldoen en in plaats daarvan te streven naar een betere samenleving. Maar niemand volgt zijn hart door te kiezen voor een makkelijk en rustig bestaan. Je hart volgen doe je door te strijden voor een wereld waarin plaats is voor kennisverspreiding van de verbazingwekkende manier waarop de mens het gered heeft dankzij de taal en de verhalen. Een wereld waarin we proberen elkaar vooruit te helpen in plaats van in commissies te vergaderen over de vraag of we wel voldoende publiceren in internationaal vooraanstaande tijdschriften.



  • 65
    Shares