Moedwil en misverstand: de neerlandistiek in het publieke debat
🖋 Yra van Dijk


Het aantal studenten dat zich jaarlijks aan een studie Nederlands waagt is teruggelopen, zo erg zelfs dat de bacheloropleiding aan de VU inmiddels is opgeheven. En dat terwijl er in de huidige Nederlandse samenleving de nodige problemen spelen waaraan juist door de neerlandistiek het hoofd kan worden geboden. In een reeks essays over de urgentie van de neerlandistiek identificeren verschillende specialisten de problemen en stippelen ze de koers uit die het vakgebied zou moeten varen om die problemen te adresseren. Na Frans-Willem Korsten, Saskia Pieterse, Marc van Oostendorp en Piet Gerbrandy is het nu de beurt aan Yra van Dijk, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit Leiden. Zij laat zien welke onwaarheden er in de discussie zijn geslopen en formuleert een aantal heldere taken voor de neerlandistiek de komende tien jaar.


* Liever op papier? Dit stuk verschijnt in ons augustusnummer, met daarin 40 pagina’s aan (boeken-)essays op het snijvlak van maatschappij, cultuur en wetenschap. Neem hier een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#4

Lees hier ons volledige dossier over de toekomst van de neerlandistiek.

Meer dan een miljoen jongeren krijgen wekelijks Nederlandse les. Er is geen enkel vak waarover zoveel mensen kunnen meepraten – anders dan scheikunde of biologie, is neerlandistiek als discipline per definitie verstaanbaar. De neerlandistiek is, kortom, van iedereen.

Het was dan ook een aardig gekrakeel in de pers dit voorjaar, toen bekend werd dat de bachelor Nederlands aan de VU, die zich vooral richtte op letterkunde, werd opgeheven. Columnisten, oud-studenten, recensenten, collega’s, en nog meer columnisten: iedereen had een mening over wat er mis was gegaan, en verbond dat zonder enig voorbehoud aan wat er mis zou zijn in de hele neerlandistiek en aan de aard en taak van die discipline.

In die discussie gaat veel fout. Misverstanden, slordigheid en onwetendheid voeden wat veeleer een schijndebat is. Geen wonder dat de meeste neerlandici er zelf het zwijgen toe doen, zich afwenden van wat een urgent nationaal debat had kunnen worden over het belang van het Nederlands-onderwijs. Waar komen die hardnekkige misverstanden nu uit voort? En wat is de werkelijke taak van de neerlandistiek in een samenleving die kampt met groeiende ontlezing en laaggeletterdheid?

De misverstanden
De vergissingen die het debat over de neerlandistiek domineren, betreffen het onderwijs, het onderzoek, maar ook de identiteit van het vak. Over het onderwijs lopen de emoties het hoogst op. De opiniemakers, niet gehinderd door besef van de hedendaagse inrichting van de academische opleidingen, zijn in te delen in een aantal types. Het eerste is het ‘vroeger-was-het-beter’-type. Dit type vertelt nostalgische verhalen over ‘gulzige jongelieden’ in de jaren zeventig, over uitpuilende collegezalen en jaren vol aanstormende schrijvers die elkaar inspireerden. Over dergelijke verhalen kunnen we kort zijn: vroeger waren de opleidingen Nederlands niet beter. Docenten waren lang niet altijd gepromoveerd en vaak niet geschoold in of geselecteerd op onderwijsvaardigheden. Studenten kregen veel minder uren college per week en minder commentaar op hun werk. De onderwijsintensivering van de laatste jaren is zwaar voor de docenten, maar uitstekend voor studenten, die tot kritische denkers worden opgeleid. Dat er meer studenten waren, en dus ook procentueel meer gulzige, staat vast. Dat heeft minder met de toenmalige kwaliteit van de opleiding te maken dan met het gebrek aan volwaardige alternatieven. Er was nog geen literatuurwetenschap, geen theaterwetenschap, en al helemaal geen future planet studies.

Verwant is het ‘honderd-jaar-geleden-was-het-ook-al-niets’-type. Dit type, veelal een vijftiger of zestiger, haalt herinneringen op aan tegenvallende colleges, ongeïnspireerde docenten en luie medestudenten en presenteert die herinneringen, impliciet of expliciet, als oorzaak van de tegenvallende studentenaantallen vandaag de dag. Sylvia Witteman is een voorbeeld uit deze categorie. ‘Zowat niemand’ wil nog Nederlands studeren, meent ze, maar ze vindt het ‘vermoeiend’ om daar verontwaardigd over te zijn – ook al zitten ze, zo stelt ze in een andere column, bij opleidingen Nederlands ‘nog maar met zijn zessen in een klasje’. Daarop volgt een verhaal over haar eigen, niet afgemaakte studie Nederlands van dertig jaar geleden.

Nu begrijp ik dat Witteman geen geesteswetenschappelijk propagandabureau is, maar toch: noblesse oblige. Als je een groot podium hebt, heb je de plicht je bewust te zijn van de reikwijdte die je woorden hebben. Een column van Witteman maakt meer kapot dan honderden welwillende schooldecanen en voorlichtingscampagnes kunnen herstellen. Als wij op zaterdagochtend ouders en leerlingen toespreken op Open Dagen, zien we het cynisme van Witteman, en van bijvoorbeeld Ilja Leonard Pfeijffer, nog terug in de wantrouwige blikken van de ouders. Het zal wel niks zijn, denken ze na de zoveelste column. Dat Witteman meer dan dertig jaar geleden voor het laatst een voet binnenzette bij die opleidingen registreert de lezer immers niet. Als verontwaardigd zijn voor Witteman vermoeiend is, en ze haar lezers niet wil inspireren om kennis te verwerven over taal, kan ze het voortaan misschien opbrengen om over haar blauwe maandag dertig jaar geleden als student Nederlands te zwijgen.

Naast misverstanden over de vroegere neerlandistiek, bestaan er ook grote vergissingen over het heden. De meeste opiniemakers lijken te denken dat de neerlandistiek alleen uit moderne letterkunde bestaat: hoewel moderne letterkunde slechts een kwart van het verplichte deel van de opleidingen beslaat, draait de neerlandistiek volgens traditioneel denkende criticasters om niets anders. Dat geldt overigens niet voor de studenten – daarvan kiest tegenwoordig hooguit ook maar een kwart moderne letterkunde als afstudeerrichting. En toch: u zult vergeefs zoeken naar een opiniestuk, tweet of column van iemand buiten de neerlandistiek die ingaat op het onderwijs in de taalkunde, taalbeheersing of historische letterkunde.

Daaruit blijkt al: het gaat de opiniemakers niet om de inhoud of kwaliteit van het onderwijs in de neerlandistiek. Het gaat hen om iets heel anders: de toekomst van de literatuur. Die lijkt inderdaad zorgelijk, maar de suggestie dat de neerlandistiek daar de oorzaak van is, of de oplossing biedt, is misleidend. Het zijn andere ontwikkelingen die voor ontlezing en gebrek aan belangstelling voor taal zorgen: globalisering, digitalisering en vooral het neoliberaal kapitalisme. Neerlandici zitten dus in precies hetzelfde schuitje als de cultuurdragers die hen bekritiseren: ze zijn de kanaries in een culturele mijn waarin vrijwel geen zuurstof meer is. Toch wordt de neerlandistiek in dit debat vaak niet gezien als slachtoffer van ontlezing en algehele afkalving van het culturele veld, maar als de kwade pier. En dan merkt Piet Gerbrandy in dNBg 2019#3 verbaasd op dat de neerlandistiek voortdurend ‘haar eigen bestaansrecht lijkt te moeten verdedigen’! Nogal wiedes.

Een derde misverstand, misschien wel het hardnekkigste van allemaal: neerlandici leiden hun studenten verkeerd op. Columnisten zonder de flauwste notie van wat neerlandici daadwerkelijk doen in de collegebanken pakken er graag de pen over op. Zelfs een online studiegids raadplegen blijkt al een hele hobbel voor ze. In dezelfde week dat Ilja Leonard Pfeijffer zijn pen in Genuees vitriool doopte om in de NRC te schrijven dat neerlandici geen Lucebert en Couperus meer onderwijzen, zaten wij met studenten gedichten van Lucebert te bespreken. Voor ons was het tegelijkertijd lachwekkend en demoraliserend om zijn stuk te lezen, voor studenten choquerend; ook kwaliteitskranten publiceren, zagen zij, probleemloos aantoonbare nonsens.

De grootste mythe
Wat is nu het voornaamste probleem voor Pfeijffer en de andere boze literatoren? Dat we in de neerlandistiek aan theorie doen. Op een of andere manier is de voorwaarde voor wetenschappelijkheid in alle andere vakgebieden voor de neerlandistiek het bewijs en de oorzaak van haar malaise. Volgens Pfeijffer hebben we ‘massaal toevlucht gezocht tot ape-abstruse, berecomplexe Franse filosofische modellen’. In die redenering is ‘theoretisch lezen’ de vijand van ‘goed lezen’. Deze schijnoppositie heeft geleid tot veel onmin, aangezien zelfs sommige collega’s nog geloven dat ‘goed lezen’, of ‘filologie’ of ‘close reading’ het alfa en omega is van de neerlandistiek en vooral van de letterkunde. Maar goed lezen is helemaal geen doel op zich! In een wetenschappelijke context is het een instrument om historische, comparatieve of actuele vragen over literatuur te adresseren.

Bovendien is er geen logisch verband tussen het bestuderen van theorie en een dalende studenteninstroom. Uit evaluaties weten we dat de studenten van nu juist warmlopen voor theorie, en dat velen in Leiden het theoretisch georiënteerde vak ‘Benaderingen’ het hoogtepunt vinden van het verplichte deel van hun opleiding. Inderdaad: het zijn de in totaal honderdveertig uur die studenten besteden aan de ‘berecomplexe’ Franse denkers, zoals Michel Foucault of Roland Barthes, waarvan Pfeijffer wakker ligt. Studenten vinden die denkers spannend omdat ze – terecht – een opleiding willen die hen leert kritisch te zijn. Studenten zijn geïnteresseerd in theorie over meerstemmigheid in literatuur, of over de rol van ras en gender. Ze vinden moderne letterkunde leuk als die filosofisch en theoretisch geschraagd is, als die actueel is en relevant. Hetzelfde geldt overigens voor de historische letterkunde. Op middelbare scholen worden zowel leraren als leerlingen enthousiast van een Nederlandse les met theoretische insteek, merken we bij nascholingen. De versjes van Cats zijn beter te verteren wanneer je ze kritisch bekijkt met een feministische lens.

Een neerlandistiek die doet alsof er niets is gebeurd in Nederland en in het Nederlands is ten dode opgeschreven. Maar wat verandert zijn niet de eisen die aan studenten worden gesteld in hun opleiding Nederlands. Het zijn de studenten zelf, die zich moeten handhaven in een compleet andere wereld dan de criticasters, die zo’n veertig jaar eerder geboren werden. Voor de letterkunde betekent dat dat we nu Nederlandse hiphop bestuderen, Nederlands-Caribische romans, de Tweede Wereldoorlog, niet alleen in romans maar ook in strips, of de manier waarop literatuur is ingezet om een Indische koloniale droom in stand te houden. Zoals Frans-Willem Korsten in dNBg 2018#6 terecht betoogt, zal de Neerlandistiek politiek zijn, of zal zij niet zijn. Studenten voelen dat haarfijn aan en zitten te stuiteren van enthousiasme als blijkt dat W.F. Hermans zich al in 1969 uitsprak tegen Zwarte Piet, of als ze bij taalbeheersing de taal van politiek Den Haag analyseren.

Zelfs in haar onderzoek mag de neerlandistiek (lees nog immer: de letterkunde) niet theoretisch zijn en al helemaal niet kritisch of analytisch – laat staan internationaal relevant. De neerlandistiek is in de visie van de criticasters geen wetenschappelijke discipline, maar een culturele gezelligheidsclub die weer de pareltjes van de Nederlandse literatuur moet gaan bestuderen. Vooral Gerbrandy schreef een retorisch vernuftig betoog dat inspeelt op een sterk maar onbestemd gevoel van verlies, veelal van gelijkgestemden, een betoog waarin hij alle problemen waar het taal- en cultuuronderwijs op alle niveaus door elkaar husselt en in de schoot van de neerlandistiek dumpt. Volstrekt onduidelijk is, bijvoorbeeld, wanneer hij het in zijn stuk heeft over het schoolvak, en wanneer over de universiteit.

De neerlandistiek (hij bedoelt: de academische letterkundigen, waartoe Gerbrandy zichzelf, gepromoveerd op Nederlandse dichters, blijkbaar niet rekent) heeft in zijn visie last van allerlei ‘angsten’, namelijk ‘de angst voor achterlijk versleten te worden’, waardoor ‘neerlandici in het Engels [zijn] gaan publiceren en doceren’. Het wordt tijd dat Gerbrandy en de zijnen stoppen met het verkondigen van zulke ongeïnformeerde nonsens! Natuurlijk publiceren we wel eens in het Engels om bij te kunnen dragen aan internationale debatten, maar vrijwel al ons onderwijs is in het Nederlands, en een grote meerderheid van de letterkundige publicaties is dat ook. Daarnaast publiceert iedere letterkundige in zijn vrije tijd ook nog populariserende boeken, artikelen en essays, waarin wetenschappelijke bevindingen worden vertaald naar een groot Nederlands publiek.

Ook Kees ‘t Hart windt zich op over het Engels en de methoden in de Nederlandse letterkunde, het vak dat ook hij ooit studeerde. In De Gids haalde hij uit naar een paar jonge, nog niet gepromoveerde onderzoekers, voor wie publiceren in het Engels een sine qua non is. Van een nieuwe generatie neerlandici verlangen dat ze louter in het Nederlands schrijven en dat ze terugkeren naar de filologie, zoals ook Piet Gerbrandy voorstelt, is hen vragen om iedere wetenschappelijke ambitie op te geven.

Lucas van der Deijl en Roel Smeets, de betreffende jonge onderzoekers, schreven met Saskia Pieterse over beroepen van en (hiërarchische) verhoudingen tussen personages in Nederlandse romans en over die in Peter Buwalda’s Bonita Avenue in het bijzonder. ‘Who cares?’, vroeg ‘t Hart zich af. Het geval wil dat mijn studenten smullen van het artikel, verbluft als ze zijn wanneer ze door vormen van distant reading als deze ontdekken dat het op één na meest voorkomende beroep van een vrouw in Nederlandse romans in Nederlandse romans nog altijd prostituee is.

’t Hart interesseert zulk onderzoek niet. ‘Wat een raar onderzoek!’ roept hij meermaals uit. Hij stelt dat we ook zonder computerprogramma’s de beroepen van personages te laten tellen, en zonder lezers te enquêteren over hun perceptie van de hiërarchische relaties tussen personages, wel weten dat er nog steeds veel patriarchale patronen opduiken in Nederlandse romans. En wat hebben we aan zulk onderzoek? We kunnen schrijvers immers naar aanleiding van de resultaten niet wettelijk gaan verplichten om hun vrouwelijke personages advocaat of hoogleraar te maken. Bovendien is alleen van belang of een roman mooi is, aldus ’t Hart, en ons iets kan leren over het leven – zo schaart hij zich achter een aantal, overigens louter Engelstalige studies.

De frustratie van ’t Hart is dus tweeledig: onderzoek als dat van Smeets, Van der Deijl en Pieterse zou ons alleen iets vertellen wat ‘we’ al wisten, en zou literaire romans, die veel meer zijn dan potentiële datasets over de representatie van genderverhoudingen, geen recht doen. Om de retoriek van ’t Hart te recyclen: wat een rare frustraties! Dat hij als veellezer al had ingeschat wat de genderverhoudingen zoal zijn in de Nederlandse literatuur: chapeau. Maar dat niet onderbouwde intuïties van individuen niet altijd stroken met de werkelijkheid, hadden we hierboven, in verband met de veronderstellingen van Gerbrandy, al gezien. En dat onderzoek als dat van Smeets en Van der Deijl recht zou doen aan alles wat literatuur interessant maakt pretenderen ze helemaal niet. Vandaar dat distant reading maar een heel klein deel van het letterkundig onderzoek beslaat, en altijd wordt aangevuld met meer kwalitatieve lecturen ‘van dichtbij’.

De ‘allesverwoestende’ literatuursociologie
‘t Hart is niet de enige die meent dat theorie ons vak de das om doet. Erger nog dan theorie over de representatie van ras of gender is de sociologische literatuurtheorie. De student Nederlands ‘mag’ geen boeken meer lezen, schrijft Pfeijffer: ‘In plaats daarvan moet hij zich verdiepen in de theorie van de sociologische reflexiviteit van Pierre Bourdieu.’ Piet Gerbrandy beweert hetzelfde als hij de neerlandistiek framet als een patiënt, ‘een instantie die ziek is’. Hij verwijt neerlandici dat ze Bourdieu doceren, ‘omdat naar aanleiding van dat debat de status van literatuur nu permanent ter discussie staat’: postmoderne denkers als Bourdieu zouden de literaire canon hebben ontmaskerd als construct dat machtsverhoudingen reproduceert, waarna we met zijn allen een afkeer kregen van (studie naar) ons eigen literair erfgoed.

In Gerbrandy’s betoog belanden we vrijwel ongemerkt bij een niet bestaande tegenstelling tussen het bestuderen van bijvoorbeeld canoniseringsprocessen (literatuursociologie) en ‘nauwgezet en sensitief lezen’. ‘Is gedegen kennis van de literaire traditie werkelijk passé?’, vraagt Gerbrandy zich af. Het bevestigende antwoord op die vraag komt op het conto van Gerbrandy zelf: er bestaat namelijk niemand die vindt dat neerlandici niet nauwgezet en sensitief moeten leren lezen, of dat kennis van de traditie passé is, of dat het bestuderen van Nederlands erfgoed ‘dubieus’ zou zijn. Maar dat betekent niet dat de neerlandistiek geen werkelijke, talige wereld bestudeert, in plaats van een ideale. En als er in die wereld sprake is van nepnieuws, code switching, of jongeren die hun identiteit betekenis geven met Nederlandse hiphopteksten, dan zijn ook dat de processen die neerlandici zullen bestuderen.

Ook filosoof en dichter Maarten Doorman ageerde in De Gids tegen Bourdieu, vanuit de veronderstelling dat de ‘relativering van de canon’ te wijten is aan de invloed van sociologische literatuurontmaskering. Maar zoals Doorman ongetwijfeld weet volgt canonrelativering uit een veel fundamenteler inzicht, namelijk dat kwaliteit een afspraak is, evenals wat we vaak universele waarden noemen. Wetenschappers die dat beseffen, worden uiteraard nieuwsgierig naar de manier waarop die afspraak tot stand is gekomen, naar hoe de canon gevormd wordt. Dat die nieuwsgierigheid ten koste zou gaan van interesse voor de inhoud van literaire teksten, is evenwel het hardnekkigste misverstand over de Nederlandse letterkunde. De vraag naar canoniserings- en uitsluitingsmechanismen is een deel van de literatuurgeschiedenis, net zo goed als de inhoud van literaire werken dat is. Doormans stelling dat ‘de sociologische blik de autonomie van de kunsten en wetenschappelijke kennis [inruilde] voor sociaal-politieke opvattingen’ berust dus op een misverstand. Literatuursociologie heeft de literatuur haar autonomie niet afgenomen: men ontdekte veeleer dat deze autonomie, net als de ‘kwaliteit’ van literaire teksten, een verhaal is, een verhaal waarvan letterkundigen willen weten hoe het tot stand komt.

Doorman beweert overigens niet alleen dat het lezen van Bourdieu heeft bijgedragen aan ‘het verdwijnen’ van letterenstudies, waaronder Nederlands, maar ook aan het verdwijnen van literatuuronderwijs op middelbare scholen. Wat daaraan echter daadwerkelijk heeft bijgedragen – naast de opkomst van de met het boek concurrerende digitale media en televisie – is de invoering van de Tweede Fase, oftewel het Studiehuis, in 1998. Toen kreeg ieder vak in de bovenbouw een bepaalde hoeveelheid studielasturen toebedeeld. Binnen de respectievelijk tweehonderd en honderdzestig beschikbare uren voor de havo en het vwo viel vanaf toen naast argumentatieleer, schriftelijke en mondelinge taalvaardigheid, ook het lezen van romans voor de lijst. Literatuurgeschiedenis verdween door tijdgebrek uit het examenprogramma van de havo en de hoeveelheid boeken op zowel de havo- als vwo-lijst werd gehalveerd. Als het dus voorbij is met de literatuur, als nieuwe generaties hun kennis dus niet meer uit Proust of Flaubert halen, dan is dat niet de schuld van letterkundigen, maar van een onverschillig, liberaal-kapitalistisch paradigma, waarin betekenis geen rol van belang speelt.

Wat overigens opvalt is dat alle opiniemakers het hebben over het vwo en het universitair onderwijs. Is de vraag hoe de hbo-lerarenopleidingen hun studenten, de toekomstige vmbo- of havo-leraren, tot lezen aanzetten, niet een veel belangrijkere dan wat academisch letterkundigen te lezen krijgen? Niemand die zich druk maakt over de staat van het Nederlands-onderwijs op het vmbo. En dat terwijl, zoals Korsten terecht opmerkte, slecht taal- en cultuuronderwijs in de eerste plaats laagopgeleiden treft.

Neerlandici hadden absoluut alerter moeten zijn op alle veranderingen die zich voltrokken hebben binnen curricula op middelbare scholen en hbo-opleidingen. Ironisch genoeg is het werkelijke probleem dus niet dat we destijds te veel bezig waren met literatuursociologie om alert te kunnen zijn: we lieten ons juist te weinig gelegen liggen aan sociologische kwesties. We waren te druk met de canon bestuderen, redigeren, analyseren, en met heel dikke delen van een literatuurgeschiedenis schrijven, om ons te bekommeren om de middelbare school en wat daar gebeurde. In de jaren dat daar de grootste kaalslag plaatshad, schreven letterkundigen over de komma bij Krol, de mystiek van Lucebert, het Nachleben van Van Ostaijen, of over, godbetert, het typografisch wit in de poëzie. Zo kan het dat de ene criticus de letterkunde verwijt dat die zich te veel op ‘de pareltjes van de Nederlandse literatuur’ richt, terwijl de ander meent dat we dat juist te weinig doen.

Hadden we ons maar drukker gemaakt om sociologische en politieke vraagstukken! Over in- en uitsluiting: dan hadden we misschien bijgedragen aan betere schoolmethoden, betere lerarenopleidingen, spannende apps, of prachtige databases. Dan hadden we gewerkt aan alles wat er nu niet is om leerlingen en leraren te laten kennismaken met al het moois wat er, om met Doorman te spreken, ‘geschreven, gezongen, gezegd, gedacht, getoond en gespeeld wordt’. Het gevolg is een schoolvak dat ook door bevlogen en hardwerkende leraren vrijwel onmogelijk interessant te maken is, waarin je onmogelijk kunt uitblinken, waarin men gebrekkige methoden over literatuur gebruikt en dat uitmondt in een eindexamen waarin vrijwel alleen ‘vaardigheden’ worden getoetst en waar literatuur slechts 10% van uitmaakt. De inhoud is uit het vak verdwenen. Maar leraren en neerlandici op alle niveaus en in allerlei gremia zetten zich inmiddels in om dat te veranderen – zoals de Meesterschapsteams Nederlands en hun mooie manifest voor de toekomst van het schoolvak.

Ontmaskering van de mythe
Hoe komt het dat de mythe over de allesverwoestende literatuursociologie zo hardnekkig is? Berust ze soms op een kern van waarheid? Een student-assistent zocht het uit. Op honderdveertig letterkundige tijdschriftpublicaties in de afgelopen drie jaar bleken er welgeteld veertien te gaan over ‘het veld’. Dat wil zeggen: over institutionele kwesties zoals de ‘zelfrepresentatie’ van schrijvers: een onderwerp dat overigens relevant en actueel is in de huidige mediamaatschappij. Een op de tien dus. Welgeteld een (zegge: een) artikel ging rechtstreeks over het werk van Bourdieu. Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Nijmegen, heeft overigens in 2012 al uitgerekend dat indertijd 2% van de publicaties het werk van Bourdieu gebruikten. Met Thomas Vaessens liet hij in 2004 ook al zien dat het grootste deel van de publicaties tekstgericht of literatuurhistorisch was. Wat dat betreft is er dus niets veranderd, en gebeurt er in het onderzoek precies waarvan men meent dat het niet gebeurt: het nauwkeurig lezen van de Nederlandse canon.

Speelt de Franse socioloog Bourdieu, inmiddels een symbool voor alles wat er misgaat bij Nederlands, dan een rol in het onderwijs? Ook dat zochten we uit. Nog los van het feit dat moderne letterkunde dus maar een kwart van het verplichte curriculum van studenten Nederlands beslaat (dus een week of vijftien à twintig aan totale studielast), bleken institutionele benaderingen daarin vrijwel volstrekt afwezig. Een enkel keuzevak als ‘De reputatie van literatuur’ daargelaten is Bourdieu geen factor van gewicht. Waarbij ik voorstel dat dit de laatste keer is dat we van een arme assistent vragen om wekenlang alle studiegidsen en tijdschriftpublicaties door te ploegen op zoek naar een afwezige theorie van Bourdieu.

Waarom het spook van Bourdieu dan blijft rondwaren in de discussie over ons vak? De bijdrage van Doorman kan dat verklaren: ‘Bourdieu’ of ‘de sociologie’ doet daarin slechts dienst als symbool. Bourdieu staat voor datgene wat door zijn theorie beschreven (maar, zo mag inmiddels duidelijk zijn: niet veroorzaakt) kan worden: het verdwijnen van het symbolisch kapitaal van schrijvers en hun werk. Die verdwijning is onmiskenbaar en onafwendbaar. Cees Nooteboom beschreef bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren cultuur als een ‘kern’. Wie nog bij die kern hoort, zo zei de schrijver, is een ‘vreemdeling’ geworden in de maatschappij. Nooteboom toont ook zelfreflectie: hij is zich ervan bewust dat angst voor cultuurverandering inherent is aan cultuur. De volgende stap – concluderen dat cultuur misschien geen ‘kern’ heeft maar een proces is, een eeuwige verandering – zet hij echter niet. Maar is het niet evengoed de gedeelde taak van intellectuelen, neerlandici en schrijvers om binnen die dynamiek van cultuur te blijven zoeken naar de betekenis van veranderingen, te wijzen op de verbanden tussen de talige en culturele invloeden die altijd al uit alle windstreken kwamen en uit alle lagen van de samenleving?

Niemand beweert dat de literaire ontlezing (die in Nederland heviger is dan in andere Europese landen) een goede zaak is. Allen die geloven in de zeggingskracht van literaire teksten zien het als een tragedie dat neoliberaal kapitalisme, verwaarlozing van het onderwijs, televisie en digitale cultuur hebben gezorgd voor desinteresse bij de jeugd voor literatuur. We kunnen dus met zijn allen bij de laatste ruïnes in de woestijn gaan neerzitten en elkaars hand vasthouden. Maar daarvoor is Nederlands te belangrijk. Onze opleidingen kunnen zich zulk cultuurpessimisme niet permitteren, moeten mee met de wereld. Structureel in gesprek met de nieuwe generatie, en met leraren van nu en van de toekomst: de neerlandistiek is en moet ook structureel in verandering en beweging zijn in een meertalige samenleving.

Dat maakt Nederlands zowel een sterke wetenschappelijke discipline – vorige maand werden er drie grote onderzoeksbeurzen aan neerlandici toegekend – als de producent van geliefde publieksboeken, en tenslotte een uitstekende opleiding, waar studenten vanaf komen met een zowel grondige als brede kennis van taal, en met garantie op passend werk. Ik denk dus niet dat neerlandici ‘hun aard moeten verloochenen’, zoals Marc van Oostendorp schreef in deze essayreeks, om te voldoen aan objectieve eisen die er worden gesteld aan wetenschappelijke kwaliteit. Het ligt, denk ik, wel degelijk in de aard van neerlandici om wetenschap, onderwijs en samenleving tegelijk te bedienen. We spelen het namelijk klaar om op hoog en internationaal niveau wetenschap te bedrijven. Als we dat niet zouden doen, hadden we geen promovendi en was er dus geen groei, geen Nachwuchs en überhaupt geen wetenschappelijke basis voor ons vak.

Wat ons te doen staat
Na deze opsomming van misverstanden resteert de vraag aan de vermoeide Witteman, de bezorgde Gerbrandy en de miskende Pfeijffer of hun vijand werkelijk de neerlandistiek is. Of misschien eerder een cynische houding van een overheid die verzuimt om een degelijk taal- en cultuurbeleid te maken? Die klakkeloos de adviezen van een Commissie-Van Rijn wil overnemen om de bètafaculteiten te begunstigen ten koste van onder andere de al noodlijdende geesteswetenschappen. Het probleem van het Nederlands, en van de neerlandistiek, is dat de Nederlandse overheid haar taak verwaarloost. Het plan van minister Slob om leraren een jaar lang met elkaar te laten bespreken en beslissen hoe het onderwijs eruit komt te zien, is misschien een sympathiek idee, maar vooral een weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen taak. Zijn taak, en die van minister van Engelshoven en de rest van het kabinet, is om de taal serieus te nemen als een belangrijke drager van onze cultuur.

Als de neerlandistiek van iedereen is, laten we dan ook gezamenlijk strijd leveren en verantwoordelijkheid nemen voor dat wat we delen en liefhebben: de Nederlandse taal en cultuur. Die is namelijk niet van ons alleen. Frans-Willem Korsten maant de neerlandistiek om ‘wakker te worden’, maar het moet duidelijk worden dat de problemen het domein en de slagkracht van de neerlandistiek ruimschoots overstijgen. We hebben dus hulp nodig, van andere academici, vakdidactici en cultuurdragers, om samen de strijd te voeren tegen een onverschillige overheid die niet doet wat ze zou moeten doen: beleid maken. Als we Nederlands weer spannend en actueel willen maken voor nieuwe generaties, moeten we beginnen bij de middelbare scholen. Vier grote opdrachten staan de neerlandistiek te wachten in de komende tien jaar:

  1. Gezamenlijk de overheid en de universiteiten dwingen om een structureel taal- en cultuurbeleid te ontwikkelen.
  2. Onze discipline blijven vernieuwen om aan te sluiten bij een veranderend en divers Nederland, met nadruk op de historische dimensies van het hedendaagse, maar ook op verschil, verandering en diversiteit. Zo komen we tegemoet aan de veranderende eisen aan het vak: creatief schrijven, bijvoorbeeld, een urgentere politieke inhoud van het vak, en meer interdisciplinariteit.
  3. In het licht van de dreigende bezuinigen: samenwerken binnen de geesteswetenschappen. De overheid en het publiek ervan overtuigen dat bèta’s misschien wel altijd meer geld kunnen gebruiken voor alsmaar geavanceerdere laboratoria, maar dat de geest, ons laboratorium, verwaarloosd wordt. En dat een kenniseconomie zonder cultuur een horror is. De technologische kennis die een samenleving wint met zo’n kenniseconomie, is niet waardevoller dan kennis van de betekenis van taal en cultuur.
  4. Bijdragen aan een sterker schoolvak en eindexamen Nederlands – en niet alleen op het vwo. Dat betekent ook het schadelijke onderscheid tussen ‘goed lezen’, ‘herkennend lezen’ en ‘theoretisch lezen’ omsmelten tot een zinvolle lesmethode, waarin de literatuur weer een vaste plaats krijgt op alle schoolniveaus.
  5. Meer samenwerken binnen en buiten het vakgebied om interdisciplinaire problemen als laaggeletterdheid en ontlezing te onderzoeken en bestrijden en om meer te begrijpen van ‘wat ons tot Nederlander maakt’, om Saskia Pieterse aan te halen.

Hoe gaan we dat doen? Met uw hulp. Kom met ons praten op de eerste Neerlandistiek-dagen, op 6 en 7 maart 2020 in Leiden, kom gastcollege geven en volgen, sta ons terzijde met raad en daad. De neerlandistiek is immers van iedereen.

 

Verder lezen